Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-05-01
ECLI:NL:RBLIM:2026:4249
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,228 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4249 text/xml public 2026-05-19T12:06:46 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-05-01 ROE 22/1659 en ROE 24/4441 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4249 text/html public 2026-05-19T12:06:19 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4249 Rechtbank Limburg , 01-05-2026 / ROE 22/1659 en ROE 24/4441 In deze uitspraak beslist de rechtbank op twee beroepen van eiser. De beroepen gaan over inzage van zijn persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Eiser is het niet eens met de besluiten over de inzage van zijn persoonsgegevens die de minister heeft genomen naar aanleiding van zijn bezwaren tegen de inzage die hij heeft gekregen. Eiser is het er vooral niet mee eens dat hij de stukken niet krijgt waarin de persoonsgegevens van hem zijn opgenomen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Met betrekking tot de stukken waarin de persoonsgegevens van eiser staan is de rechtbank van oordeel dat de minister niet verplicht is om die stukken aan eiser te verstrekken. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/1659 en ROE 24/4441 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire) en de minister van Financiën (gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek, mr. R. Sheichote en Mr. S. Peterse). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op de beroepen van eiser tegen de besluiten van de minister van 4 juli 2022 en 7 oktober 2024 (de bestreden besluiten). De minister is met deze besluiten gebleven bij zijn besluiten op de inzageverzoeken van eiser van 23 november 2021 en 8 februari 2022. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op de verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen. 1.1. De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 14 januari 2026 gelijktijdig op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen. De gemachtigden Van de Kerkhof en Hoek namens de minister voor de Belastingdienst (ROE 22/1659) en de gemachtigden Sheikchote en Peterse namens de minister voor de Belastingdienst Toeslagen (ROE 24/4441). 2. Na sluiting van het onderzoek heeft eiser de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen. Reden hiervoor is dat onlangs bekend is geworden dat een zogenoemde datakluis is gevonden die onder andere wordt doorzocht op het dossier FSV (Fraude Signalering Voorziening). 3. De rechtbank heeft in het verzoek geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en wijst het verzoek af. Wat eiser aanvoert geeft geen reden te oordelen dat het onderzoek in deze zaak niet volledig is geweest. Dit alleen al omdat het aantreffen van die datakluis en wat daar uit zou kunnen komen niet tot een andere uitkomst van deze zaken kan leiden gelet op de vragen die in deze zaken voorliggen. 4. De rechtbank heeft de zaken voor het doen van deze uitspraak gevoegd. Beoordeling door de rechtbank De beroepszaken Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf? 5. Eiser heeft de Belastingdienst om inzage gevraagd van zijn registratie in de FSV. De minister heeft het verzoek opgevat als een verzoek om inzage op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en het verzoek toegewezen. De minister heeft aan eiser een overzicht verstrekt van de persoonsgegevens van eiser die de minister in de FSV heeft opgenomen. 6. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. In het aanvullend bezwaar heeft eiser zijn inzageverzoek uitgebreid. Eiser heeft aangegeven dat hij er belang bij heeft om inzage te krijgen in alles wat over hem bij de Belastingdienst geregistreerd staat en bij een overzicht waarin staat met wie de minister zijn gegevens heeft gedeeld. 7. De minister heeft de uitbreiding van het inzageverzoek opgevat als een nieuw AVG-inzageverzoek. De minister heeft ook dat verzoek toegewezen en eiser een overzicht verstrekt van persoonsgegevens van hem die de Belastingdienst verwerkt. De minister heeft daarbij aangegeven met welk instanties de Belastingdienst, in het kader van de uitvoering van zijn taken, persoonsgegevens deelt. De minister acht het mogelijk dat ook persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld, maar heeft geen concrete verzoeken tot het delen van persoonsgegevens van eiser kunnen vinden. Ook tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. 