Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-05-22
ECLI:NL:RBLIM:2026:5122
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
23,132 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:5122 text/xml public 2026-05-22T14:30:20 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-05-22 03.126768.25, 03.069348.24 en 03.048690.25 (ttz.gev.) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5122 text/html public 2026-05-22T12:11:04 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:5122 Rechtbank Limburg , 22-05-2026 / 03.126768.25, 03.069348.24 en 03.048690.25 (ttz.gev.) Veroordeling voor openlijke geweldpleging, voorhanden hebben van een geladen gaspistool en de eendaadse samenloop van poging tot diefstal met geweld in vereniging en de poging tot afpersing in vereniging. Overschrijding van de redelijke termijn. Toepassing van het jeugdstrafrecht. Jeugddetentie van 180 dagen waarvan 174 voorwaardelijk en een werkstraf van 180 uren RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummers: 03.126768.25, 03.069348.24 en 03.048690.25 (ttz.gev.) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 mei 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. K.D. Regter, advocaat in Heerlen. 1 Onderzoek van de zaak De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 maart 2026 en zijn ter terechtzitting gevoegd. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. [naam 1] is op zitting verschenen; [naam 2] en [naam 3] niet. Namens [naam 1] en [naam 2] is op de zitting gehoord hun advocaat mr. A.F.G. Pennino, en namens [naam 3] is op de zitting gehoord zijn advocaat mr. T. Franssen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Op 8 mei 2026 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. 2 De tenlastelegging De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: In de zaak met parketnummer 03.126768.25 : Feiten 1 en 2: samen met een ander heeft geprobeerd een roofoverval op [naam 1] te plegen; Feit 3: medeplichtig is geweest aan een poging tot zware mishandeling van [naam 1] ; Feit 4: een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad; In de zaak met parketnummer 03.069348.24 : - openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam 2] ; In de zaak met parketnummer 03.048690.25 : - als bestuurder betrokken was bij een verkeersongeval en vervolgens de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bij dat ongeval aan een ander, [naam 3] , letsel en/of schade was toegebracht. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. In het bijzonder heeft zij daartoe kort gezegd het volgende aangevoerd. In de zaak met parketnummer 03.126768.25: De verdachte en zijn medeverdachte wilden aanvankelijk een scooter stelen, vervolgens hebben zij het slachtoffer willen dwingen tot afgifte van die scooter om tot slot weer te proberen de scooter te stelen. Zodoende is sprake van zowel poging tot diefstal (feit 1) als poging tot afpersing (feit 2), in eendaadse samenloop. Daarbij is geschoten met een gaspistool (feit 3), wat heel gevaarlijk kan zijn. Door het gaspistool mee te nemen en ter plekke aan zijn medeverdachte af te geven, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans dat die medeverdachte daarmee ging schieten bewust aanvaard. In de zaak met parketnummer 03.069348.24: De openlijke geweldpleging kan bewezen worden, met uitzondering van het geven van een kopstoot met een scooterhelm. In de zaak met parketnummer 03.048690.25 : Het verlaten plaats ongeval kan worden bewezen, gelet op de camerabeelden, het proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt hoe de politie bij de verdachte is uitgekomen en de herkenning van de verdachte door een verbalisant. 3.2 Het standpunt van de verdediging In de zaak met parketnummer 03.126768.25: De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 of feit 2, met dien verstande dat niet beide feiten bewezen kunnen worden verklaard; de gedragingen leveren immers óf een poging tot diefstal óf een poging tot afpersing op. Bij gebrek aan opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en omdat door met knalpatronen te schieten geen zwaar lichamelijk letsel kan worden toegebracht, dient vrijspraak voor feit 3 te volgen. Ten aanzien van feit 4 refereert de verdediging zich ten aanzien van het vuurwapen aan het oordeel van de rechtbank, maar concludeert zij tot vrijspraak ten aanzien van de munitie omdat een knalpatroon niet voldoet aan de definitie van munitie uit de Wet wapens en munitie. In de zaak met parketnummer 03.069348.24: De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de openlijke geweldpleging. In de zaak met parketnummer 03.048690.25: De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat de camerabeelden niet overtuigend zijn, niet duidelijk is waar de herkenning door de verbalisant op is gebaseerd en niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op die dag heeft gereden in de witte bestelbus die het ongeval heeft veroorzaakt. 3.3 Het oordeel van de rechtbank In de zaak met parketnummer 03.048690.25 (verlaten plaats ongeval) Vrijspraak Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat het de verdachte is geweest die op die dag en op dat tijdstip de bestuurder was van de witte bestelbus die schade heeft toegebracht aan het voertuig van [naam 3] . De rechtbank overweegt daartoe dat de herkenning door de verbalisant aan de hand van de camerabeelden te weinig specifiek is om met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen dat het daadwerkelijk de verdachte betreft die op die beelden te zien is. Ook overigens bevat het dossier onvoldoende bewijs om met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat de verdachte op dat moment de bestelbus bestuurde. In de zaak met parketnummer 03.126768.25 Bewijsoverweging (feiten 1 en 2) De raadsman heeft zijn verweer ten aanzien van deze feiten naar voren gebracht als een bewijsverweer, in die zin dat niet beide feiten bewezen kunnen worden, nu het ene feit het andere uitsluit. De rechtbank deelt die opvatting niet en is van oordeel dat een feitencomplex wel degelijk zowel een poging tot diefstal als een poging tot afpersing kan opleveren, mits aan de vereisten daarvoor is voldaan. En dat is het geval. De rechtbank begrijpt dit verweer daarom als een kwalificatie- dan wel straftoemetingsverweer. Voor gevallen als deze is immers de regeling van eendaadse samenloop in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht geschreven. De feiten 1 en 2 leveren een zodanig samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat beide feiten op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De rechtbank zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en er door de verdediging voor het overige geen vrijspraak is bepleit. Bewijsmiddelen (feit 1 en 2) De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op: het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 24 april 2025, pagina’s 47 tot en met 52; het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte] van 26 april 2025, pagina’s 221-230; de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 24 maart 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:5122 text/xml public 2026-05-22T14:30:20 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-05-22 03.126768.25, 03.069348.24 en 03.048690.25 (ttz.gev.) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5122 text/html public 2026-05-22T12:11:04 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:5122 Rechtbank Limburg , 22-05-2026 / 03.126768.25, 03.069348.24 en 03.048690.25 (ttz.gev.) Veroordeling voor openlijke geweldpleging, voorhanden hebben van een geladen gaspistool en de eendaadse samenloop van poging tot diefstal met geweld in vereniging en de poging tot afpersing in vereniging. Overschrijding van de redelijke termijn. Toepassing van het jeugdstrafrecht. Jeugddetentie van 180 dagen waarvan 174 voorwaardelijk en een werkstraf van 180 uren RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummers: 03.126768.25, 03.069348.24 en 03.048690.25 (ttz.gev.) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 mei 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. K.D. Regter, advocaat in Heerlen. 