Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-17
ECLI:NL:RBLIM:2026:4041
Civiel recht
Rekestprocedure
8,137 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4041 text/xml public 2026-05-08T15:23:29 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-17 C/03/350896 / JE RK 26-555 Uitspraak Rekestprocedure NL Roermond Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4041 text/html public 2026-05-08T15:21:59 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4041 Rechtbank Limburg , 17-04-2026 / C/03/350896 / JE RK 26-555 Verzoek ambtshalve ots op grond van artikel 1:255 lid 3 BW. De kinderrechter stelt vast dat niet aan de gronden voor een (ambtshalve) ondertoezichtstelling wordt voldaan. RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Roermond Zaaknummer: C/03/350896 / JE RK 26-555 Datum uitspraak: 17 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ambtshalve ondertoezichtstelling naar aanleiding van de brief van 27 maart 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming , regio Limburg, locatie Roermond, hierna te noemen de Raad, betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [plaats 1] (Syrië), hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] en [de vader] , hierna te noemen de moeder en de vader, samen te noemen de ouders, wonende in [plaats 2] , [gemeente] , advocaat: mr. L.P.H. Hameleers, te Roermond. De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg , hierna te noemen de GI. 1 Het procesverloop 1.1. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 december 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 maart 2026. Bij diezelfde beschikking is een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 januari 2026. Bij beschikking van 31 december 2025 is een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen tot 22 maart 2026. 1.2. De kinderrechter heeft op 27 maart 2026 een brief van de Raad, met als bijlage de brief van de burgemeester van de [gemeente] van 19 maart 2026, ontvangen. 1.3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig: - de ouders bijgestaan door een tolk en hun advocaat; - twee vertegenwoordigers van de Raad; - twee vertegenwoordigers van de GI. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.5. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking is de schriftelijke uitwerking van die uitspraak. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij haar ouders. 3 Het verzoek 3.1. De Raad vraagt op grond van artikel 1:255, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het oordeel van de kinderrechter over de noodzaak tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] . 3.2. De Raad is niet tot indiening van dat verzoek overgegaan en heeft daarvan melding gedaan bij de GI op 6 maart 2026. De GI heeft op haar beurt op 10 maart 2026 een e-mail gestuurd aan de burgemeester. De burgemeester heeft bij brief van 19 maart 2026 de Raad verzocht het oordeel van de kinderrechter te vragen over de noodzakelijkheid van een ondertoezichtstelling. 4 De mening van [minderjarige] 4.1. heeft aangegeven dat het goed met haar gaat. Ze weet dat ze niet de meeste slimme dingen heeft gedaan. Sinds 22 maart 2026 woont ze weer thuis bij haar ouders. Er is nog wel ruzie en gedoe met de moeder, maar verder gaat het goed. [minderjarige] weet niet of haar ouders haar nu vertrouwen, maar de vader heeft haar in ieder geval een nieuwe kans gegeven. [minderjarige] heeft zelf wel hulp nodig om ‘nee’ te leren zeggen. De moeder heeft hulp nodig om [minderjarige] haar wereld beter te leren begrijpen en om haar eigen woede beter onder controle te krijgen. [minderjarige] vraagt zich af of dat gaat helpen, omdat de moeder heeft aangegeven dat ze nu eenmaal ‘zo’ is. [minderjarige] weet niet of de ouders willen meewerken met hulpverlening. Zelf vindt ze hulp niet erg; ze krijgt nu ook therapeutische hulp. Over de familie-eer heeft [minderjarige] niet echt zorgen. 