8. De minister heeft met de bestreden besluiten op de bezwaren van eiser beslist. De minister heeft het bezwaar tegen het besluit op het eerste inzageverzoek kennelijk ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit op het tweede inzageverzoek ongegrond verklaard. De minister heeft zijn besluiten op de inzageverzoeken juist geacht. Wat voert eiser in de beroepszaken aan en slaagt dit? ROE 24/4441 (het eerste inzageverzoek ) Kennelijk ongegrond bezwaar 9. Eiser voert in deze zaak allereerst aan dat zijn bezwaar niet evident ongegrond is. Eiser verwijst naar een passage uit de wetsgeschiedenis met voorbeelden waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar. Eiser voert daarnaast aan dat de minister vijf pagina’s nodig heeft om het bezwaar te weerleggen en dat het bezwaar daarom ook niet kennelijk ongegrond kan zijn. Eiser vindt dat hij ten onrechte niet is gehoord naar aanleiding van het bezwaar. Eiser wijst de rechtbank op wat hij de Belastingdienst op 23 augustus 2024 heeft voorgehouden: dat hij met de brief van 20 augustus 2024 niet de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft gekregen en dat de minister het besluit op het inzageverzoek in strijd met artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan zijn gemachtigde bekend heeft gemaakt. 10. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar van eiser niet een bezwaar is dat als voorbeeld in de wetsgeschiedenis wordt genoemd. Dit betekent echter niet dat zijn bezwaar daarom niet kennelijk ongegrond kan zijn. Door voorbeelden te noemen heeft de wetgever niet uitgesloten dat ook andere bezwaren kennelijk ongegrond kunnen zijn. Op grond van vaste rechtspraak is een bezwaar kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend standpunt van het bestuursorgaan. De rechtbank is van oordeel dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat wat eiser de minister met zijn brief van 23 augustus 2024 heeft voorgehouden niet kan leiden tot een ander standpunt van de minister ten aanzien van het inzageverzoek. Dat eiser vindt dat hij niet de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft gekregen en dat het besluit op het inzageverzoek ten onrechte niet aan zijn gemachtigde bekend is gemaakt, tast de toewijzing van de minister van het inzageverzoek van eiser namelijk niet aan. De enkele omstandigheid dat de minister uitgebreid gereageerd heeft op het bezwaar van eiser geeft op zich ook geen reden om te oordelen dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is. De minister heeft hierin dan ook terecht geen reden gezien eiser te horen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. Strijd met het dienstbaarheidsbeginsel 11. Het komt eiser verder voor dat de minister met het bestreden besluit geen openheid van zaken heeft willen geven door niet de stukken te verstrekken die hij van belang vindt om de minister te kunnen controleren. Dat is volgens eiser in strijd met het dienstbaarheidsbeginsel in artikel 2:4a van de Awb. 12. Het dienstbaarheidsbeginsel staat in het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb. Het beginsel heeft daarom (nog) geen formele rechtskracht. Het geldt in het rechtsverkeer dus (nog) niet. Daarom kan eiser daarop (nog) geen beroep doen en slaagt zijn beroep daarop daarom al niet. De rechtbank ziet in dit geval ook geen reden om op het voorstel te anticiperen. De minister heeft in het bestreden besluit uitgelegd waarom hij de stukken waar het eiser om gaat niet aan eiser hoeft te verstrekken.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4249 text/xml public 2026-05-19T12:06:46 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-05-01 ROE 22/1659 en ROE 24/4441 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4249 text/html public 2026-05-19T12:06:19 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4249 Rechtbank Limburg , 01-05-2026 / ROE 22/1659 en ROE 24/4441 In deze uitspraak beslist de rechtbank op twee beroepen van eiser. De beroepen gaan over inzage van zijn persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Eiser is het niet eens met de besluiten over de inzage van zijn persoonsgegevens die de minister heeft genomen naar aanleiding van zijn bezwaren tegen de inzage die hij heeft gekregen. Eiser is het er vooral niet mee eens dat hij de stukken niet krijgt waarin de persoonsgegevens van hem zijn opgenomen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Met betrekking tot de stukken waarin de persoonsgegevens van eiser staan is de rechtbank van oordeel dat de minister niet verplicht is om die stukken aan eiser te verstrekken. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/1659 en ROE 24/4441 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire) en de minister van Financiën (gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek, mr. R. Sheichote en Mr. S. Peterse). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op de beroepen van eiser tegen de besluiten van de minister van 4 juli 2022 en 7 oktober 2024 (de bestreden besluiten). De minister is met deze besluiten gebleven bij zijn besluiten op de inzageverzoeken van eiser van 23 november 2021 en 8 februari 2022. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op de verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen. 1.1. De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 14 januari 2026 gelijktijdig op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen. De gemachtigden Van de Kerkhof en Hoek namens de minister voor de Belastingdienst (ROE 22/1659) en de gemachtigden Sheikchote en Peterse namens de minister voor de Belastingdienst Toeslagen (ROE 24/4441). 