1 Onderzoek van de zaak De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 maart 2026 en zijn ter terechtzitting gevoegd. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. [naam 1] is op zitting verschenen; [naam 2] en [naam 3] niet. Namens [naam 1] en [naam 2] is op de zitting gehoord hun advocaat mr. A.F.G. Pennino, en namens [naam 3] is op de zitting gehoord zijn advocaat mr. T. Franssen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Op 8 mei 2026 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. 2 De tenlastelegging De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: In de zaak met parketnummer 03.126768.25 : Feiten 1 en 2: samen met een ander heeft geprobeerd een roofoverval op [naam 1] te plegen; Feit 3: medeplichtig is geweest aan een poging tot zware mishandeling van [naam 1] ; Feit 4: een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad; In de zaak met parketnummer 03.069348.24 : - openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam 2] ; In de zaak met parketnummer 03.048690.25 : - als bestuurder betrokken was bij een verkeersongeval en vervolgens de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bij dat ongeval aan een ander, [naam 3] , letsel en/of schade was toegebracht. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. In het bijzonder heeft zij daartoe kort gezegd het volgende aangevoerd. In de zaak met parketnummer 03.126768.25: De verdachte en zijn medeverdachte wilden aanvankelijk een scooter stelen, vervolgens hebben zij het slachtoffer willen dwingen tot afgifte van die scooter om tot slot weer te proberen de scooter te stelen. Zodoende is sprake van zowel poging tot diefstal (feit 1) als poging tot afpersing (feit 2), in eendaadse samenloop. Daarbij is geschoten met een gaspistool (feit 3), wat heel gevaarlijk kan zijn. Door het gaspistool mee te nemen en ter plekke aan zijn medeverdachte af te geven, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans dat die medeverdachte daarmee ging schieten bewust aanvaard. In de zaak met parketnummer 03.069348.24: De openlijke geweldpleging kan bewezen worden, met uitzondering van het geven van een kopstoot met een scooterhelm. In de zaak met parketnummer 03.048690.25 : Het verlaten plaats ongeval kan worden bewezen, gelet op de camerabeelden, het proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt hoe de politie bij de verdachte is uitgekomen en de herkenning van de verdachte door een verbalisant. 3.2 Het standpunt van de verdediging In de zaak met parketnummer 03.126768.25: De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 of feit 2, met dien verstande dat niet beide feiten bewezen kunnen worden verklaard; de gedragingen leveren immers óf een poging tot diefstal óf een poging tot afpersing op. Bij gebrek aan opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en omdat door met knalpatronen te schieten geen zwaar lichamelijk letsel kan worden toegebracht, dient vrijspraak voor feit 3 te volgen. Ten aanzien van feit 4 refereert de verdediging zich ten aanzien van het vuurwapen aan het oordeel van de rechtbank, maar concludeert zij tot vrijspraak ten aanzien van de munitie omdat een knalpatroon niet voldoet aan de definitie van munitie uit de Wet wapens en munitie. In de zaak met parketnummer 03.069348.24: De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de openlijke geweldpleging. In de zaak met parketnummer 03.048690.25: De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat de camerabeelden niet overtuigend zijn, niet duidelijk is waar de herkenning door de verbalisant op is gebaseerd en niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op die dag heeft gereden in de witte bestelbus die het ongeval heeft veroorzaakt. 3.3 Het oordeel van de rechtbank In de zaak met parketnummer 03.048690.25 (verlaten plaats ongeval) Vrijspraak Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat het de verdachte is geweest die op die dag en op dat tijdstip de bestuurder was van de witte bestelbus die schade heeft toegebracht aan het voertuig van [naam 3] . De rechtbank overweegt daartoe dat de herkenning door de verbalisant aan de hand van de camerabeelden te weinig specifiek is om met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen dat het daadwerkelijk de verdachte betreft die op die beelden te zien is. Ook overigens bevat het dossier onvoldoende bewijs om met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat de verdachte op dat moment de bestelbus bestuurde. In de zaak met parketnummer 03.126768.25 Bewijsoverweging (feiten 1 en 2) De raadsman heeft zijn verweer ten aanzien van deze feiten naar voren gebracht als een bewijsverweer, in die zin dat niet beide feiten bewezen kunnen worden, nu het ene feit het andere uitsluit. De rechtbank deelt die opvatting niet en is van oordeel dat een feitencomplex wel degelijk zowel een poging tot diefstal als een poging tot afpersing kan opleveren, mits aan de vereisten daarvoor is voldaan. En dat is het geval. De rechtbank begrijpt dit verweer daarom als een kwalificatie- dan wel straftoemetingsverweer. Voor gevallen als deze is immers de regeling van eendaadse samenloop in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht geschreven. De feiten 1 en 2 leveren een zodanig samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat beide feiten op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De rechtbank zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en er door de verdediging voor het overige geen vrijspraak is bepleit. Bewijsmiddelen (feit 1 en 2) De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op: het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 24 april 2025, pagina’s 47 tot en met 52; het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte] van 26 april 2025, pagina’s 221-230; de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 24 maart 2026.
Volledig
Vrijspraak (feit 3) Met de raadsman – en anders dan de officier van justitie – is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een poging tot zware mishandeling van [naam 1] , zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Uit het dossier volgt namelijk onvoldoende vanaf waar de medeverdachte schoten heeft gelost richting [naam 1] en van hoe dichtbij die schoten zijn gelost. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om vast te stellen dat er een aanmerkelijke kans was dat [naam 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen als gevolg van het schieten met het gaspistool. In dat verband is mede van belang dat het door de officier van justitie genoemde rapport Letselpotentie gaswapens uitsluitend gewag maakt van gevaar voor penetrerend letsel bij contactschoten of schoten van zeer dichtbij. Bewijsmiddelen (feit 4) De rechtbank past ten aanzien van het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. De verdachte verklaarde tijdens de terechtzitting van 24 maart 2026 als volgt: Ik had het wapen op 23 april 2025 te Maastricht al bij mij toen wij uit de auto stapten en naar de woning van [naam 1] liepen. [medeverdachte] zei toen “pak dat ding” en ik gaf het wapen toen aan hem. In de kennisgeving van inbeslagname van 24 april 2025, pagina’s 120 en 121, staat – onder meer – het volgende vermeld: Plaats: Bethlehemweg, Maastricht Goednummer: PL2300-2025065888-1799350 Object: Munitie Aantal/eenheid: 9 stuks Goednummer: PL2300-2025065888-1799351 Object: Vuurwapen Merk/type: Glock In het proces-verbaal wapenbeschrijving van 12 juni 2025 , pagina’s 132 tot en met 141, staat het volgende gerelateerd: Ik heb een onderzoek ingesteld naar de in beslaggenomen voorwerpen die mij ter beschikking werden gesteld. Goednummer 1799351 betreft een vuurwapen als bedoeld in artikel 1 lid 3 van de Wet wapens en munitie. Dit betreft een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie. Goednummer 1799350 betreft negen (9) knalpatronen in het kaliber 9 millimeter P.A.K. Dit is munitie in de zin van artikel 1 lid 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III, van de Wet wapens en munitie. Bewijsoverweging (feit 4) De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III. Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de munitie die de verdachte voorhanden had niet voldoet aan de definitie van munitie uit de Wet wapens en munitie, overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal wapenbeschrijving van de politie volgt dat de aangetroffen munitie gekwalificeerd dient te worden als munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie. De rechtbank stelt vast dat deze munitie onder categorie III (‘overige munitie’) valt, omdat deze voldoet aan de in artikel 1 sub 4 van de Wet wapens en munitie gegeven definitie van munitie en niet onder de overige categorieën van munitie valt. Ook het voorhanden hebben van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie wordt op grond van het voorgaande bewezenverklaard. In de zaak met parketnummer 03.069348.24 (openlijke geweldpleging) Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het geven van een kopstoot met een scooterhelm niet kan worden bewezen. De verdachte zal daarom in zoverre worden vrijgesproken. De rechtbank acht dit feit voor het overige wel wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft het bewezenverklaarde ook in zoverre bekend, en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten: het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 26 februari 2024, pagina’s 15 tot en met 17; het proces-verbaal van bevindingen (uitlezen camerabeelden) van 27 februari 2024, pagina’s 39 tot en met 43; de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 24 maart 2026. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte 03.126768.25 feit 1: op 23 april 2025 in de gemeente Maastricht op de openbare weg, de brandgang grenzend aan de Bethlehemweg, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een scooter die aan [naam 1] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en te doen volgen van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - [naam 1] een vuurwapen heeft getoond, - met een vuurwapen in de lucht heeft geschoten, - met een vuurwapen op en in de richting van het lichaam van [naam 1] heeft gericht en geschoten, en - daarbij aan [naam 1] heeft gevraagd - zakelijk weergegeven - waar de sleutels waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2: op 23 april 2025 in de gemeente Maastricht op de openbare weg, de brandgang grenzend aan de Bethlehemweg, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam 1] te dwingen tot de afgifte van een scooter en een sleutel van die scooter, die aan [naam 1] toebehoorden, - [naam 1] een vuurwapen heeft getoond, - met een vuurwapen in de lucht heeft geschoten, - met een vuurwapen op en in de richting van het lichaam van [naam 1] heeft gericht en geschoten, en - daarbij tegen [naam 1] heeft gezegd - zakelijk weergegeven - dat [naam 1] de scooter moest gaan pakken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 4: op 23 april 2025 te Maastricht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gaspistool) van het merk Umarex, type Glock 17 generatie 5, kaliber 9 millimeter P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 stuks Pobjeba van het kaliber 9 millimeter P.A.K., voorhanden heeft gehad; 03.069348.24 op 25 februari 2024 te Kerkrade openlijk, te weten op de Markt, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [naam 2] , door hem meermalen te slaan, te schoppen en een knietje te geven. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op: 03.126768.25 feit 1: poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen; in eendaadse samenloop gepleegd met feit 2: poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; 03.069348.24 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Volledig
Vrijspraak (feit 3) Met de raadsman – en anders dan de officier van justitie – is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een poging tot zware mishandeling van [naam 1] , zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Uit het dossier volgt namelijk onvoldoende vanaf waar de medeverdachte schoten heeft gelost richting [naam 1] en van hoe dichtbij die schoten zijn gelost. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om vast te stellen dat er een aanmerkelijke kans was dat [naam 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen als gevolg van het schieten met het gaspistool. In dat verband is mede van belang dat het door de officier van justitie genoemde rapport Letselpotentie gaswapens uitsluitend gewag maakt van gevaar voor penetrerend letsel bij contactschoten of schoten van zeer dichtbij. Bewijsmiddelen (feit 4) De rechtbank past ten aanzien van het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. De verdachte verklaarde tijdens de terechtzitting van 24 maart 2026 als volgt: Ik had het wapen op 23 april 2025 te Maastricht al bij mij toen wij uit de auto stapten en naar de woning van [naam 1] liepen. [medeverdachte] zei toen “pak dat ding” en ik gaf het wapen toen aan hem. In de kennisgeving van inbeslagname van 24 april 2025, pagina’s 120 en 121, staat – onder meer – het volgende vermeld: Plaats: Bethlehemweg, Maastricht Goednummer: PL2300-2025065888-1799350 Object: Munitie Aantal/eenheid: 9 stuks Goednummer: PL2300-2025065888-1799351 Object: Vuurwapen Merk/type: Glock In het proces-verbaal wapenbeschrijving van 12 juni 2025 , pagina’s 132 tot en met 141, staat het volgende gerelateerd: Ik heb een onderzoek ingesteld naar de in beslaggenomen voorwerpen die mij ter beschikking werden gesteld. Goednummer 1799351 betreft een vuurwapen als bedoeld in artikel 1 lid 3 van de Wet wapens en munitie. Dit betreft een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie. Goednummer 1799350 betreft negen (9) knalpatronen in het kaliber 9 millimeter P.A.K. Dit is munitie in de zin van artikel 1 lid 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III, van de Wet wapens en munitie. Bewijsoverweging (feit 4) De rechtbank is op grond van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III. Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de munitie die de verdachte voorhanden had niet voldoet aan de definitie van munitie uit de Wet wapens en munitie, overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal wapenbeschrijving van de politie volgt dat de aangetroffen munitie gekwalificeerd dient te worden als munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie. De rechtbank stelt vast dat deze munitie onder categorie III (‘overige munitie’) valt, omdat deze voldoet aan de in artikel 1 sub 4 van de Wet wapens en munitie gegeven definitie van munitie en niet onder de overige categorieën van munitie valt. Ook het voorhanden hebben van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie wordt op grond van het voorgaande bewezenverklaard. In de zaak met parketnummer 03.069348.24 (openlijke geweldpleging) Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het geven van een kopstoot met een scooterhelm niet kan worden bewezen. De verdachte zal daarom in zoverre worden vrijgesproken. De rechtbank acht dit feit voor het overige wel wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft het bewezenverklaarde ook in zoverre bekend, en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten: het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 26 februari 2024, pagina’s 15 tot en met 17; het proces-verbaal van bevindingen (uitlezen camerabeelden) van 27 februari 2024, pagina’s 39 tot en met 43; de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 24 maart 2026. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte 03.126768.25 feit 1: op 23 april 2025 in de gemeente Maastricht op de openbare weg, de brandgang grenzend aan de Bethlehemweg, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een scooter die aan [naam 1] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en te doen volgen van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - [naam 1] een vuurwapen heeft getoond, - met een vuurwapen in de lucht heeft geschoten, - met een vuurwapen op en in de richting van het lichaam van [naam 1] heeft gericht en geschoten, en - daarbij aan [naam 1] heeft gevraagd - zakelijk weergegeven - waar de sleutels waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2: op 23 april 2025 in de gemeente Maastricht op de openbare weg, de brandgang grenzend aan de Bethlehemweg, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam 1] te dwingen tot de afgifte van een scooter en een sleutel van die scooter, die aan [naam 1] toebehoorden, - [naam 1] een vuurwapen heeft getoond, - met een vuurwapen in de lucht heeft geschoten, - met een vuurwapen op en in de richting van het lichaam van [naam 1] heeft gericht en geschoten, en - daarbij tegen [naam 1] heeft gezegd - zakelijk weergegeven - dat [naam 1] de scooter moest gaan pakken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 4: op 23 april 2025 te Maastricht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gaspistool) van het merk Umarex, type Glock 17 generatie 5, kaliber 9 millimeter P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 stuks Pobjeba van het kaliber 9 millimeter P.A.K., voorhanden heeft gehad; 03.069348.24 op 25 februari 2024 te Kerkrade openlijk, te weten op de Markt, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [naam 2] , door hem meermalen te slaan, te schoppen en een knietje te geven. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op: 03.126768.25 feit 1: poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen; in eendaadse samenloop gepleegd met feit 2: poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; 03.069348.24 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Volledig
5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De straffen 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt bestraft volgens het jeugd-strafrecht en dat hem een werkstraf van 120 uren wordt opgelegd, te vervangen door 60 dagen vervangende jeugddetentie bij niet (volledig) voldoen, en 180 dagen jeugddetentie, waarvan 176 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen en heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis recht doet aan de belangen van de verdachte en de maatschappij. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03.126768.25 dient te worden opgeheven. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt. Op 25 februari 2024 hoorde verdachte dat [naam 4] , een kennis van hem, ruzie had gehad met [naam 2] . Dat was kennelijk voor hem groen licht om samen met zijn vriend [naam 2] in elkaar te slaan en te trappen. En dat in het bijzijn van andere jongeren en voor de ogen van het winkelend publiek op de Markt in Kerkrade. Pas door ingrijpen van anderen stopte het geweld, waarna verdachte het hazenpad koos. Het behoeft geen betoog dat dit niet door de beugel kan. Dat er een conflict is geweest, mag zo zijn, maar dat vormt nooit en te nimmer een aanleiding of excuus om iemand zo te mishandelen. Verdachte is hiermee ernstig de fout ingegaan. Zoals hij dat ook deed, en nog ernstiger, op 23 april 2025. Samen met [medeverdachte] had de verdachte het plan opgevat om een scooter te gaan stelen, waarbij hun oog was gevallen op de scooter van [naam 1] . Om hun handelen kracht bij te zetten, hadden zij een geladen gaspistool bij zich. Een pistool dat ook daadwerkelijk door [medeverdachte] werd gebruikt toen hun plan, vanwege verzet van [naam 1] , in duigen dreigde te vallen. Ook hier behoeft het geen betoog dat dit gedrag niet door de beugel kan. En toch doet de verdachte het. Verdachte heeft ter zitting spijt betuigd, dat siert hem, maar kan het leed dat hij [naam 1] en diens vrouw en diens gezin heeft toegebracht nauwelijks verzachten. De verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 20 en 22 jaar, en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het mogelijk om het jeugdstrafrecht toe te passen op jongeren in de leeftijd van 18 tot 23 jaar als de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De reclassering schrijft hierover dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, hij kinderlijker gedrag vertoont dan men gezien zijn kalenderleeftijd van hem zou verwachten en hij ontvankelijk is voor sociale, emotionele of praktische ondersteuning en/of beïnvloeding door volwassenen. Verder schrijft de reclassering dat de verdachte beïnvloedbaar is, anderen graag wil helpen, impulsief kan zijn en de consequenties van zijn keuzes op dat moment niet kan overzien. Op basis van het voorgaande en gelet op de indruk die de rechtbank ter terechtzitting zelf van de persoon van de verdachte heeft gekregen, is de rechtbank van oordeel dat pedagogische beïnvloeding van de verdachte nog mogelijk lijkt en dat hij daarbij gebaat zal zijn. De rechtbank zal, zoals ook is gevorderd door de officier van justitie en verzocht door de verdediging, toepassing geven aan het jeugdstrafrecht. De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen is het vertrekpunt een jeugddetentie vanaf 6 weken; dat het wapen geladen was, is strafverzwarend. Daar komt nog de openlijke geweldpleging bij en de eendaadse samenloop van kort gezegd de poging tot diefstal met geweld in vereniging en de poging tot afpersing in vereniging. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie van enkele maanden is daarmee het uitgangspunt. De verdachte heeft in totaal zes dagen vastgezeten en ervaren wat de reactie van de maatschappij is, als hij strafbare feiten pleegt. Na zijn vrijlating onder voorwaarden heeft de verdachte laten zien een andere weg te willen kiezen. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is hij intensief begeleid door de reclassering en heeft hij zich aan strenge voorwaarden gehouden, waarbij behandeling bij [instantie] is gestart en de verdachte sinds kort beschikt over een fulltimebaan bij een bandenspecialist. Een voorwaardelijk kader om de verdachte verder te begeleiden en zijn voortgang te monitoren is volgens de reclassering geïndiceerd. De rechtbank constateert dat in de zaak van de openlijke geweldpleging het recht van de verdachte op een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden is overschreden en dat deze overschrijding verdisconteerd moet worden in de strafoplegging. De Hoge Raad heeft in zijn uitleg van de redelijke termijn in zaken waarin het jeugdstrafrecht wordt toegepast als uitgangspunt genomen dat de behandeling in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Die termijn is in dit geval aangevangen op het moment waarop de verdachte door de politie als verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld, te weten 26 februari 2024. Gelet hierop zou uiterlijk op 26 augustus 2025 vonnis gewezen moeten zijn. De rechtbank wijst dit vonnis op 22 mei 2026. De redelijke termijn is daarmee overschreden met bijna 9 maanden, terwijl van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding rechtvaardigen niet is gebleken. Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een jeugddetentie opleggen voor de duur van 180 dagen, waarvan 174 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd. Gelet op het lopende toezicht bij de volwassenreclassering in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03.126768.25 zal de rechtbank bepalen dat zij ook hier toezicht zal houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan zal begeleiden (artikel 77aa lid 3 Sr jo. 14c lid 6 Sr). Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een werkstraf op voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen vervangende jeugddetentie bij niet (volledig) voldoen. Hoewel de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, doet de werkstraf voor de duur zoals door officier van justitie is gevorderd geen recht aan de ernst van de feiten. Zonder termijnoverschrijding zou de rechtbank een werkstraf hebben opgelegd van de in het jeugdstrafrecht geldende maximale duur van 200 uren. De verdachte dient zich te realiseren dat bij een berechting volgens het strafrecht voor volwassenen de straffen aanzienlijk zwaarder uitvallen. De rechtbank hoopt en verwacht dan ook dat de verdachte de kans de hem nu wordt geboden om met hulp zijn leven een andere wending te geven, met beide handen aangrijpt. Nu geen vrijheidsbeneming langer dan het voorarrest zal worden opgelegd, heft de rechtbank in de zaak met parketnummer 03.126768.25 het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden. 7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen 7.1 De vordering van de benadeelde partij [naam 1] (feiten 1 en 2 parketnummer 03.126768.25) [naam 1] , bijgestaan door mr. A.F.G.