5 De standpunten De Raad 5.1. De Raad heeft naar aanleiding van de uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling en de verleende machtiging uithuisplaatsing een onderzoek verricht. Hieruit is naar voren gekomen dat er wel degelijk zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . Ze vertoont risicogedrag op seksueel gebied, ze heeft problemen in het aangaan met sociale contacten, het gezag van de ouders ondermijnt ze regelmatig, ze automutileert en kent depressieve episodes. De ouders hebben gedurende dit onderzoek voldoende openheid en transparantie getoond over de zorgen die spelen in het gezin. De ouders zeggen open te staan voor hulpverlening voor [minderjarige] en zijn zelf ook bereid om individuele hulp op te gaan starten. De moeder heeft aangegeven open te staan voor een individueel traject gericht op agressie en emotieregulatie. De ouders zijn daarnaast bereid om veiligheidsafspraken te maken met de hulpverlening. Tijdens het onderzoek was [minderjarige] nog uit huis geplaatst. De Raad heeft geconcludeerd dat het mogelijk moet zijn dat [minderjarige] weer thuis kan wonen, wanneer er onder andere duidelijke veiligheidsafspraken gemaakt worden met het gezin. Dit om de kans op geweld in de toekomst zo klein als mogelijk te maken. De Raad heeft daarnaast sterk de indruk gekregen dat de ouders in de samenwerkingsrelatie met de GI weinig vertrouwen hebben, omdat ze zich mogelijk niet altijd gehoord hebben gevoeld als het gaat om de mogelijkheden tot contact tussen [minderjarige] en de ouders en het verdere perspectief van [minderjarige] . Al met al heeft de Raad besloten het onderzoek af te sluiten met een overdracht naar de jeugdconsulent van de [gemeente] . Daarnaast is afgesproken met de [gemeente] dat zij bij de Raad een nieuwe melding maken als de afspraken rondom hulpverlening en veiligheidsafspraken niet nagekomen worden en de ontwikkelingsbedreiging aanwezig blijft. 5.2. Tijdens de zitting heeft de Raad aangegeven dat wat [minderjarige] bij de kinderrechter heeft verteld, zij ook bij de Raad heeft verteld. Er is zeker wel hulp nodig, maar dat kan in een vrijwillig kader. Zowel [minderjarige] als de moeder zijn aangemeld bij de GGZ en ook het gezin krijgt hulp. De gemeente is betrokken en monitort de situatie. Ook regelt de gemeente de hulp. De gemeente kan altijd een terugmelding doen bij de Raad als blijkt dat er niet meer wordt meegewerkt. De Raad heeft gelet op de initiële zorgen over eerwraak ook contact gehad met het Landelijk Expertise Centrum (LEC) en heeft een grondige analyse gemaakt om te bezien of [minderjarige] naar huis kon. Dat was het geval, mede ook omdat de ouders gedurende het onderzoek meer open werden en een positieve draai maakten. De GI 5.3. Uit de brief van de burgemeester volgt dat de GI haar zorgen heeft geuit over het niet overgaan tot een verzoek tot ondertoezichtstelling door de Raad. Volgens de burgemeester worden deze zorgen herkend door de medewerkers van het sociaal domein, die in een eerder stadium betrokken waren bij [minderjarige] . De GI heeft aangegeven dat [minderjarige] opgroeit binnen twee culturele kaders. Zij ervaart een toenemende spanning tussen de verwachtingen vanuit het gezin en haar eigen behoefte aan autonomie en ontwikkeling binnen beide culturen. Dit laatste kan ertoe leiden dat de frequentie en ernst van incidenten blijven escaleren en kan leiden tot direct gevaar voor [minderjarige] , zowel in emotioneel als mogelijk fysiek opzicht. Volgens de GI is een stabiele en beschermende basis noodzakelijk, waarbij hulpverlening en toezicht worden ingezet om de veiligheidsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4041 text/xml public 2026-05-08T15:23:29 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-17 C/03/350896 / JE RK 26-555 Uitspraak Rekestprocedure NL Roermond Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4041 text/html public 2026-05-08T15:21:59 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4041 Rechtbank Limburg , 17-04-2026 / C/03/350896 / JE RK 26-555 Verzoek ambtshalve ots op grond van artikel 1:255 lid 3 BW. De kinderrechter stelt vast dat niet aan de gronden voor een (ambtshalve) ondertoezichtstelling wordt voldaan. RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Roermond Zaaknummer: C/03/350896 / JE RK 26-555 Datum uitspraak: 17 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ambtshalve ondertoezichtstelling naar aanleiding van de brief van 27 maart 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming , regio Limburg, locatie Roermond, hierna te noemen de Raad, betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [plaats 1] (Syrië), hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] en [de vader] , hierna te noemen de moeder en de vader, samen te noemen de ouders, wonende in [plaats 2] , [gemeente] , advocaat: mr. L.P.H. Hameleers, te Roermond. De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg , hierna te noemen de GI. 1 Het procesverloop 1.1. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 december 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 maart 2026. Bij diezelfde beschikking is een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 januari 2026. Bij beschikking van 31 december 2025 is een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen tot 22 maart 2026. 1.2. De kinderrechter heeft op 27 maart 2026 een brief van de Raad, met als bijlage de brief van de burgemeester van de [gemeente] van 19 maart 2026, ontvangen. 1.3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig: - de ouders bijgestaan door een tolk en hun advocaat; - twee vertegenwoordigers van de Raad; - twee vertegenwoordigers van de GI. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.5. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking is de schriftelijke uitwerking van die uitspraak. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij haar ouders. 3 Het verzoek 3.1. De Raad vraagt op grond van artikel 1:255, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het oordeel van de kinderrechter over de noodzaak tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] . 3.2. De Raad is niet tot indiening van dat verzoek overgegaan en heeft daarvan melding gedaan bij de GI op 6 maart 2026. De GI heeft op haar beurt op 10 maart 2026 een e-mail gestuurd aan de burgemeester. De burgemeester heeft bij brief van 19 maart 2026 de Raad verzocht het oordeel van de kinderrechter te vragen over de noodzakelijkheid van een ondertoezichtstelling. 4 De mening van [minderjarige] 4.1. heeft aangegeven dat het goed met haar gaat. Ze weet dat ze niet de meeste slimme dingen heeft gedaan. Sinds 22 maart 2026 woont ze weer thuis bij haar ouders. Er is nog wel ruzie en gedoe met de moeder, maar verder gaat het goed. [minderjarige] weet niet of haar ouders haar nu vertrouwen, maar de vader heeft haar in ieder geval een nieuwe kans gegeven. [minderjarige] heeft zelf wel hulp nodig om ‘nee’ te leren zeggen. De moeder heeft hulp nodig om [minderjarige] haar wereld beter te leren begrijpen en om haar eigen woede beter onder controle te krijgen. [minderjarige] vraagt zich af of dat gaat helpen, omdat de moeder heeft aangegeven dat ze nu eenmaal ‘zo’ is. [minderjarige] weet niet of de ouders willen meewerken met hulpverlening. Zelf vindt ze hulp niet erg; ze krijgt nu ook therapeutische hulp. Over de familie-eer heeft [minderjarige] niet echt zorgen. 5 De standpunten De Raad 5.1. De Raad heeft naar aanleiding van de uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling en de verleende machtiging uithuisplaatsing een onderzoek verricht. Hieruit is naar voren gekomen dat er wel degelijk zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . Ze vertoont risicogedrag op seksueel gebied, ze heeft problemen in het aangaan met sociale contacten, het gezag van de ouders ondermijnt ze regelmatig, ze automutileert en kent depressieve episodes. De ouders hebben gedurende dit onderzoek voldoende openheid en transparantie getoond over de zorgen die spelen in het gezin. De ouders zeggen open te staan voor hulpverlening voor [minderjarige] en zijn zelf ook bereid om individuele hulp op te gaan starten. De moeder heeft aangegeven open te staan voor een individueel traject gericht op agressie en emotieregulatie. De ouders zijn daarnaast bereid om veiligheidsafspraken te maken met de hulpverlening. Tijdens het onderzoek was [minderjarige] nog uit huis geplaatst. De Raad heeft geconcludeerd dat het mogelijk moet zijn dat [minderjarige] weer thuis kan wonen, wanneer er onder andere duidelijke veiligheidsafspraken gemaakt worden met het gezin. Dit om de kans op geweld in de toekomst zo klein als mogelijk te maken. De Raad heeft daarnaast sterk de indruk gekregen dat de ouders in de samenwerkingsrelatie met de GI weinig vertrouwen hebben, omdat ze zich mogelijk niet altijd gehoord hebben gevoeld als het gaat om de mogelijkheden tot contact tussen [minderjarige] en de ouders en het verdere perspectief van [minderjarige] . Al met al heeft de Raad besloten het onderzoek af te sluiten met een overdracht naar de jeugdconsulent van de [gemeente] . Daarnaast is afgesproken met de [gemeente] dat zij bij de Raad een nieuwe melding maken als de afspraken rondom hulpverlening en veiligheidsafspraken niet nagekomen worden en de ontwikkelingsbedreiging aanwezig blijft. 