2. Na sluiting van het onderzoek heeft eiser de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen. Reden hiervoor is dat onlangs bekend is geworden dat een zogenoemde datakluis is gevonden die onder andere wordt doorzocht op het dossier FSV (Fraude Signalering Voorziening). 3. De rechtbank heeft in het verzoek geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en wijst het verzoek af. Wat eiser aanvoert geeft geen reden te oordelen dat het onderzoek in deze zaak niet volledig is geweest. Dit alleen al omdat het aantreffen van die datakluis en wat daar uit zou kunnen komen niet tot een andere uitkomst van deze zaken kan leiden gelet op de vragen die in deze zaken voorliggen. 4. De rechtbank heeft de zaken voor het doen van deze uitspraak gevoegd. Beoordeling door de rechtbank De beroepszaken Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf? 5. Eiser heeft de Belastingdienst om inzage gevraagd van zijn registratie in de FSV. De minister heeft het verzoek opgevat als een verzoek om inzage op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en het verzoek toegewezen. De minister heeft aan eiser een overzicht verstrekt van de persoonsgegevens van eiser die de minister in de FSV heeft opgenomen. 6. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. In het aanvullend bezwaar heeft eiser zijn inzageverzoek uitgebreid. Eiser heeft aangegeven dat hij er belang bij heeft om inzage te krijgen in alles wat over hem bij de Belastingdienst geregistreerd staat en bij een overzicht waarin staat met wie de minister zijn gegevens heeft gedeeld. 7. De minister heeft de uitbreiding van het inzageverzoek opgevat als een nieuw AVG-inzageverzoek. De minister heeft ook dat verzoek toegewezen en eiser een overzicht verstrekt van persoonsgegevens van hem die de Belastingdienst verwerkt. De minister heeft daarbij aangegeven met welk instanties de Belastingdienst, in het kader van de uitvoering van zijn taken, persoonsgegevens deelt. De minister acht het mogelijk dat ook persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld, maar heeft geen concrete verzoeken tot het delen van persoonsgegevens van eiser kunnen vinden. Ook tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. 8. De minister heeft met de bestreden besluiten op de bezwaren van eiser beslist. De minister heeft het bezwaar tegen het besluit op het eerste inzageverzoek kennelijk ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit op het tweede inzageverzoek ongegrond verklaard. De minister heeft zijn besluiten op de inzageverzoeken juist geacht. Wat voert eiser in de beroepszaken aan en slaagt dit? ROE 24/4441 (het eerste inzageverzoek ) Kennelijk ongegrond bezwaar 9. Eiser voert in deze zaak allereerst aan dat zijn bezwaar niet evident ongegrond is. Eiser verwijst naar een passage uit de wetsgeschiedenis met voorbeelden waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar. Eiser voert daarnaast aan dat de minister vijf pagina’s nodig heeft om het bezwaar te weerleggen en dat het bezwaar daarom ook niet kennelijk ongegrond kan zijn. Eiser vindt dat hij ten onrechte niet is gehoord naar aanleiding van het bezwaar. Eiser wijst de rechtbank op wat hij de Belastingdienst op 23 augustus 2024 heeft voorgehouden: dat hij met de brief van 20 augustus 2024 niet de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft gekregen en dat de minister het besluit op het inzageverzoek in strijd met artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan zijn gemachtigde bekend heeft gemaakt. 10. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar van eiser niet een bezwaar is dat als voorbeeld in de wetsgeschiedenis wordt genoemd. Dit betekent echter niet dat zijn bezwaar daarom niet kennelijk ongegrond kan zijn. Door voorbeelden te noemen heeft de wetgever niet uitgesloten dat ook andere bezwaren kennelijk ongegrond kunnen zijn. Op grond van vaste rechtspraak is een bezwaar kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend standpunt van het bestuursorgaan. De rechtbank is van oordeel dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat wat eiser de minister met zijn brief van 23 augustus 2024 heeft voorgehouden niet kan leiden tot een ander standpunt van de minister ten aanzien van het inzageverzoek. Dat eiser vindt dat hij niet de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft gekregen en dat het besluit op het inzageverzoek ten onrechte niet aan zijn gemachtigde bekend is gemaakt, tast de toewijzing van de minister van het inzageverzoek van eiser namelijk niet aan. De enkele omstandigheid dat de minister uitgebreid gereageerd heeft op het bezwaar van eiser geeft op zich ook geen reden om te oordelen dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is. De minister heeft hierin dan ook terecht geen reden gezien eiser te horen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. Strijd met het dienstbaarheidsbeginsel 11. Het komt eiser verder voor dat de minister met het bestreden besluit geen openheid van zaken heeft willen geven door niet de stukken te verstrekken die hij van belang vindt om de minister te kunnen controleren. Dat is volgens eiser in strijd met het dienstbaarheidsbeginsel in artikel 2:4a van de Awb. 12. Het dienstbaarheidsbeginsel staat in het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb. Het beginsel heeft daarom (nog) geen formele rechtskracht. Het geldt in het rechtsverkeer dus (nog) niet. Daarom kan eiser daarop (nog) geen beroep doen en slaagt zijn beroep daarop daarom al niet. De rechtbank ziet in dit geval ook geen reden om op het voorstel te anticiperen. De minister heeft in het bestreden besluit uitgelegd waarom hij de stukken waar het eiser om gaat niet aan eiser hoeft te verstrekken.