Volledig
5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De straffen 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt bestraft volgens het jeugd-strafrecht en dat hem een werkstraf van 120 uren wordt opgelegd, te vervangen door 60 dagen vervangende jeugddetentie bij niet (volledig) voldoen, en 180 dagen jeugddetentie, waarvan 176 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen en heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis recht doet aan de belangen van de verdachte en de maatschappij. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03.126768.25 dient te worden opgeheven. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt. Op 25 februari 2024 hoorde verdachte dat [naam 4] , een kennis van hem, ruzie had gehad met [naam 2] . Dat was kennelijk voor hem groen licht om samen met zijn vriend [naam 2] in elkaar te slaan en te trappen. En dat in het bijzijn van andere jongeren en voor de ogen van het winkelend publiek op de Markt in Kerkrade. Pas door ingrijpen van anderen stopte het geweld, waarna verdachte het hazenpad koos. Het behoeft geen betoog dat dit niet door de beugel kan. Dat er een conflict is geweest, mag zo zijn, maar dat vormt nooit en te nimmer een aanleiding of excuus om iemand zo te mishandelen. Verdachte is hiermee ernstig de fout ingegaan. Zoals hij dat ook deed, en nog ernstiger, op 23 april 2025. Samen met [medeverdachte] had de verdachte het plan opgevat om een scooter te gaan stelen, waarbij hun oog was gevallen op de scooter van [naam 1] . Om hun handelen kracht bij te zetten, hadden zij een geladen gaspistool bij zich. Een pistool dat ook daadwerkelijk door [medeverdachte] werd gebruikt toen hun plan, vanwege verzet van [naam 1] , in duigen dreigde te vallen. Ook hier behoeft het geen betoog dat dit gedrag niet door de beugel kan. En toch doet de verdachte het. Verdachte heeft ter zitting spijt betuigd, dat siert hem, maar kan het leed dat hij [naam 1] en diens vrouw en diens gezin heeft toegebracht nauwelijks verzachten. De verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 20 en 22 jaar, en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het mogelijk om het jeugdstrafrecht toe te passen op jongeren in de leeftijd van 18 tot 23 jaar als de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De reclassering schrijft hierover dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, hij kinderlijker gedrag vertoont dan men gezien zijn kalenderleeftijd van hem zou verwachten en hij ontvankelijk is voor sociale, emotionele of praktische ondersteuning en/of beïnvloeding door volwassenen. Verder schrijft de reclassering dat de verdachte beïnvloedbaar is, anderen graag wil helpen, impulsief kan zijn en de consequenties van zijn keuzes op dat moment niet kan overzien. Op basis van het voorgaande en gelet op de indruk die de rechtbank ter terechtzitting zelf van de persoon van de verdachte heeft gekregen, is de rechtbank van oordeel dat pedagogische beïnvloeding van de verdachte nog mogelijk lijkt en dat hij daarbij gebaat zal zijn. De rechtbank zal, zoals ook is gevorderd door de officier van justitie en verzocht door de verdediging, toepassing geven aan het jeugdstrafrecht. De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen is het vertrekpunt een jeugddetentie vanaf 6 weken; dat het wapen geladen was, is strafverzwarend. Daar komt nog de openlijke geweldpleging bij en de eendaadse samenloop van kort gezegd de poging tot diefstal met geweld in vereniging en de poging tot afpersing in vereniging. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie van enkele maanden is daarmee het uitgangspunt. De verdachte heeft in totaal zes dagen vastgezeten en ervaren wat de reactie van de maatschappij is, als hij strafbare feiten pleegt. Na zijn vrijlating onder voorwaarden heeft de verdachte laten zien een andere weg te willen kiezen. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is hij intensief begeleid door de reclassering en heeft hij zich aan strenge voorwaarden gehouden, waarbij behandeling bij [instantie] is gestart en de verdachte sinds kort beschikt over een fulltimebaan bij een bandenspecialist. Een voorwaardelijk kader om de verdachte verder te begeleiden en zijn voortgang te monitoren is volgens de reclassering geïndiceerd. De rechtbank constateert dat in de zaak van de openlijke geweldpleging het recht van de verdachte op een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden is overschreden en dat deze overschrijding verdisconteerd moet worden in de strafoplegging. De Hoge Raad heeft in zijn uitleg van de redelijke termijn in zaken waarin het jeugdstrafrecht wordt toegepast als uitgangspunt genomen dat de behandeling in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Die termijn is in dit geval aangevangen op het moment waarop de verdachte door de politie als verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld, te weten 26 februari 2024. Gelet hierop zou uiterlijk op 26 augustus 2025 vonnis gewezen moeten zijn. De rechtbank wijst dit vonnis op 22 mei 2026. De redelijke termijn is daarmee overschreden met bijna 9 maanden, terwijl van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding rechtvaardigen niet is gebleken. Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een jeugddetentie opleggen voor de duur van 180 dagen, waarvan 174 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd. Gelet op het lopende toezicht bij de volwassenreclassering in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03.126768.25 zal de rechtbank bepalen dat zij ook hier toezicht zal houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan zal begeleiden (artikel 77aa lid 3 Sr jo. 14c lid 6 Sr). Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een werkstraf op voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen vervangende jeugddetentie bij niet (volledig) voldoen. Hoewel de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, doet de werkstraf voor de duur zoals door officier van justitie is gevorderd geen recht aan de ernst van de feiten. Zonder termijnoverschrijding zou de rechtbank een werkstraf hebben opgelegd van de in het jeugdstrafrecht geldende maximale duur van 200 uren. De verdachte dient zich te realiseren dat bij een berechting volgens het strafrecht voor volwassenen de straffen aanzienlijk zwaarder uitvallen. De rechtbank hoopt en verwacht dan ook dat de verdachte de kans de hem nu wordt geboden om met hulp zijn leven een andere wending te geven, met beide handen aangrijpt. Nu geen vrijheidsbeneming langer dan het voorarrest zal worden opgelegd, heft de rechtbank in de zaak met parketnummer 03.126768.25 het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden. 7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen 7.1 De vordering van de benadeelde partij [naam 1] (feiten 1 en 2 parketnummer 03.126768.25) [naam 1] , bijgestaan door mr. A.F.G.