5.2. Tijdens de zitting heeft de Raad aangegeven dat wat [minderjarige] bij de kinderrechter heeft verteld, zij ook bij de Raad heeft verteld. Er is zeker wel hulp nodig, maar dat kan in een vrijwillig kader. Zowel [minderjarige] als de moeder zijn aangemeld bij de GGZ en ook het gezin krijgt hulp. De gemeente is betrokken en monitort de situatie. Ook regelt de gemeente de hulp. De gemeente kan altijd een terugmelding doen bij de Raad als blijkt dat er niet meer wordt meegewerkt. De Raad heeft gelet op de initiële zorgen over eerwraak ook contact gehad met het Landelijk Expertise Centrum (LEC) en heeft een grondige analyse gemaakt om te bezien of [minderjarige] naar huis kon. Dat was het geval, mede ook omdat de ouders gedurende het onderzoek meer open werden en een positieve draai maakten. De GI 5.3. Uit de brief van de burgemeester volgt dat de GI haar zorgen heeft geuit over het niet overgaan tot een verzoek tot ondertoezichtstelling door de Raad. Volgens de burgemeester worden deze zorgen herkend door de medewerkers van het sociaal domein, die in een eerder stadium betrokken waren bij [minderjarige] . De GI heeft aangegeven dat [minderjarige] opgroeit binnen twee culturele kaders. Zij ervaart een toenemende spanning tussen de verwachtingen vanuit het gezin en haar eigen behoefte aan autonomie en ontwikkeling binnen beide culturen. Dit laatste kan ertoe leiden dat de frequentie en ernst van incidenten blijven escaleren en kan leiden tot direct gevaar voor [minderjarige] , zowel in emotioneel als mogelijk fysiek opzicht. Volgens de GI is een stabiele en beschermende basis noodzakelijk, waarbij hulpverlening en toezicht worden ingezet om de veiligheidsrisico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Volledig
Voor de GI is onvoldoende duidelijk welke voorwaarden noodzakelijk zijn voor een veilige thuisplaatsing en of hier binnen een aanvaardbare termijn aan voldaan kan worden. Vrijwillige hulpverlening is tot op heden onvoldoende gebleken om de incidenten te voorkomen en de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De GI vindt een ondertoezichtstelling noodzakelijk, in combinatie met een (tijdelijke) uithuisplaatsing. Dit om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en passende hulpverlening te kunnen inzetten. 5.4. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat ze herkennen wat [minderjarige] heeft aangegeven bij de kinderrechter. De GI wijst erop dat [minderjarige] grenzen kan opzoeken en vervolgens een goed verhaal kan vertellen, maar toch anders kan handelen. Op zichzelf past dat bij een puber, maar de GI maakt zich zorgen of de ouders daar adequaat op kunnen reageren. Dat laatste vooral in samenhang met het eer gerelateerde stuk. De moeder heeft in december 2025 forse uitspraken gedaan. De GI heeft contact gehad met het (LEC om na te gaan hoe dit alles geduid moet worden. Het LEC heeft aangegeven dat daar heel voorzichtig mee moet worden omgegaan. De GI heeft dit nog niet kunnen bespreken met de ouders. De GI is bang dat een dergelijke situatie zoals in december 2025 zich gaat herhalen. De GI wil er verder niet op in gaan wat zij wel of niet heeft gedaan in het contact tussen de ouders en [minderjarige] , maar stelt dat het niet klopt wat de ouders aangeven. De reden waarom de GI dit verzoek bij de burgemeester heeft neergelegd is erin gelegen dat de GI signalen kreeg die niet strookten met wat de Raad aangaf. Niettemin is de GI blij om te horen dat het inmiddels met [minderjarige] en de ouders goed gaat in de thuissituatie. De ouders 5.5. De ouders begrijpen waarom de voorlopige ondertoezichtstelling en de (spoed)machtiging uithuisplaatsing eerder is verleend. Er moest rust komen in de situatie. De ouders zijn teleurgesteld in de inzet van de GI. [minderjarige] wilde graag haar vader en broers en zussen spreken en de kinderrechter heeft toen ook gezegd dat hier aandacht voor moest zijn. De GI heeft hier niet naar geluisterd; er is maandenlang geen contact geweest. De GI heeft niet naar de behoefte van [minderjarige] gekeken. Daarbij vindt de moeder het belangrijk te vermelden dat zij [minderjarige] nooit echt pijn zou gaan doen, dat weet [minderjarige] ook. Datgene