Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-09
ECLI:NL:RBLIM:2026:4248
Civiel recht; Personen- en familierecht
Wraking
3,918 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4248 text/xml public 2026-05-01T13:30:24 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-09 C/03/ 350241 HA RK 26-44 Uitspraak Wraking NL Maastricht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4248 text/html public 2026-05-01T13:29:16 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4248 Rechtbank Limburg , 09-03-2026 / C/03/ 350241 HA RK 26-44 Geen partijdigheid gebleken uit hetgeen is aangevoerd. Dat procedurele beslissingen uit het recente verleden volgens verzoeker onjuist zijn dan wel dat de motivering ervan onvoldoende zou zijn maakt dit niet anders. Nu er geen andere gronden zijn aangevoerd is het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond. Omdat verzoeker in korte tijd betrokken is geweest bij meerdere wrakingsverzoeken en hij nu op het allerlaatste moment zonder grondslag zijn verzoek indient is de wrakingskamer van oordeel dat hij oneigenlijk gebruik maat van zijn bevoegdheid. beslissing RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Wrakingskamer Zaaknummer C/03/ 350241 HA RK 26-44 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken op het verzoek van [verzoeker] , hierna: verzoeker, dat strekt tot wraking van de meervoudige familiekamer, bestaande uit mr. M.A.M. van Uum, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, rechters in de rechtbank Limburg, hierna: de rechters. 1 De procedure De minderjarigen kinderen van verzoeker hebben op 18 februari 2026 een verzoek tot wraking ingediend. De wrakingskamer heeft hen, bij beslissing van 19 februari 2026, niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek, omdat minderjarigen op basis van artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek handelingsonbekwaam zijn en niet zelfstandig in rechte kunnen optreden. Op 20 februari 2026 heeft [verzoeker] , de vader van de minderjarigen, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen, een nieuw wrakingsverzoek ingediend. Vader vermeldt daarbij uitdrukkelijk dat het wrakingsverzoek namens de minderjarigen wordt gedaan en geen persoonlijk wrakingsverzoek is. Op grond van artikel 798, eerste lid, Wet boek van Burgerlijke rechtsvordering heeft de wrakingskamer geoordeeld dat de minderjarigen als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Voor de vraag of de minderjarigen dan ook de mogelijkheid hebben om op basis van artikel 36 Rv een verzoek tot wraking te doen, nu dit artikel bepaalt dat “een partij” dat kan doen is verwezen naar de beslissing van de Hoge Raad. Die heeft bepaald (ECLI:NL:HR:2014:3535) dat een minderjarige weliswaar belanghebbende is, maar geen processueel belanghebbende, dus geen partij. De wrakingskamer heeft dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De zitting van de meervoudige familiekamer die op 23 februari 2026 zou plaatsvinden is in verband met ziekte van de advocaat verplaatst naar 9 maart 2026 waarop bovengenoemde rechters twee verzoeken zullen behandelen. Het ene verzoek is ingediend door de moeder van de minderjarigen (C/03/ 278317 FA RK 20-1896). Dit verzoek gaat over het gezag over de minderjarigen. Het tweede verzoek (C/03/ 342186 JE RK 25-912) is ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming. Zij vragen een ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Op vrijdag 6 maart 2026 om 22:13 uur in de avond heeft [verzoeker] , vader van de twee minderjarigen per e-mail andermaal een verzoek tot wraking van de rechters van de meervoudige familiekamer ingediend. Op 9 maart 2026 hebben de rechters de wrakingskamer bericht niet te berusten in het verzoek. Op basis van artikel 39 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal de wrakingskamer de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen. 2 De beoordeling Wettelijk kader Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt bij een beoordeling van een wrakingsverzoek is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, of een zwaarwegende aanwijzing dat in elk geval de vrees daarvoor bij die partij objectief gerechtvaardigd is. Een wrakingsverzoek moet tijdig worden gedaan. Artikel 37 lid 1 bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Beoordeling De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het verzoek en begrijpt hieruit dat de aanleiding voor het wrakingsverzoek is gelegen in gebeurtenissen en beslissingen van de rechtbank van de afgelopen jaren. Verzoeker is het niet eens met de gang van zaken van de afgelopen jaren en hij is het niet eens met de door de rechters genomen beslissingen. De wrakingskamer kan hierover kort zijn, zij mag zich geen oordeel vormen over de juistheid van procedurele beslissingen en evenmin over de motivering van een procedurele beslissing, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Een procedurele beslissing is geen grond voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in deze zaak echter niet gebleken. Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd is naar het oordeel van de wrakingskamer geen partijdigheid gebleken. Dat procedurele beslissingen uit het recente verleden volgens verzoeker onjuist zijn dan wel dat de motivering ervan onvoldoende zou zijn maakt dit alles niet anders. Nu er naast het voorgaande geen andere gronden voor wraking zijn aangevoerd kan niet worden geconcludeerd dat de rechters ten aanzien van verzoekers vooringenomen zijn of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek tot wraking, zonder nadere mondelinge behandeling kennelijk ongegrond moet worden verklaard. Voor zover verzoeker de wrakingskamer heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bijzonder curator krijgen merkt de wrakingskamer op dat zij dit niet kan bepalen omdat dit buiten haar bevoegdheid valt. Ook het uitbrengen van een advies ter zake van het omstreden raadsrapport valt buiten haar bevoegdheid. De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker in korte tijd betrokken is geweest bij meerdere wrakingsverzoeken. Bij het eerste verzoek namens de minderjarigen vermeldde verzoeker uitdrukkelijk dat dat verzoek namens de minderjarigen was en niet van hem persoonlijk. Omdat hij ook nu op het allerlaatste moment zonder grondslag zijn verzoek indient is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen oneigenlijk gebruik maakt. Daarom ziet zij in de handelwijze van verzoekster aanleiding de misbruikbepaling van artikel 39, lid 4, Rv van toepassing te verklaren. Dit betekent dat een volgend verzoek tot wraking in de zaken niet in behandeling zal worden genomen. 3 De beslissing De wrakingskamer: verklaart het verzoek ongegrond; bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaken C/03/ 278317 FA RK 20-1896 en C/03/ 342186 JE RK 25-912 niet in behandeling wordt genomen. Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.J. Otto, mr. R.C.A.M. Philippart en mr. C.M.J. van den Acker, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4248 text/xml public 2026-05-01T13:30:24 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-09 C/03/ 350241 HA RK 26-44 Uitspraak Wraking NL Maastricht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4248 text/html public 2026-05-01T13:29:16 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4248 Rechtbank Limburg , 09-03-2026 / C/03/ 350241 HA RK 26-44 Geen partijdigheid gebleken uit hetgeen is aangevoerd. Dat procedurele beslissingen uit het recente verleden volgens verzoeker onjuist zijn dan wel dat de motivering ervan onvoldoende zou zijn maakt dit niet anders. Nu er geen andere gronden zijn aangevoerd is het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond. Omdat verzoeker in korte tijd betrokken is geweest bij meerdere wrakingsverzoeken en hij nu op het allerlaatste moment zonder grondslag zijn verzoek indient is de wrakingskamer van oordeel dat hij oneigenlijk gebruik maat van zijn bevoegdheid. beslissing RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Wrakingskamer Zaaknummer C/03/ 350241 HA RK 26-44 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken op het verzoek van [verzoeker] , hierna: verzoeker, dat strekt tot wraking van de meervoudige familiekamer, bestaande uit mr. M.A.M. van Uum, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, rechters in de rechtbank Limburg, hierna: de rechters. 1 De procedure De minderjarigen kinderen van verzoeker hebben op 18 februari 2026 een verzoek tot wraking ingediend. De wrakingskamer heeft hen, bij beslissing van 19 februari 2026, niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek, omdat minderjarigen op basis van artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek handelingsonbekwaam zijn en niet zelfstandig in rechte kunnen optreden. Op 20 februari 2026 heeft [verzoeker] , de vader van de minderjarigen, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen, een nieuw wrakingsverzoek ingediend. Vader vermeldt daarbij uitdrukkelijk dat het wrakingsverzoek namens de minderjarigen wordt gedaan en geen persoonlijk wrakingsverzoek is. Op grond van artikel 798, eerste lid, Wet boek van Burgerlijke rechtsvordering heeft de wrakingskamer geoordeeld dat de minderjarigen