Volledig
Pennino, vordert – na schriftelijke vermeerdering van eis op 19 maart 2026 en mondelinge vermindering van eis ter terechtzitting – een hoofdelijk toe te wijzen schadevergoeding van 10.923,28 euro, bestaande uit 6.923,28 euro aan materiële schade en 4.000 euro aan immateriële schade. De gevorderde materiële schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten: medicatie (paracetamol en ibuprofen): 162,09 euro; eigen risico: 369,93 euro; verlies aan arbeidsvermogen: 6.391,26 euro. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.1.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en hoofdelijk kan worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.1.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor medicatie en het verlies aan arbeidsvermogen onvoldoende zijn onderbouwd, waardoor de benadeelde partij in die posten niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De raadsman heeft verzocht om voor de hoogte van de immateriële schade aansluiting te zoeken bij de categorie ‘bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing sub b’ van de Rotterdamse Schaal, waardoor maximaal een bedrag tot 3.000 euro kan worden toegewezen. 7.1.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreekse schade is toegebracht. Dat de benadeelde het eigen risico heeft moeten betalen, is voldoende onderbouwd en door de verdediging ook niet weersproken. De rechtbank wijst dit deel van de vordering volledig toe, te weten een bedrag van 369,93 euro. Anders is dat ten aanzien van de kosten voor medicatie en verlies aan arbeidsvermogen. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde meermalen paracetamol en ibuprofen heeft aangeschaft voor de aanhoudende hoofdpijn, maar niet voor een periode van één heel jaar met dagelijks gebruik van zes paracetamol en twee ibuprofen. Ter terechtzitting is immers gebleken dat de benadeelde dagelijks ‘slechts’ twee paracetamol slikt. De omvang van deze post kan daarom niet nauwkeurig worden vastgesteld, zodat de rechtbank de omvang van deze kosten zal schatten en dat op een bedrag van 40 euro; het meergevorderde wordt afgewezen. Voor wat betreft het verlies aan arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat het voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde als gevolg van het bewezen verklaarde enige tijd niet heeft kunnen werken. De rechtbank acht de onderbouwing voor een periode van 18 weken echter onvoldoende in het licht van de gemotiveerde betwisting. De rechtbank gaat uit van een kortere periode, te weten 4 weken, en wijst derhalve een bedrag van (355,07 euro x 4 weken) 1.420,28 euro toe. De benadeelde wordt in het meergevorderde niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde maakt ook aanspraak op vergoeding van immateriële schade. De aard en ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in persoon ‘op andere wijze’ zonder meer kan worden aangenomen (artikel 6:106 aanhef en onder b BW). De rechtbank heeft voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag gekeken naar de bedragen die in de regel in zaken als deze worden toegewezen. De rechtbank acht dan een vergoeding van 3.000 euro aan immateriële schadevergoeding billijk; het meergevorderde wijst de rechtbank af. De rechtbank acht de gevorderde schade aldus toewijsbaar tot een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 ten aanzien van de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 ten aanzien van de materiële schade. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de schade, waarvoor de verdachte samen met [medeverdachte] aansprakelijk is, hoofdelijk opleggen. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Conform de landelijke afspraken tussen jeugdrechters, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte niet kan worden gegijzeld om betaling af te dwingen. 7.2 De vordering van de benadeelde partij [naam 2] (03.069348.24) [naam 2] , bijgestaan door mr. A.F.G. Pennino, vordert een hoofdelijk toe te wijzen schadevergoeding van 3.149,23 euro, bestaande uit 149,23 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade. De gevorderde materiële schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten: jas: 59,99 euro; broek: 49,99 euro; schoenen: 39,25 euro. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de kinderrechter op 17 juni 2024 in de zaak van mededader [naam 2] hoofdelijk de materiële schade geheel heeft toegewezen en de immateriële schade tot een bedrag van 600 euro. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in onderhavige zaak nog kan beslissen over de niet toegewezen 2.400 euro aan immateriële schade en zij heeft zich voor wat betreft de hoogte daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 7.2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat acht maanden na het onherroepelijke vonnis in de zaak van mededader [naam 2] de schade van de benadeelde, gelet op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, al vergoed moet zijn. De benadeelde heeft daardoor in onderhavige zaak geen belang meer, zodat hij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor de broek en schoenen moeten worden afgewezen en de jas voor een bedrag van maximaal 30 euro kan worden toegewezen. Voor de hoogte van de immateriële schade moet aansluiting worden gezocht bij het bedrag dat in de zaak van [naam 2] is toegewezen, te weten 600 euro. 7.2.3 Het oordeel van de rechtbank De opvatting van de raadsman dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bij de onherroepelijk veroordeelde mededader [naam 2] meebrengt dat de schade van de benadeelde acht maanden daarna reeds moet zijn vergoed, volgt de rechtbank niet. Pas indien vaststaat dat aan de benadeelde de toegewezen schade volledig en onherroepelijk is betaald – en hij dus geen vergoedbare schade meer heeft – is er voor de verdachte geen verplichting (meer) jegens de benadeelde tot vergoeding van de schade. In onderhavig geval is niet gebleken dat aan de benadeelde zijn schadevergoeding reeds is betaald, waardoor de verdachte samen met [naam 2] verplicht is tot vergoeding van de schade. Over de hoogte van de schade overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde materiële posten voldoende zijn onderbouwd. De benadeelde is aan zijn jas naar de grond getrokken en toen door de verdachte en [naam 2] mishandeld. Dat daardoor naast schade aan de jas van de benadeelde ook schade is ontstaan aan zijn schoenen en broek is alleszins aannemelijk nu benadeelde zich tijdens de geweldpleging voor het grootste deel op de grond bevond en er meermalen fors geweld op hem werd toegepast. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade dan ook geheel toewijzen. De benadeelde maakt ook aanspraak op vergoeding van immateriële schade. Hij heeft immers als gevolg van het handelen van de verdachte en [naam 2] lichamelijk letsel – bestaande uit onder meer schaafwonden, blauwe plekken, kneuzingen en zwellingen – opgelopen. De grond voor immateriële schadevergoeding is hiermee gegeven (artikel 6:106 aanhef en onder b BW). De rechtbank heeft voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag gekeken naar de bedragen die in de regel in zaken als deze worden toegewezen.
Volledig
Pennino, vordert – na schriftelijke vermeerdering van eis op 19 maart 2026 en mondelinge vermindering van eis ter terechtzitting – een hoofdelijk toe te wijzen schadevergoeding van 10.923,28 euro, bestaande uit 6.923,28 euro aan materiële schade en 4.000 euro aan immateriële schade. De gevorderde materiële schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten: medicatie (paracetamol en ibuprofen): 162,09 euro; eigen risico: 369,93 euro; verlies aan arbeidsvermogen: 6.391,26 euro. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.1.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en hoofdelijk kan worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.1.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor medicatie en het verlies aan arbeidsvermogen onvoldoende zijn onderbouwd, waardoor de benadeelde partij in die posten niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De raadsman heeft verzocht om voor de hoogte van de immateriële schade aansluiting te zoeken bij de categorie ‘bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing sub b’ van de Rotterdamse Schaal, waardoor maximaal een bedrag tot 3.000 euro kan worden toegewezen. 7.1.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreekse schade is toegebracht. Dat de benadeelde het eigen risico heeft moeten betalen, is voldoende onderbouwd en door de verdediging ook niet weersproken. De rechtbank wijst dit deel van de vordering volledig toe, te weten een bedrag van 369,93 euro. Anders is dat ten aanzien van de kosten voor medicatie en verlies aan arbeidsvermogen. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde meermalen paracetamol en ibuprofen heeft aangeschaft voor de aanhoudende hoofdpijn, maar niet voor een periode van één heel jaar met dagelijks gebruik van zes paracetamol en twee ibuprofen. Ter terechtzitting is immers gebleken dat de benadeelde dagelijks ‘slechts’ twee paracetamol slikt. De omvang van deze post kan daarom niet nauwkeurig worden vastgesteld, zodat de rechtbank de omvang van deze kosten zal schatten en dat op een bedrag van 40 euro; het meergevorderde wordt afgewezen. Voor wat betreft het verlies aan arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat het voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde als gevolg van het bewezen verklaarde enige tijd niet heeft kunnen werken. De rechtbank acht de onderbouwing voor een periode van 18 weken echter onvoldoende in het licht van de gemotiveerde betwisting. De rechtbank gaat uit van een kortere periode, te weten 4 weken, en wijst derhalve een bedrag van (355,07 euro x 4 weken) 1.420,28 euro toe. De benadeelde wordt in het meergevorderde niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde maakt ook aanspraak op vergoeding van immateriële schade. De aard en ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in persoon ‘op andere wijze’ zonder meer kan worden aangenomen (artikel 6:106 aanhef en onder b BW). De rechtbank heeft voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag gekeken naar de bedragen die in de regel in zaken als deze worden toegewezen. De rechtbank acht dan een vergoeding van 3.000 euro aan immateriële schadevergoeding billijk; het meergevorderde wijst de rechtbank af. De rechtbank acht de gevorderde schade aldus toewijsbaar tot een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 ten aanzien van de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 ten aanzien van de materiële schade. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de schade, waarvoor de verdachte samen met [medeverdachte] aansprakelijk is, hoofdelijk opleggen. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Conform de landelijke afspraken tussen jeugdrechters, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte niet kan worden gegijzeld om betaling af te dwingen. 7.2 De vordering van de benadeelde partij [naam 2] (03.069348.24) [naam 2] , bijgestaan door mr. A.F.G. Pennino, vordert een hoofdelijk toe te wijzen schadevergoeding van 3.149,23 euro, bestaande uit 149,23 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade. De gevorderde materiële schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten: jas: 59,99 euro; broek: 49,99 euro; schoenen: 39,25 euro. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de kinderrechter op 17 juni 2024 in de zaak van mededader [naam 2] hoofdelijk de materiële schade geheel heeft toegewezen en de immateriële schade tot een bedrag van 600 euro. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in onderhavige zaak nog kan beslissen over de niet toegewezen 2.400 euro aan immateriële schade en zij heeft zich voor wat betreft de hoogte daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 7.2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat acht maanden na het onherroepelijke vonnis in de zaak van mededader [naam 2] de schade van de benadeelde, gelet op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, al vergoed moet zijn. De benadeelde heeft daardoor in onderhavige zaak geen belang meer, zodat hij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor de broek en schoenen moeten worden afgewezen en de jas voor een bedrag van maximaal 30 euro kan worden toegewezen. Voor de hoogte van de immateriële schade moet aansluiting worden gezocht bij het bedrag dat in de zaak van [naam 2] is toegewezen, te weten 600 euro. 7.2.3 Het oordeel van de rechtbank De opvatting van de raadsman dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bij de onherroepelijk veroordeelde mededader [naam 2] meebrengt dat de schade van de benadeelde acht maanden daarna reeds moet zijn vergoed, volgt de rechtbank niet. Pas indien vaststaat dat aan de benadeelde de toegewezen schade volledig en onherroepelijk is betaald – en hij dus geen vergoedbare schade meer heeft – is er voor de verdachte geen verplichting (meer) jegens de benadeelde tot vergoeding van de schade. In onderhavig geval is niet gebleken dat aan de benadeelde zijn schadevergoeding reeds is betaald, waardoor de verdachte samen met [naam 2] verplicht is tot vergoeding van de schade. Over de hoogte van de schade overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde materiële posten voldoende zijn onderbouwd. De benadeelde is aan zijn jas naar de grond getrokken en toen door de verdachte en [naam 2] mishandeld. Dat daardoor naast schade aan de jas van de benadeelde ook schade is ontstaan aan zijn schoenen en broek is alleszins aannemelijk nu benadeelde zich tijdens de geweldpleging voor het grootste deel op de grond bevond en er meermalen fors geweld op hem werd toegepast. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade dan ook geheel toewijzen. De benadeelde maakt ook aanspraak op vergoeding van immateriële schade. Hij heeft immers als gevolg van het handelen van de verdachte en [naam 2] lichamelijk letsel – bestaande uit onder meer schaafwonden, blauwe plekken, kneuzingen en zwellingen – opgelopen. De grond voor immateriële schadevergoeding is hiermee gegeven (artikel 6:106 aanhef en onder b BW). De rechtbank heeft voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag gekeken naar de bedragen die in de regel in zaken als deze worden toegewezen.
Volledig
De rechtbank acht dan een vergoeding van 600 euro aan immateriële schadevergoeding billijk; het meergevorderde wijst de rechtbank af. De rechtbank acht de gevorderde schade aldus toewijsbaar tot een bedrag van 749,23 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2024 over de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de schade, waarvoor de verdachte samen met [naam 2] aansprakelijk is, hoofdelijk opleggen. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Conform de landelijke afspraken tussen jeugdrechters, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte niet kan worden gegijzeld om betaling af te dwingen. 7.3 De vordering van de benadeelde partij [naam 3] (03.048690.25) [naam 3] , bijgestaan door mr. T.R.S. Franssen, vordert een materiële schadevergoeding van 2.601,66 euro en 1.210 euro aan proceskosten. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van de materiële schade met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij zal worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de verdachte gemaakt ter verdediging tegen deze vordering, tot op heden begroot op nihil. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 55, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 9 De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het onder parketnummer 03.126768.25 als feit 3 en het onder parketnummer 03.048690.25 ten laste gelegde feit; Bewezenverklaring verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straffen veroordeelt de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten tot een jeugddetentie van 180 dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat een gedeelte van de straf, groot 174 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd: stelt als bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen, dat hij: zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het telefoonnummer 088-8041501. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn; zich laat behandelen door [instantie] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde de voorgeschreven medicatie zal gebruiken; op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2009; zich inspant voor het vinden en het behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; indien (op een later moment in het toezicht) geïndiceerd, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt; geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 77aa lid 3 Sr jo. artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa lid 3 Sr jo. 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; veroordeelt de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren; beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 90 dagen; Voorlopige hechtenis: - heft in de zaak met parketnummer 03.126768.25 het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden; Benadeelde partij [naam 1] (feiten 1 en 2 inz.
Volledig
De rechtbank acht dan een vergoeding van 600 euro aan immateriële schadevergoeding billijk; het meergevorderde wijst de rechtbank af. De rechtbank acht de gevorderde schade aldus toewijsbaar tot een bedrag van 749,23 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2024 over de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de schade, waarvoor de verdachte samen met [naam 2] aansprakelijk is, hoofdelijk opleggen. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Conform de landelijke afspraken tussen jeugdrechters, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte niet kan worden gegijzeld om betaling af te dwingen. 7.3 De vordering van de benadeelde partij [naam 3] (03.048690.25) [naam 3] , bijgestaan door mr. T.R.S. Franssen, vordert een materiële schadevergoeding van 2.601,66 euro en 1.210 euro aan proceskosten. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van de materiële schade met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij zal worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de verdachte gemaakt ter verdediging tegen deze vordering, tot op heden begroot op nihil. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 55, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 9 De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het onder parketnummer 03.126768.25 als feit 3 en het onder parketnummer 03.048690.25 ten laste gelegde feit; Bewezenverklaring verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straffen veroordeelt de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten tot een jeugddetentie van 180 dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat een gedeelte van de straf, groot 174 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd: stelt als bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen, dat hij: zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het telefoonnummer 088-8041501. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn; zich laat behandelen door [instantie] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde de voorgeschreven medicatie zal gebruiken; op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2009; zich inspant voor het vinden en het behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; indien (op een later moment in het toezicht) geïndiceerd, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt; geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 77aa lid 3 Sr jo. artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa lid 3 Sr jo. 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; veroordeelt de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren; beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 90 dagen; Voorlopige hechtenis: - heft in de zaak met parketnummer 03.126768.25 het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden; Benadeelde partij [naam 1] (feiten 1 en 2 inz.
