Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-24
ECLI:NL:RBLIM:2026:4003
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,986 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4003 text/xml public 2026-04-30T18:00:23 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-24 ROE 23/1996 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4003 text/html public 2026-04-30T17:48:34 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4003 Rechtbank Limburg , 24-04-2026 / ROE 23/1996 Beroep tegen afwijzing van aanwijzing zeven objecten tot gemeentelijk monument. Het college lijkt enige monumentale waarde aan de objecten toe te kennen. Dat dit een beperkte waarde zou zijn is niet onderbouwd. Dat andere betrokken belangen opwegen tegen het algemeen belang van bescherming van cultureel erfgoed is onvoldoende gemotiveerd. Belangen van eigenaren zijn niet concreet en inzichtelijk gemaakt. En niet is inzichtelijk gemaakt welke belangrijke aspecten van de objecten al voldoende zijn beschermd met de aanmerking van het object als ‘karakteristiek’ in het bestemmingsplan. Beroep gegrond. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/1996 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen Stichting tot behoud van het negentiende en twintigste-eeuwse cultuurgoed in Nederland en tot ondersteuning van het Cuypersgenootschap , uit Zoetermeer, de stichting, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren (gemachtigde: mr. M.J.H. Siega-Gulikers). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van de stichting om zeven objecten aan te wijzen als gemeentelijk monument. De stichting is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de afwijzing van de aanvraag onvoldoende heeft gemotiveerd. De stichting krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De stichting heeft een aanvraag ingediend voor de aanwijzing van zeven objecten als gemeentelijk monument. Het college heeft deze aanvraag op 12 januari 2023 op informele wijze afgewezen. 2.1. Met het bestreden besluit van 13 juli 2023 op het bezwaar van de stichting is het bezwaar gegrond verklaard, de brief van 12 januari 2023 herroepen en is de aanvraag alsnog formeel afgewezen. 2.2. De stichting heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (secretaris) namens de stichting en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. De stichting heeft het college verzocht om zeven objecten in de gemeente Echt-Susteren aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het betreft: H. Stephanuskerk (Kerkstraat, Dieteren); Luchtwachttoren (Haarenderweg, Maria Hoop); Passionistenklooster (Annendaalderweg, Maria Hoop); H. Judocuskerk (Caulitenstraat, Sint Joost); Kerk OLV Onbevlekte Ontvangenis (Prinsenbaan, Koningsbosch); Complex Klooster/Abdij Lilbosch en Hotel Lilboschh/Hof van Herstal (Pepinusbrug, Peij). 4. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Het college kan op grond van de Erfgoedverordening gemeentelijke monumenten aanwijzen, maar heeft als uitgangspunt om dit niet te doen. De gemeente Echt-Susteren heeft daarom nu toe geen gemeentelijke monumenten. Het college wil gewenste ontwikkelingen, die instandhouding van bijzondere objecten mede bevorderen, niet onnodig beperken met extra vergunningen en regels. De belangen van de eigenaren wegen voor het college zwaar en het adagium “behoud door ontwikkeling” werkt al jarenlang naar wens. 4.1. Het college acht verder van belang dat zes van de objecten al zijn aangemerkt als “karakteristiek” en vanuit het bestemmingsplan Cultuurhistorie al afdoende bescherming genieten, zoals tegen sloop. Ook het zevende object (de Luchtwachttoren) zal in het initiële Omgevingsplan worden aangeduid als “karakteristiek”. Voor kerkgebouwen is verder in samenspraak met de eigenaren en overige belanghebbende partijen een Kerkenvisie in de maak, die ziet op eventuele toekomstige leegstand van kerkgebouwen. Het college wenst de uitkomst hiervan niet te frustreren door het aanwijzen van kerken als gemeentelijk monument. 4.2. Tot slot acht het college van belang dat alle objecten nog in gebruik zijn en er dus geen sprake is van leegstand of verval. Verder getuigt de beschrijving van de objecten door de stichting niet van een dermate uitzonderlijke schoonheid, bijzondere waarde en/of onderscheidend belang, die noodzaakt tot het alsnog aanwijzen van deze objecten als gemeentelijk monument of hiervoor een procedure te starten. Toetsingskader 5. Gelet op de datum van het bestreden besluit is de Erfgoedverordening 2018 van toepassing. 5.1. In artikel 5 van de Erfgoedverordening staat dat het college kan besluiten een object dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aan te wijzen als gemeentelijk monument. 