wat de moeder in december 2025 heeft gezegd was uit boosheid. Hier is wel hulpverlening voor nodig. De moeder moet leren niet zo snel boos te worden op [minderjarige] en meer met haar in gesprek gaan. De moeder heeft misschien eerder gezegd dat zij niet wil veranderen, maar dat was uit emotie en niet reëel. Iedereen wil uiteindelijk veranderen en heeft het beste voor met de ander. Als de moeder niet zou veranderen, zou zij [minderjarige] nu ook anders benaderen. [minderjarige] woont nu weer thuis en de situatie is nu relatief rustig en goed. De moeder en [minderjarige] zijn het soms nog niet eens met elkaar, maar dat wordt op een normale manier besproken. Sinds [minderjarige] weer thuis woont zijn er geen incidenten meer geweest. Een ondertoezichtstelling zou nu te ver gaan, temeer omdat er begeleiding is. Er zijn zorgen over het verleden en er moet gemonitord worden, maar dat gebeurt ook. Er is een vrijwillige gezinshulp via de GGZ. De Raad heeft de juiste maatstaf gehanteerd: de ouders zijn bereid om mee te werken met de hulpverlening. 6 De beoordeling 6.1. Op grond van artikel 1:255, derde lid, BW kan de Raad op verzoek van de burgemeester het oordeel van de kinderrechter vragen over de noodzaak van een ondertoezichtstelling, indien de Raad na onderzoek niet tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat. Als de Raad dat verzoek van de burgemeester ontvangt vraagt zij binnen twee weken het oordeel van de kinderrechter. Als de kinderrechter van oordeel is dat aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is voldaan kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve uitspreken. Nu de Raad tijdig heeft gevraagd voor een oordeel van de kinderrechter, wordt er toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling. De kinderrechter moet beoordelen of er op dit moment gronden zijn om [minderjarige] onder toezicht te stellen. Dat betekent dat de kinderrechter aan de hand van de huidige feiten en omstandigheden beoordeelt of, kort gezegd, sprake is van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] en zo ja, of de zorg die nodig is om die bedreiging weg te nemen niet of onvoldoende door de ouders en/of [minderjarige] wordt geaccepteerd. 6.2. De kinderrechter is van oordeel dat aan de grond voor een (ambtshalve) ondertoezichtstelling niet wordt voldaan. Daarbij zijn de huidige omstandigheden doorslaggevend. Ten tijde van het bericht van de GI aan de burgemeester was [minderjarige] nog uit huis geplaatst en kon de Raad ook nog niet weten of een thuisplaatsing goed zou verlopen. De GI kreeg zorgelijke signalen en in dat opzicht kan de kinderrechter het verzoek van de GI (via de burgemeester) wel duiden. Inmiddels woont [minderjarige] weer enkele weken thuis en is gebleken dat dit relatief goed gaat. Dit betekent echter niet dat er geen zorgen meer zijn. Naar het oordeel van de kinderrechter wordt [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Hetgeen is voorgevallen in december 2025 was dermate ernstig dat op goede gronden een voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken en een (spoed)machtiging uithuisplaatsing is verleend. De moeder heeft toen zeer forse uitspraken gedaan en het is logisch dat alle alarmbellen zijn gaan rinkelen. Dat het LEC is gevraagd hoe die uitspraken geduid moeten worden, is ook zeer begrijpelijk. Echter, alles in samenhang bezien en gelet op de openheid ook van de ouders en het goede verloop na de thuisplaatsing, zijn er geen gronden meer om reëel te vrezen voor eer gerelateerd geweld. De kinderrechter vindt het aannemelijk dat de moeder haar uitspraken echt uit boosheid heeft gedaan. Op zich baart dit grote zorgen. Zo vindt de kinderrechter het zeer verontrustend dat [minderjarige] die uitspraken en boosheid normaal lijkt te vinden. Dergelijke uitspraken en zo’n boosheid zijn niet normaal en hier dient zeer zeker aandacht voor te zijn. Met name [minderjarige] en de moeder zullen echt moeten leren op een andere manier met elkaar om te gaan en daarvoor is hulpverlening nodig. 