Volledig
03.126768.25) wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over de immateriële schade en met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade, tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor zover deze ziet op het meergevorderde aan verlies van arbeidsvermogen, te weten (6.391,26 euro – 1.420.28 euro) 4.970,98 euro, niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; wijst de vordering voor het overige af; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] van een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over de immateriële schade en met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade, tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, geen gijzeling zal worden toegepast; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; Benadeelde partij [naam 2] (03.069348.24) wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van een bedrag van 749,23 euro, bestaande uit 149,23 aan euro materiële schade en 600 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2024 over de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; wijst de vordering voor het overige af; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 2] van een bedrag van 749,23 euro, bestaande uit 149,23 euro aan materiële schade en 600 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2024 over de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade; bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, geen gijzeling kan worden toegepast; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; Benadeelde partij [naam 3] (03.048690.25) verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de schade; veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. S.L.M. van Venrooij, rechters en allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Micheels en mr. P.A.H. Bohnen, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 mei 2026. Buiten staat Mr. P.A.H. Bohnen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE: De tenlasteleggingen Aan de verdachte is in de zaak 03.126768.25 ten laste gelegd dat 1 hij, op of omstreeks 23 april 2025 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg, de (brandgang aangrenzend aan) de Bethlehemweg (te Maastricht), in ieder geval een openbare weg, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een scooter en/of een (of meer) sleutel(s) (van die scooter), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [naam 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - die [naam 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond, en/of - met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in de lucht heeft/hebben geschoten, en/of - ( op zeer korte afstand) (met) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting van (het lichaam van) die [naam 1] heeft/hebben gericht en/of geschoten, en/of - ( daarbij) tegen die [naam 1] heeft/hebben gezegd - zakelijk weergegeven – dat hij, die [naam 1] , de scooter moest gaan pakken, en/of - ( daarbij) aan die [naam 1] heeft/hebben gevraagd - zakelijk weergegeven – waar de sleutels waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 hij, op of omstreeks 23 april 2025 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg, de (brandgang aangrenzend aan) de Bethlehemweg (te Maastricht), in ieder geval een openbare weg, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 1] te dwingen tot de afgifte van een scooter en/of een (of meer) sleutel(s) (van die scooter), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die [naam 1] en/of een derde toebehoorde(n), - die [naam 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond, en/of - met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in de lucht heeft/hebben geschoten, en/of - ( op zeer korte afstand) (met) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting van (het lichaam van) die [naam 1] heeft/hebben gericht en/of geschoten, en/of - ( daarbij) tegen die [naam 1] heeft/hebben gezegd - zakelijk weergegeven – dat hij, die [naam 1] , de scooter moest gaan pakken, en/of - ( daarbij) aan die [naam 1] heeft/hebben gevraagd - zakelijk weergegeven – waar de sleutels waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3 [medeverdachte] , op of omstreeks 23 april 2025 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen op zeer korte afstand met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting van (het lichaam van) die [naam 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 23 april 2025 te Maastricht opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft, door: - een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) mee te nemen en/of - een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwapen) uit zijn zak te halen en/of te tonen aan die [naam 1] en/of - het (op een) vuurwapen (gelijkend voorwapen) aan die [medeverdachte] te geven althans die [medeverdachte] dit (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te laten overnemen; 4 hij op of omstreeks 23 april 2025 te Maastricht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gaspistool), van het merk Umarex, type Glock 17 generatie 5, kaliber 9 millimeter P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 stuks, althans een of meer, Pobjeba van het kaliber 9 millimeter P.A.K.
Volledig
03.126768.25) wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over de immateriële schade en met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade, tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor zover deze ziet op het meergevorderde aan verlies van arbeidsvermogen, te weten (6.391,26 euro – 1.420.28 euro) 4.970,98 euro, niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; wijst de vordering voor het overige af; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] van een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over de immateriële schade en met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade, tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, geen gijzeling zal worden toegepast; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; Benadeelde partij [naam 2] (03.069348.24) wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van een bedrag van 749,23 euro, bestaande uit 149,23 aan euro materiële schade en 600 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2024 over de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; wijst de vordering voor het overige af; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 2] van een bedrag van 749,23 euro, bestaande uit 149,23 euro aan materiële schade en 600 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2024 over de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade; bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, geen gijzeling kan worden toegepast; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; Benadeelde partij [naam 3] (03.048690.25) verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de schade; veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. S.L.M. van Venrooij, rechters en allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Micheels en mr. P.A.H. Bohnen, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 mei 2026. Buiten staat Mr. P.A.H. Bohnen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE: De tenlasteleggingen Aan de verdachte is in de zaak 03.126768.25 ten laste gelegd dat 1 hij, op of omstreeks 23 april 2025 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg, de (brandgang aangrenzend aan) de Bethlehemweg (te Maastricht), in ieder geval een openbare weg, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een scooter en/of een (of meer) sleutel(s) (van die scooter), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [naam 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - die [naam 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond, en/of - met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in de lucht heeft/hebben geschoten, en/of - ( op zeer korte afstand) (met) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting van (het lichaam van) die [naam 1] heeft/hebben gericht en/of geschoten, en/of - ( daarbij) tegen die [naam 1] heeft/hebben gezegd - zakelijk weergegeven – dat hij, die [naam 1] , de scooter moest gaan pakken, en/of - ( daarbij) aan die [naam 1] heeft/hebben gevraagd - zakelijk weergegeven – waar de sleutels waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 hij, op of omstreeks 23 april 2025 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg, de (brandgang aangrenzend aan) de Bethlehemweg (te Maastricht), in ieder geval een openbare weg, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 1] te dwingen tot de afgifte van een scooter en/of een (of meer) sleutel(s) (van die scooter), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die [naam 1] en/of een derde toebehoorde(n), - die [naam 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond, en/of - met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in de lucht heeft/hebben geschoten, en/of - ( op zeer korte afstand) (met) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting van (het lichaam van) die [naam 1] heeft/hebben gericht en/of geschoten, en/of - ( daarbij) tegen die [naam 1] heeft/hebben gezegd - zakelijk weergegeven – dat hij, die [naam 1] , de scooter moest gaan pakken, en/of - ( daarbij) aan die [naam 1] heeft/hebben gevraagd - zakelijk weergegeven – waar de sleutels waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3 [medeverdachte] , op of omstreeks 23 april 2025 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen op zeer korte afstand met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting van (het lichaam van) die [naam 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 23 april 2025 te Maastricht opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft, door: - een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) mee te nemen en/of - een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwapen) uit zijn zak te halen en/of te tonen aan die [naam 1] en/of - het (op een) vuurwapen (gelijkend voorwapen) aan die [medeverdachte] te geven althans die [medeverdachte] dit (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te laten overnemen; 4 hij op of omstreeks 23 april 2025 te Maastricht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gaspistool), van het merk Umarex, type Glock 17 generatie 5, kaliber 9 millimeter P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 stuks, althans een of meer, Pobjeba van het kaliber 9 millimeter P.A.K.