Volledig
Eiser heeft de mogelijkheid om daartegen in beroep te ageren en van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Eiser heeft daarom ook zonder dat op het voorstel vooruit wordt gelopen rechtsbescherming op dit punt. Wat eiser aanvoert slaagt daarom niet. ROE 24/4441 (eerste inzageverzoek) en ROE 22/1659 (tweede inzageverzoek) Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde 13. In beide zaken voert eiser aan dat de bekendmaking van het besluit op het inzageverzoek in strijd is met artikel 2:1 van de Awb en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden. 14. De rechtbank heeft gezien dat de minister de besluiten op de inzageverzoeken aan eiser zelf bekend heeft gemaakt in plaats van aan zijn gemachtigde. De rechtbank heeft ook gezien dat eiser in beide zaken tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat de minister vervolgens in beide zaken een besluit op bezwaar heeft genomen. Eiser is door de bekendmaking van de besluiten op zijn inzageverzoeken aan hem zelf in plaats van aan zijn gemachtigde daarom niet benadeeld. Het tast de bestreden besluiten, waarmee de minister de inzageverzoeken heeft toegewezen, ook niet aan. Daarom ziet de rechtbank hierin geen reden de bestreden besluiten te vernietigen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. De stukken 15. In beide zaken voert eiser aan dat hij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan hem verstrekt. Alhoewel eiser in beide zaken niet precies hetzelfde aanvoert, ziet de rechtbank in de toelichting op de zitting van de gemachtigde van eiser aanleiding hierover één oordeel te geven. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting in beide zaken toegelicht dat het gaat om de screenprints van de registratie van eiser in de FSV (de screenprints). 15.1 Eiser vindt dat de minister de screenprints aan hem moet verstrekken. De Belastingdienst (Toeslagen) heeft zijn geloofwaardigheid verloren en moet daarom zijn stellingen onderbouwen, aldus eiser. Eiser stelt dat hij de screenprints nodig heeft. Zonder de screenprints kan hij niet controleren of het klopt dat zijn persoonsgegevens die zijn opgenomen in de FSV niet met derden zijn gedeeld. Hij moet ook over de screenprints kunnen beschikken om in het kader van een eventueel schadeverzoek over zijn registratie in de FSV zijn bewijspositie veilig te kunnen stellen. 15.2 Eiser wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiser vindt dat hij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst hij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018 . Eiser vindt ook dat de minister artikel 6 EVRM, artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en de beginselen van fair play en equality of arms schendt als de minister hem de screenprints niet verstrekt. Hij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt. 16. Uit artikel 15 van de AVG en vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens blijkt het volgende. Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren. 16.1 Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijk mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van de AVG wordt voldaan. 16.2 Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren. 17. Op grond van (artikel 15 van) de AVG gezien ook de vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens heeft eiser dus geen recht op een kopie van integrale stukken. De toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] die eiser heeft aangehaald is gebaseerd op de AVG. Omdat de AVG geen recht geeft op integrale stukken is deze toezegging ook niet te lezen als een toezegging dat de minister inzage geeft door (niet gelakte) screenprints van een registratie in de FSV te verstrekken. 18. In het door eiser aangehaalde arrest van de HR van 4 mei 2018 heeft de HR een aanvulling gegeven op de eerder in het arrest van 10 april 2015 gegeven uitgangspunten voor wat moet worden verstaan onder de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. In algemene zin heeft de HR overwogen dat alle stukken die een bestuursorgaan heeft gebruikt bij zijn besluitvorming in beginsel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en moeten worden overgelegd. De HR heeft specifiek overwogen dat ook elektronisch vastgelegde gegevens moeten worden aangemerkt als stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Voor gegevens in databases geldt dat zij slechts op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende ‘stuk’, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld. Een bestuursorgaan is op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb niet verplicht om buiten de reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken nadere gegevens te vergaren. 