5.2. In de artikelen 13 en verder van de Erfgoedverordening is opgenomen welke rechten en plichten gelden ten aanzien van een object dat tot gemeentelijk monument is aangewezen. 5.3. De rechtbank stelt voorop dat de aanwijzing als gemeentelijk monument berust op een discretionaire bevoegdheid van het college. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het object. De rechtbank toetst de beleidsruimte die het college toekomt terughoudend. Dit houdt in dat de rechter niet toetst of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen, maar of het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. 5.4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling van het beroep 6. De rechtbank stelt voorop dat het college net als de stichting uit lijkt te gaan van een zekere monumentale waarde van de door de stichting aangedragen objecten. De rechtbank maakt dat op uit de verwijzing van het college naar het bestemmingsplan waarin zes objecten als ‘karakteristiek’ zijn aangewezen en de uitgesproken wens om aan het zevende object (de Luchtwachttoren) diezelfde status toe te kennen. Verder heeft het college in het bestreden besluit niet vermeld dat van een monumentale waarde geen sprake is. Het college heeft daarin enkel opgenomen dat de objecten niet van een dermate uitzonderlijke schoonheid, bijzondere waarde en/of onderscheidend belang zijn, die noodzaakt tot het alsnog aanwijzen van de objecten als gemeentelijk monument. Dat de objecten geheel geen monumentale waarde hebben is door het college niet gesteld of onderbouwd. Dat de objecten slechts beperkte monumentale waarde hebben en in de afweging tussen het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed niet opweegt tegen de overige bij een aanwijzing betrokken belangen, is evenmin door het college onderbouwd. Het college heeft de te beschermen monumentale waarde van de zeven objecten immers niet onderzocht en heeft de door de stichting gestelde grote monumentale waarde niet gemotiveerd weersproken. 6.1. De andere betrokken belangen waartegen het algemene belang kan worden afgewogen, zijn door het college onvoldoende concreet en inzichtelijk gemaakt. Volgens vaste rechtspraak kan het college in de belangafweging het belang van een eigenaar meewegen, maar dan moet wel genoegzaam worden gesteld en gemotiveerd dat de monumentenstatus voor de eigenaar negatieve gevolgen heeft.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4003 text/xml public 2026-04-30T18:00:23 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-24 ROE 23/1996 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4003 text/html public 2026-04-30T17:48:34 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4003 Rechtbank Limburg , 24-04-2026 / ROE 23/1996 Beroep tegen afwijzing van aanwijzing zeven objecten tot gemeentelijk monument. Het college lijkt enige monumentale waarde aan de objecten toe te kennen. Dat dit een beperkte waarde zou zijn is niet onderbouwd. Dat andere betrokken belangen opwegen tegen het algemeen belang van bescherming van cultureel erfgoed is onvoldoende gemotiveerd. Belangen van eigenaren zijn niet concreet en inzichtelijk gemaakt. En niet is inzichtelijk gemaakt welke belangrijke aspecten van de objecten al voldoende zijn beschermd met de aanmerking van het object als ‘karakteristiek’ in het bestemmingsplan. Beroep gegrond. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/1996 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen Stichting tot behoud van het negentiende en twintigste-eeuwse cultuurgoed in Nederland en tot ondersteuning van het Cuypersgenootschap , uit Zoetermeer, de stichting, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren (gemachtigde: mr. M.J.H. Siega-Gulikers). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van de stichting om zeven objecten aan te wijzen als gemeentelijk monument. De stichting is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de afwijzing van de aanvraag onvoldoende heeft gemotiveerd. De stichting krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De stichting heeft een aanvraag ingediend voor de aanwijzing van zeven objecten als gemeentelijk monument. Het college heeft deze aanvraag op 12 januari 2023 op informele wijze afgewezen. 2.1. Met het bestreden besluit van 13 juli 2023 op het bezwaar van de stichting is het bezwaar gegrond verklaard, de brief van 12 januari 2023 herroepen en is de aanvraag alsnog formeel afgewezen. 