als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Voor de vraag of de minderjarigen dan ook de mogelijkheid hebben om op basis van artikel 36 Rv een verzoek tot wraking te doen, nu dit artikel bepaalt dat “een partij” dat kan doen is verwezen naar de beslissing van de Hoge Raad. Die heeft bepaald (ECLI:NL:HR:2014:3535) dat een minderjarige weliswaar belanghebbende is, maar geen processueel belanghebbende, dus geen partij. De wrakingskamer heeft dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De zitting van de meervoudige familiekamer die op 23 februari 2026 zou plaatsvinden is in verband met ziekte van de advocaat verplaatst naar 9 maart 2026 waarop bovengenoemde rechters twee verzoeken zullen behandelen. Het ene verzoek is ingediend door de moeder van de minderjarigen (C/03/ 278317 FA RK 20-1896). Dit verzoek gaat over het gezag over de minderjarigen. Het tweede verzoek (C/03/ 342186 JE RK 25-912) is ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming. Zij vragen een ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Op vrijdag 6 maart 2026 om 22:13 uur in de avond heeft [verzoeker] , vader van de twee minderjarigen per e-mail andermaal een verzoek tot wraking van de rechters van de meervoudige familiekamer ingediend. Op 9 maart 2026 hebben de rechters de wrakingskamer bericht niet te berusten in het verzoek. Op basis van artikel 39 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal de wrakingskamer de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen. 2 De beoordeling Wettelijk kader Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt bij een beoordeling van een wrakingsverzoek is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, of een zwaarwegende aanwijzing dat in elk geval de vrees daarvoor bij die partij objectief gerechtvaardigd is. Een wrakingsverzoek moet tijdig worden gedaan. Artikel 37 lid 1 bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Beoordeling De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het verzoek en begrijpt hieruit dat de aanleiding voor het wrakingsverzoek is gelegen in gebeurtenissen en beslissingen van de rechtbank van de afgelopen jaren. Verzoeker is het niet eens met de gang van zaken van de afgelopen jaren en hij is het niet eens met de door de rechters genomen beslissingen. De wrakingskamer kan hierover kort zijn, zij mag zich geen oordeel vormen over de juistheid van procedurele beslissingen en evenmin over de motivering van een procedurele beslissing, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Een procedurele beslissing is geen grond voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in deze zaak echter niet gebleken. Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd is naar het oordeel van de wrakingskamer geen partijdigheid gebleken. Dat procedurele beslissingen uit het recente verleden volgens verzoeker onjuist zijn dan wel dat de motivering ervan onvoldoende zou zijn maakt dit alles niet anders. Nu er naast het voorgaande geen andere gronden voor wraking zijn aangevoerd kan niet worden geconcludeerd dat de rechters ten aanzien van verzoekers vooringenomen zijn of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek tot wraking, zonder nadere mondelinge behandeling kennelijk ongegrond moet worden verklaard. Voor zover verzoeker de wrakingskamer heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bijzonder curator krijgen merkt de wrakingskamer op dat zij dit niet kan bepalen omdat dit buiten haar bevoegdheid valt. Ook het uitbrengen van een advies ter zake van het omstreden raadsrapport valt buiten haar bevoegdheid. De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker in korte tijd betrokken is geweest bij meerdere wrakingsverzoeken. Bij het eerste verzoek namens de minderjarigen vermeldde verzoeker uitdrukkelijk dat dat verzoek namens de minderjarigen was en niet van hem persoonlijk. Omdat hij ook nu op het allerlaatste moment zonder grondslag zijn verzoek indient is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen oneigenlijk gebruik maakt. Daarom ziet zij in de handelwijze van verzoekster aanleiding de misbruikbepaling van artikel 39, lid 4, Rv van toepassing te verklaren. Dit betekent dat een volgend verzoek tot wraking in de zaken niet in behandeling zal worden genomen. 3 De beslissing De wrakingskamer: verklaart het verzoek ongegrond; bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaken C/03/ 278317 FA RK 20-1896 en C/03/ 342186 JE RK 25-912 niet in behandeling wordt genomen. Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.J. Otto, mr. R.C.A.M. Philippart en mr. C.M.J. van den Acker, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.