19. De rechtbank is ambtshalve bekend dat de minister screenprints kan maken van een registratie in de FSV. De registratie van eiser in de FSV is naar het oordeel van de rechtbank daarom een verzameling van elektronische gegevens die raadpleegbaar kunnen worden gemaakt. De vraag is of de screenprints van belang zijn voor de beoordeling van deze zaken. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten aan de hand van wat eiser daartegen aanvoert. Om deze beoordeling te kunnen maken heeft de rechtbank de screenprints van de registratie van eiser in de FSV niet nodig. 20. Op grond van de uitgangspunten van de HR zijn de screenprints dus geen stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitgangspunten van de HR niet te volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 25 februari 2026 nog in lijn met die uitgangspunten geoordeeld. 21. Omdat de screenprints geen stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb zijn het, gelet op de samenhang tussen artikel 8:42 van de Awb en artikel 7:4 van de Awb, ook geen stukken waarvan eiser in de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel 7:4 van de Awb al inzage of een afschrift had moeten krijgen.
Volledig
Eiser heeft de mogelijkheid om daartegen in beroep te ageren en van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Eiser heeft daarom ook zonder dat op het voorstel vooruit wordt gelopen rechtsbescherming op dit punt. Wat eiser aanvoert slaagt daarom niet. ROE 24/4441 (eerste inzageverzoek) en ROE 22/1659 (tweede inzageverzoek) Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde 13. In beide zaken voert eiser aan dat de bekendmaking van het besluit op het inzageverzoek in strijd is met artikel 2:1 van de Awb en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden. 14. De rechtbank heeft gezien dat de minister de besluiten op de inzageverzoeken aan eiser zelf bekend heeft gemaakt in plaats van aan zijn gemachtigde. De rechtbank heeft ook gezien dat eiser in beide zaken tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat de minister vervolgens in beide zaken een besluit op bezwaar heeft genomen. Eiser is door de bekendmaking van de besluiten op zijn inzageverzoeken aan hem zelf in plaats van aan zijn gemachtigde daarom niet benadeeld. Het tast de bestreden besluiten, waarmee de minister de inzageverzoeken heeft toegewezen, ook niet aan. Daarom ziet de rechtbank hierin geen reden de bestreden besluiten te vernietigen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. De stukken 15. In beide zaken voert eiser aan dat hij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan hem verstrekt. Alhoewel eiser in beide zaken niet precies hetzelfde aanvoert, ziet de rechtbank in de toelichting op de zitting van de gemachtigde van eiser aanleiding hierover één oordeel te geven. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting in beide zaken toegelicht dat het gaat om de screenprints van de registratie van eiser in de FSV (de screenprints). 15.1 Eiser vindt dat de minister de screenprints aan hem moet verstrekken. De Belastingdienst (Toeslagen) heeft zijn geloofwaardigheid verloren en moet daarom zijn stellingen onderbouwen, aldus eiser. Eiser stelt dat hij de screenprints nodig heeft. Zonder de screenprints kan hij niet controleren of het klopt dat zijn persoonsgegevens die zijn opgenomen in de FSV niet met derden zijn gedeeld. Hij moet ook over de screenprints kunnen beschikken om in het kader van een eventueel schadeverzoek over zijn registratie in de FSV zijn bewijspositie veilig te kunnen stellen. 15.2 Eiser wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiser vindt dat hij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst hij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018 . Eiser vindt ook dat de minister artikel 6 EVRM, artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en de beginselen van fair play en equality of arms schendt als de minister hem de screenprints niet verstrekt. Hij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt. 16. Uit artikel 15 van de AVG en vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens blijkt het volgende. Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren. 16.1 Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijk mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van de AVG wordt voldaan. 16.2 Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren. 17. Op grond van (artikel 15 van) de AVG gezien ook de vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens heeft eiser dus geen recht op een kopie van integrale stukken. De toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] die eiser heeft aangehaald is gebaseerd op de AVG. Omdat de AVG geen recht geeft op integrale stukken is deze toezegging ook niet te lezen als een toezegging dat de minister inzage geeft door (niet gelakte) screenprints van een registratie in de FSV te verstrekken. 