2.2. De stichting heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (secretaris) namens de stichting en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. De stichting heeft het college verzocht om zeven objecten in de gemeente Echt-Susteren aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het betreft: H. Stephanuskerk (Kerkstraat, Dieteren); Luchtwachttoren (Haarenderweg, Maria Hoop); Passionistenklooster (Annendaalderweg, Maria Hoop); H. Judocuskerk (Caulitenstraat, Sint Joost); Kerk OLV Onbevlekte Ontvangenis (Prinsenbaan, Koningsbosch); Complex Klooster/Abdij Lilbosch en Hotel Lilboschh/Hof van Herstal (Pepinusbrug, Peij). 4. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Het college kan op grond van de Erfgoedverordening gemeentelijke monumenten aanwijzen, maar heeft als uitgangspunt om dit niet te doen. De gemeente Echt-Susteren heeft daarom nu toe geen gemeentelijke monumenten. Het college wil gewenste ontwikkelingen, die instandhouding van bijzondere objecten mede bevorderen, niet onnodig beperken met extra vergunningen en regels. De belangen van de eigenaren wegen voor het college zwaar en het adagium “behoud door ontwikkeling” werkt al jarenlang naar wens. 4.1. Het college acht verder van belang dat zes van de objecten al zijn aangemerkt als “karakteristiek” en vanuit het bestemmingsplan Cultuurhistorie al afdoende bescherming genieten, zoals tegen sloop. Ook het zevende object (de Luchtwachttoren) zal in het initiële Omgevingsplan worden aangeduid als “karakteristiek”. Voor kerkgebouwen is verder in samenspraak met de eigenaren en overige belanghebbende partijen een Kerkenvisie in de maak, die ziet op eventuele toekomstige leegstand van kerkgebouwen. Het college wenst de uitkomst hiervan niet te frustreren door het aanwijzen van kerken als gemeentelijk monument. 4.2. Tot slot acht het college van belang dat alle objecten nog in gebruik zijn en er dus geen sprake is van leegstand of verval. Verder getuigt de beschrijving van de objecten door de stichting niet van een dermate uitzonderlijke schoonheid, bijzondere waarde en/of onderscheidend belang, die noodzaakt tot het alsnog aanwijzen van deze objecten als gemeentelijk monument of hiervoor een procedure te starten. Toetsingskader 5. Gelet op de datum van het bestreden besluit is de Erfgoedverordening 2018 van toepassing. 5.1. In artikel 5 van de Erfgoedverordening staat dat het college kan besluiten een object dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aan te wijzen als gemeentelijk monument. 5.2. In de artikelen 13 en verder van de Erfgoedverordening is opgenomen welke rechten en plichten gelden ten aanzien van een object dat tot gemeentelijk monument is aangewezen. 5.3. De rechtbank stelt voorop dat de aanwijzing als gemeentelijk monument berust op een discretionaire bevoegdheid van het college. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het object. De rechtbank toetst de beleidsruimte die het college toekomt terughoudend. Dit houdt in dat de rechter niet toetst of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen, maar of het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. 5.4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling van het beroep 6. De rechtbank stelt voorop dat het college net als de stichting uit lijkt te gaan van een zekere monumentale waarde van de door de stichting aangedragen objecten. De rechtbank maakt dat op uit de verwijzing van het college naar het bestemmingsplan waarin zes objecten als ‘karakteristiek’ zijn aangewezen en de uitgesproken wens om aan het zevende object (de Luchtwachttoren) diezelfde status toe te kennen. Verder heeft het college in het bestreden besluit niet vermeld dat van een monumentale waarde geen sprake is. Het college heeft daarin enkel opgenomen dat de objecten niet van een dermate uitzonderlijke schoonheid, bijzondere waarde en/of onderscheidend belang zijn, die noodzaakt tot het alsnog aanwijzen van de objecten als gemeentelijk monument. Dat de objecten geheel geen monumentale waarde hebben is door het college niet gesteld of onderbouwd. Dat de objecten slechts beperkte monumentale waarde hebben en in de afweging tussen het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed niet opweegt tegen de overige bij een aanwijzing betrokken belangen, is evenmin door het college onderbouwd. Het college heeft de te beschermen monumentale waarde van de zeven objecten immers niet onderzocht en heeft de door de stichting gestelde grote monumentale waarde niet gemotiveerd weersproken. 6.1. De andere betrokken belangen waartegen het algemene belang kan worden afgewogen, zijn door het college onvoldoende concreet en inzichtelijk gemaakt. Volgens vaste rechtspraak kan het college in de belangafweging het belang van een eigenaar meewegen, maar dan moet wel genoegzaam worden gesteld en gemotiveerd dat de monumentenstatus voor de eigenaar negatieve gevolgen heeft.