6.3. Daarmee wordt gekomen bijhet tweede criterium waarnaar gekeken moet worden als grond voor een ondertoezichtstelling, namelijk dat de hulp die nodig is om de bedreiging in de ontwikkeling weg te nemen onvoldoende wordt geaccepteerd. Dat is niet gebleken. Zowel [minderjarige] als de ouders hebben aangegeven dat er hulp nodig is en die is kennelijk ook al ingezet. De gemeente is nu betrokken en kan (verdere) hulpverlening inzetten, waaraan de ouders en [minderjarige] – naar eigen zeggen – ook zullen meewerken. De kinderrechter acht dat voor nu voldoende en verwacht van de ouders en [minderjarige] dat zij hun medewerking ook zullen blijven verlenen. Indien dit niet het geval is, kan een melding worden gedaan bij de Raad en kan alsnog om een ondertoezichtstelling worden gevraagd. 6.4. De kinderrechter stelt op grond van het vorenstaande dan ook vast dat nu niet wordt voldaan aan de gronden voor een (ambtshalve) ondertoezichtstelling. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. stelt vast dat niet wordt voldaan aan de gronden voor een (ambtshalve) ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. Bregonje, kinderrechter, in aanwezigheid van Reijnders-Verlinden als griffier, en op schrift gesteld op 28 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledig
Voor de GI is onvoldoende duidelijk welke voorwaarden noodzakelijk zijn voor een veilige thuisplaatsing en of hier binnen een aanvaardbare termijn aan voldaan kan worden. Vrijwillige hulpverlening is tot op heden onvoldoende gebleken om de incidenten te voorkomen en de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De GI vindt een ondertoezichtstelling noodzakelijk, in combinatie met een (tijdelijke) uithuisplaatsing. Dit om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en passende hulpverlening te kunnen inzetten. 5.4. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat ze herkennen wat [minderjarige] heeft aangegeven bij de kinderrechter. De GI wijst erop dat [minderjarige] grenzen kan opzoeken en vervolgens een goed verhaal kan vertellen, maar toch anders kan handelen. Op zichzelf past dat bij een puber, maar de GI maakt zich zorgen of de ouders daar adequaat op kunnen reageren. Dat laatste vooral in samenhang met het eer gerelateerde stuk. De moeder heeft in december 2025 forse uitspraken gedaan. De GI heeft contact gehad met het (LEC om na te gaan hoe dit alles geduid moet worden. Het LEC heeft aangegeven dat daar heel voorzichtig mee moet worden omgegaan. De GI heeft dit nog niet kunnen bespreken met de ouders. De GI is bang dat een dergelijke situatie zoals in december 2025 zich gaat herhalen. De GI wil er verder niet op in gaan wat zij wel of niet heeft gedaan in het contact tussen de ouders en [minderjarige] , maar stelt dat het niet klopt wat de ouders aangeven. De reden waarom de GI dit verzoek bij de burgemeester heeft neergelegd is erin gelegen dat de GI signalen kreeg die niet strookten met wat de Raad aangaf. Niettemin is de GI blij om te horen dat het inmiddels met [minderjarige] en de ouders goed gaat in de thuissituatie. De ouders 5.5. De ouders begrijpen waarom de voorlopige ondertoezichtstelling en de (spoed)machtiging uithuisplaatsing eerder is verleend. Er moest rust komen in de situatie. De ouders zijn teleurgesteld in de inzet van de GI. [minderjarige] wilde graag haar vader en broers en zussen spreken en de kinderrechter heeft toen ook gezegd dat hier aandacht voor moest zijn. De GI heeft hier niet naar geluisterd; er is maandenlang geen contact geweest. De GI heeft niet naar de behoefte van [minderjarige] gekeken. Daarbij vindt de moeder het belangrijk te vermelden dat zij [minderjarige] nooit echt pijn zou gaan doen, dat weet [minderjarige] ook. Datgene wat de moeder in december 2025 heeft gezegd was uit boosheid. Hier is wel hulpverlening voor nodig. De moeder moet leren niet zo snel boos te worden op [minderjarige] en meer met haar in gesprek gaan. De moeder heeft misschien eerder gezegd dat zij niet wil veranderen, maar dat was uit emotie en niet reëel. Iedereen wil uiteindelijk veranderen en heeft het beste voor met de ander. Als de moeder niet zou veranderen, zou zij [minderjarige] nu ook anders benaderen. [minderjarige] woont nu weer thuis en de situatie is nu relatief rustig en goed. De moeder en [minderjarige] zijn het soms nog niet eens met elkaar, maar dat wordt op een normale manier besproken. Sinds [minderjarige] weer thuis woont zijn er geen incidenten meer geweest. Een ondertoezichtstelling zou nu te ver gaan, temeer omdat er begeleiding is. Er zijn zorgen over het verleden en er moet gemonitord worden, maar dat gebeurt ook. Er is een vrijwillige gezinshulp via de GGZ. De Raad heeft de juiste maatstaf gehanteerd: de ouders zijn bereid om mee te werken met de hulpverlening. 