18. In het door eiser aangehaalde arrest van de HR van 4 mei 2018 heeft de HR een aanvulling gegeven op de eerder in het arrest van 10 april 2015 gegeven uitgangspunten voor wat moet worden verstaan onder de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. In algemene zin heeft de HR overwogen dat alle stukken die een bestuursorgaan heeft gebruikt bij zijn besluitvorming in beginsel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en moeten worden overgelegd. De HR heeft specifiek overwogen dat ook elektronisch vastgelegde gegevens moeten worden aangemerkt als stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Voor gegevens in databases geldt dat zij slechts op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende ‘stuk’, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld. Een bestuursorgaan is op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb niet verplicht om buiten de reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken nadere gegevens te vergaren. 19. De rechtbank is ambtshalve bekend dat de minister screenprints kan maken van een registratie in de FSV. De registratie van eiser in de FSV is naar het oordeel van de rechtbank daarom een verzameling van elektronische gegevens die raadpleegbaar kunnen worden gemaakt. De vraag is of de screenprints van belang zijn voor de beoordeling van deze zaken. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten aan de hand van wat eiser daartegen aanvoert. Om deze beoordeling te kunnen maken heeft de rechtbank de screenprints van de registratie van eiser in de FSV niet nodig. 20. Op grond van de uitgangspunten van de HR zijn de screenprints dus geen stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitgangspunten van de HR niet te volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 25 februari 2026 nog in lijn met die uitgangspunten geoordeeld. 21. Omdat de screenprints geen stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb zijn het, gelet op de samenhang tussen artikel 8:42 van de Awb en artikel 7:4 van de Awb, ook geen stukken waarvan eiser in de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel 7:4 van de Awb al inzage of een afschrift had moeten krijgen.
Volledig
De minister heeft daarom ook niet in strijd gehandeld met artikel 6 EVRM en artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en de beginselen van fair play en equality of arms door eiser de screenprints niet als op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. 22. De hiervoor besproken bepalingen geven eiser dus geen recht op de screenprints. Dit betekent dat de minister niet verplicht is de screenprints aan eiser te verstrekken. Dat eiser de screenprints om hem moverende redenen wil hebben en wat in de algemene stukken/publicaties staat waarnaar eiser verwijst maken dat niet anders. De standpunten van de minister dat screenprints van de registratie van eiser in de FSV geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben en dat hij de screenprints niet aan eiser hoeft te verstrekken zijn dan ook juist. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. 23. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding toepassing te geven aan haar bevoegdheid een onderzoek ter plaatse in te stellen om de FSV in te zien zoals door eiser gevraagd. ROE 24/4441 (eerste inzageverzoek) Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT) 24. Eiser betwist in deze zaak verder nog dat stukken uit Dagboek PIT niet meer kunnen worden verstrekt. Eiser baseert zich op een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 24 november 2022 . In die uitspraak staat dat na het bestreden besluit nog delen van Dagboek PIT zijn teruggevonden. 25. Voor zover eiser daarmee heeft willen aanvoeren dat zijn inzage onvolledig is geweest slaagt dit niet reeds omdat het inzageverzoek uitsluitend ziet op de persoonsgegevens van eiser die in de FSV zijn opgenomen. De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade 26. Eiser verzoekt om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld. 27. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. De rechtbank gaat in beide zaken ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. In vaste rechtspraak wordt verder voor vergoeding van die schade uitgegaan van een schadevergoeding van € 500,- voor een termijnoverschrijding tot zes maanden. ROE 22/1659 28. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 25 maart 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. ROE 24/4441 29. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 7 januari 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is aan de minister en de rechtbank te wijten. ROE 22/1659 en ROE 24/4441 30. De zaken zijn door de rechtbank gezamenlijk behandeld. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp komt eiser één schadevergoeding toe per fase van gezamenlijke behandeling ingaande met de indiening van het tweede beroep op 21 oktober 2024. Op dat moment was in beide zaken de redelijke termijn met meer dan zes maanden overschreden. Daarna is de redelijke termijn nog eens met meer dan twaalf maanden overschreden. Dit betekent dat eiser in beide zaken een schadevergoeding toekomt van € 1.000,- en voor beide zaken samen nog een schadevergoeding van € 1.500,-. De termijnoverschrijding is in de ene zaak geheel aan de rechtbank te wijten en in de andere zaak aan de minister en de rechtbank. Daarom zal de minister voor de termijnoverschrijding van de minister € 1.000,- en € 740,- moeten betalen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) voor de termijnoverschrijding van de rechtbank € 1.000,- en het andere deel van € 1.500,- te weten € 760,-. ROE 24/4441 31. Eiser heeft in deze zaak ook gevraagd om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat vertragingsschade zal intreden. Conclusie en gevolgen 32. De beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiser in de beroepszaken aanvoert. Eiser krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluit blijven bestaan. De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.500,-. Het verzoek om vergoeding van vertragingsschade wordt afgewezen. Griffierecht en proceskosten In de beroepszaken 33. Eiser heeft in beide zaken een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiser voldoet in beide zaken niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van de door hem overgelegde stukken is zijn inkomen hoger dan het drempelbedrag. De griffier heeft de beroepen op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen. ROE 22/1659 34. Eiser is het er in deze zaak niet mee eens dat hij voor de behandeling van het beroep griffierecht heeft moeten betalen. Eiser vindt het heffen van griffierecht in zaken als deze in strijd met het beginsel van fair trail. 35. Als een beroep op betalingsonmacht niet slaagt en de anti-cumulatieregels in artikel 8:41 van de Awb niet van toepassing zijn, zoals in dit geval, is de indiener van een beroep griffierecht verschuldigd. De griffier moest daarom griffierecht van eiser heffen. Omdat niet is gebleken dat sprake is van betalingsonmacht is het heffen van griffierecht van eiser niet in strijd met het beginsel van fair trail. ROE 22/1659 en ROE 24/4441 36. Eiser krijgt in beide zaken de betaalde griffierechten niet terug omdat de beroepen ongegrond zijn en er overigens geen aanleiding is te bepalen dat de minister de griffierrechten moet vergoeden. Er is ook geen aanleiding voor een veroordeling van de minister in de proceskosten van eiser. Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding 37. Omdat de verzoeken om schadevergoeding worden toegewezen en de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoedingen moeten betalen, moeten de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), ieder voor de helft, een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiser in verband met de schadevergoedingsverzoeken heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten Bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift dat op beide termijnoverschrijdingen ziet. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) elk een bedrag van € 233,50 moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van de verzoeken op de zitting. De verzoeken zijn namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - wijst beide verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn toe tot een totaalbedrag van € 3.500,-; een bedrag van € 1.740,-, te betalen aan eiser door de minister en een bedrag van € 1.760,- te betalen aan eiser door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid); - veroordeelt de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een vergoeding voor proceskosten gemaakt in verband met de verzoeken om schadevergoeding elk tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Volledig
De minister heeft daarom ook niet in strijd gehandeld met artikel 6 EVRM en artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en de beginselen van fair play en equality of arms door eiser de screenprints niet als op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. 22. De hiervoor besproken bepalingen geven eiser dus geen recht op de screenprints. Dit betekent dat de minister niet verplicht is de screenprints aan eiser te verstrekken. Dat eiser de screenprints om hem moverende redenen wil hebben en wat in de algemene stukken/publicaties staat waarnaar eiser verwijst maken dat niet anders. De standpunten van de minister dat screenprints van de registratie van eiser in de FSV geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben en dat hij de screenprints niet aan eiser hoeft te verstrekken zijn dan ook juist. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. 23. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding toepassing te geven aan haar bevoegdheid een onderzoek ter plaatse in te stellen om de FSV in te zien zoals door eiser gevraagd. ROE 24/4441 (eerste inzageverzoek) Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT) 24. Eiser betwist in deze zaak verder nog dat stukken uit Dagboek PIT niet meer kunnen worden verstrekt. Eiser baseert zich op een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 24 november 2022 . In die uitspraak staat dat na het bestreden besluit nog delen van Dagboek PIT zijn teruggevonden. 