Volledig
Dat betekent dat het college niet kan volstaan met het algemene uitgangspunt dat door eigenaren gewenste ontwikkelingen door een aanwijzing onnodig zouden worden beperkt met extra vergunningen en regels. Het college zal per object inzichtelijk moeten maken of er actuele ontwikkelingen zijn en in hoeverre de monumentenstatus daar een negatieve invloed op zou hebben. Alleen dan kan er aan dit belang in het kader van een belangenafweging een bepaalde zwaarte worden toegekend. 6.2. Ook het standpunt dat de zeven objecten al voldoende bescherming genieten heeft het college onvoldoende gemotiveerd. Het college heeft in het bestreden besluit opgenomen dat het aanmerken van de objecten als ‘karakteristiek’ in het bestemmingsplan al enige bescherming met zich brengt, waaronder tegen sloop. Dat daarmee ook bescherming wordt geboden voor andere aspecten die door de stichting zijn benoemd en in de Erfgoedverordening terugkomen, zoals wijziging van het object of het interieur, is niet gesteld of gebleken. Daar komt bij dat de Luchtwachttoren nog altijd niet als ‘karakteristiek’ is aangemerkt en daardoor ook de uit het bestemmingsplan voorvloeiende bescherming ontbeert. Welke bescherming uit zou moeten gaan van de Kerkenvisie is tot slot niet gebleken. Deze visie is nog niet tot stand gekomen en ter zitting is toegelicht dat deze visie waarschijnlijk geen formele status gaat krijgen. Conclusie en gevolgen 7. De rechtbank is alles overziend van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre de objecten monumentale waarde hebben en waarom het algemene belang van bescherming hiervan niet zou opwegen tegen andere betrokken belangen. Derhalve is sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is gegrond. 7.1. Het college heeft het motiveringsgebrek niet in het verweerschrift en niet ter zitting hersteld. Het bestreden besluit kan dus niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank benadrukt ter voorlichting aan partijen dat dit niet betekent dat de aanvraag van de stichting zonder meer moet worden ingewilligd. Het college kan de aanvraag opnieuw afwijzen mits dat toereikend kan worden gemotiveerd. 7.2. De rechtbank zal het college opdragen om het betaalde griffierecht aan de stichting te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de stichting met inachtneming van deze uitspraak; draagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de stichting te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van N.I.W. Smeets, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 griffier rechter De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 april 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Erfgoedverordening 2018 Artikel 5 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aan te wijzen als gemeentelijk monument. […] Artikel 13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, mede deel uitmakend van de monumentale waarde, niet wijzigt, of inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van de monumentale waardenstelling zonder betekenis is. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden: een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Echt-Susteren houdende regels omtrent erfgoed (2018). Toelichting bij artikel 5 van de Erfgoedverordening Echt-Susteren 2018. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:317), 12 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:61) en 19 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2780).
Volledig
Dat betekent dat het college niet kan volstaan met het algemene uitgangspunt dat door eigenaren gewenste ontwikkelingen door een aanwijzing onnodig zouden worden beperkt met extra vergunningen en regels. Het college zal per object inzichtelijk moeten maken of er actuele ontwikkelingen zijn en in hoeverre de monumentenstatus daar een negatieve invloed op zou hebben. Alleen dan kan er aan dit belang in het kader van een belangenafweging een bepaalde zwaarte worden toegekend. 6.2. Ook het standpunt dat de zeven objecten al voldoende bescherming genieten heeft het college onvoldoende gemotiveerd. Het college heeft in het bestreden besluit opgenomen dat het aanmerken van de objecten als ‘karakteristiek’ in het bestemmingsplan al enige bescherming met zich brengt, waaronder tegen sloop. Dat daarmee ook bescherming wordt geboden voor andere aspecten die door de stichting zijn benoemd en in de Erfgoedverordening terugkomen, zoals wijziging van het object of het interieur, is niet gesteld of gebleken. Daar komt bij dat de Luchtwachttoren nog altijd niet als ‘karakteristiek’ is aangemerkt en daardoor ook de uit het bestemmingsplan voorvloeiende bescherming ontbeert. Welke bescherming uit zou moeten gaan van de Kerkenvisie is tot slot niet gebleken. Deze visie is nog niet tot stand gekomen en ter zitting is toegelicht dat deze visie waarschijnlijk geen formele status gaat krijgen. Conclusie en gevolgen 7. De rechtbank is alles overziend van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre de objecten monumentale waarde hebben en waarom het algemene belang van bescherming hiervan niet zou opwegen tegen andere betrokken belangen. Derhalve is sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is gegrond. 7.1. Het college heeft het motiveringsgebrek niet in het verweerschrift en niet ter zitting hersteld. Het bestreden besluit kan dus niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank benadrukt ter voorlichting aan partijen dat dit niet betekent dat de aanvraag van de stichting zonder meer moet worden ingewilligd. Het college kan de aanvraag opnieuw afwijzen mits dat toereikend kan worden gemotiveerd. 7.2. De rechtbank zal het college opdragen om het betaalde griffierecht aan de stichting te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de stichting met inachtneming van deze uitspraak; draagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de stichting te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van N.I.W. Smeets, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 griffier rechter De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 april 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Erfgoedverordening 2018 Artikel 5 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aan te wijzen als gemeentelijk monument. […] Artikel 13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, mede deel uitmakend van de monumentale waarde, niet wijzigt, of inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van de monumentale waardenstelling zonder betekenis is. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden: een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Echt-Susteren houdende regels omtrent erfgoed (2018). Toelichting bij artikel 5 van de Erfgoedverordening Echt-Susteren 2018. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:317), 12 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:61) en 19 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2780).