6 De beoordeling 6.1. Op grond van artikel 1:255, derde lid, BW kan de Raad op verzoek van de burgemeester het oordeel van de kinderrechter vragen over de noodzaak van een ondertoezichtstelling, indien de Raad na onderzoek niet tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat. Als de Raad dat verzoek van de burgemeester ontvangt vraagt zij binnen twee weken het oordeel van de kinderrechter. Als de kinderrechter van oordeel is dat aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is voldaan kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve uitspreken. Nu de Raad tijdig heeft gevraagd voor een oordeel van de kinderrechter, wordt er toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling. De kinderrechter moet beoordelen of er op dit moment gronden zijn om [minderjarige] onder toezicht te stellen. Dat betekent dat de kinderrechter aan de hand van de huidige feiten en omstandigheden beoordeelt of, kort gezegd, sprake is van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] en zo ja, of de zorg die nodig is om die bedreiging weg te nemen niet of onvoldoende door de ouders en/of [minderjarige] wordt geaccepteerd. 6.2. De kinderrechter is van oordeel dat aan de grond voor een (ambtshalve) ondertoezichtstelling niet wordt voldaan. Daarbij zijn de huidige omstandigheden doorslaggevend. Ten tijde van het bericht van de GI aan de burgemeester was [minderjarige] nog uit huis geplaatst en kon de Raad ook nog niet weten of een thuisplaatsing goed zou verlopen. De GI kreeg zorgelijke signalen en in dat opzicht kan de kinderrechter het verzoek van de GI (via de burgemeester) wel duiden. Inmiddels woont [minderjarige] weer enkele weken thuis en is gebleken dat dit relatief goed gaat. Dit betekent echter niet dat er geen zorgen meer zijn. Naar het oordeel van de kinderrechter wordt [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Hetgeen is voorgevallen in december 2025 was dermate ernstig dat op goede gronden een voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken en een (spoed)machtiging uithuisplaatsing is verleend. De moeder heeft toen zeer forse uitspraken gedaan en het is logisch dat alle alarmbellen zijn gaan rinkelen. Dat het LEC is gevraagd hoe die uitspraken geduid moeten worden, is ook zeer begrijpelijk. Echter, alles in samenhang bezien en gelet op de openheid ook van de ouders en het goede verloop na de thuisplaatsing, zijn er geen gronden meer om reëel te vrezen voor eer gerelateerd geweld. De kinderrechter vindt het aannemelijk dat de moeder haar uitspraken echt uit boosheid heeft gedaan. Op zich baart dit grote zorgen. Zo vindt de kinderrechter het zeer verontrustend dat [minderjarige] die uitspraken en boosheid normaal lijkt te vinden. Dergelijke uitspraken en zo’n boosheid zijn niet normaal en hier dient zeer zeker aandacht voor te zijn. Met name [minderjarige] en de moeder zullen echt moeten leren op een andere manier met elkaar om te gaan en daarvoor is hulpverlening nodig. 6.3. Daarmee wordt gekomen bijhet tweede criterium waarnaar gekeken moet worden als grond voor een ondertoezichtstelling, namelijk dat de hulp die nodig is om de bedreiging in de ontwikkeling weg te nemen onvoldoende wordt geaccepteerd. Dat is niet gebleken. Zowel [minderjarige] als de ouders hebben aangegeven dat er hulp nodig is en die is kennelijk ook al ingezet. De gemeente is nu betrokken en kan (verdere) hulpverlening inzetten, waaraan de ouders en [minderjarige] – naar eigen zeggen – ook zullen meewerken. De kinderrechter acht dat voor nu voldoende en verwacht van de ouders en [minderjarige] dat zij hun medewerking ook zullen blijven verlenen. Indien dit niet het geval is, kan een melding worden gedaan bij de Raad en kan alsnog om een ondertoezichtstelling worden gevraagd. 6.4. De kinderrechter stelt op grond van het vorenstaande dan ook vast dat nu niet wordt voldaan aan de gronden voor een (ambtshalve) ondertoezichtstelling. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. stelt vast dat niet wordt voldaan aan de gronden voor een (ambtshalve) ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. Bregonje, kinderrechter, in aanwezigheid van Reijnders-Verlinden als griffier, en op schrift gesteld op 28 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.