25. Voor zover eiser daarmee heeft willen aanvoeren dat zijn inzage onvolledig is geweest slaagt dit niet reeds omdat het inzageverzoek uitsluitend ziet op de persoonsgegevens van eiser die in de FSV zijn opgenomen. De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade 26. Eiser verzoekt om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld. 27. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. De rechtbank gaat in beide zaken ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. In vaste rechtspraak wordt verder voor vergoeding van die schade uitgegaan van een schadevergoeding van € 500,- voor een termijnoverschrijding tot zes maanden. ROE 22/1659 28. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 25 maart 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. ROE 24/4441 29. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 7 januari 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is aan de minister en de rechtbank te wijten. ROE 22/1659 en ROE 24/4441 30. De zaken zijn door de rechtbank gezamenlijk behandeld. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp komt eiser één schadevergoeding toe per fase van gezamenlijke behandeling ingaande met de indiening van het tweede beroep op 21 oktober 2024. Op dat moment was in beide zaken de redelijke termijn met meer dan zes maanden overschreden. Daarna is de redelijke termijn nog eens met meer dan twaalf maanden overschreden. Dit betekent dat eiser in beide zaken een schadevergoeding toekomt van € 1.000,- en voor beide zaken samen nog een schadevergoeding van € 1.500,-. De termijnoverschrijding is in de ene zaak geheel aan de rechtbank te wijten en in de andere zaak aan de minister en de rechtbank. Daarom zal de minister voor de termijnoverschrijding van de minister € 1.000,- en € 740,- moeten betalen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) voor de termijnoverschrijding van de rechtbank € 1.000,- en het andere deel van € 1.500,- te weten € 760,-. ROE 24/4441 31. Eiser heeft in deze zaak ook gevraagd om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat vertragingsschade zal intreden. Conclusie en gevolgen 32. De beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiser in de beroepszaken aanvoert. Eiser krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluit blijven bestaan. De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.500,-. Het verzoek om vergoeding van vertragingsschade wordt afgewezen. Griffierecht en proceskosten In de beroepszaken 33. Eiser heeft in beide zaken een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiser voldoet in beide zaken niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van de door hem overgelegde stukken is zijn inkomen hoger dan het drempelbedrag. De griffier heeft de beroepen op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen. ROE 22/1659 34. Eiser is het er in deze zaak niet mee eens dat hij voor de behandeling van het beroep griffierecht heeft moeten betalen. Eiser vindt het heffen van griffierecht in zaken als deze in strijd met het beginsel van fair trail. 35. Als een beroep op betalingsonmacht niet slaagt en de anti-cumulatieregels in artikel 8:41 van de Awb niet van toepassing zijn, zoals in dit geval, is de indiener van een beroep griffierecht verschuldigd. De griffier moest daarom griffierecht van eiser heffen. Omdat niet is gebleken dat sprake is van betalingsonmacht is het heffen van griffierecht van eiser niet in strijd met het beginsel van fair trail. ROE 22/1659 en ROE 24/4441 36. Eiser krijgt in beide zaken de betaalde griffierechten niet terug omdat de beroepen ongegrond zijn en er overigens geen aanleiding is te bepalen dat de minister de griffierrechten moet vergoeden. Er is ook geen aanleiding voor een veroordeling van de minister in de proceskosten van eiser. Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding 37. Omdat de verzoeken om schadevergoeding worden toegewezen en de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoedingen moeten betalen, moeten de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), ieder voor de helft, een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiser in verband met de schadevergoedingsverzoeken heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten Bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift dat op beide termijnoverschrijdingen ziet. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) elk een bedrag van € 233,50 moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van de verzoeken op de zitting. De verzoeken zijn namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - wijst beide verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn toe tot een totaalbedrag van € 3.500,-; een bedrag van € 1.740,-, te betalen aan eiser door de minister en een bedrag van € 1.760,- te betalen aan eiser door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid); - veroordeelt de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een vergoeding voor proceskosten gemaakt in verband met de verzoeken om schadevergoeding elk tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.