Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-31
ECLI:NL:RBLIM:2026:3974
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
16,261 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3974 text/xml public 2026-04-28T13:29:29 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-31 03.231235.25, 03.222849.23 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3974 text/html public 2026-04-24T08:43:54 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3974 Rechtbank Limburg , 31-03-2026 / 03.231235.25, 03.222849.23 (tul) . RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03.231235.25 Parketnummer : 03.222849.23 (tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 maart 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1991, gedetineerd in [locatie PI] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.N.M. Lousberg, waarnemend voor haar kantoorgenoot, mr. P.W. Szymkowiak, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 17 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De benadeelde partij, [slachtoffer] , is niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: feit 1: brand heeft gesticht waardoor gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was; feit 2: al dan niet samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen, subsidiair openlijk geweld heeft gepleegd jegens [slachtoffer] , meer subsidiair [slachtoffer] heeft mishandeld. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht feit 1 en feit 2 primair bewezen. Ten aanzien van feit 1 heeft zij verwezen naar de aangifte, de bevindingen van de forensische opsporing, de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [slachtoffer] en de camerabeelden. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie de bewezenverklaring gebaseerd op de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige 3] . Hieruit volgt dat de verdachte samen met een ander het slachtoffer tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen en de verdachte daarbij gebruik heeft gemaakt van een hard voorwerp. Het herhaaldelijk slaan met een hard voorwerp tegen het hoofd en lichaam levert een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Deze kans heeft de verdachte op de koop toe genomen. 3.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die de brand heeft aangestoken. Hij heeft weliswaar benzine gesprenkeld tegen de voordeur van de woning aan de [adres 1] , maar heeft hier geen vuur bij gehouden. Er is geen technisch bewijs en er zijn geen camerabeelden of getuigenverklaringen die aan kunnen tonen dat het de verdachte is geweest die de benzine heeft aangestoken. Bovendien was de deur niet gesloten, kon deze door iedereen worden geopend en had de huurbaas al langer last van de bewoner van [adres 1] , genaamd [getuige 2] . De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor feit 2 primair en subsidiair en zich gerefereerd voor wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe betoogd dat het letsel, schrammen en een bult op het hoofd, ook passen bij het slaan met de vlakke hand, zoals de verdachte heeft verklaard. 3.3 Het oordeel van de rechtbank FEIT 1 Bewijsmiddelen Op 19 juli 2025, omstreeks 08.00 uur, werden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gestuurd naar de [adres 1] in Kerkrade in verband met een woningbrand. Aldaar zou er door de meldster, woonachtig op de [adres 2] , een brandalarm gehoord zijn en rookontwikkeling te zien zijn bij de buren. Ter plaatse zagen wij dat een persoon naar buiten kwam lopen. Uit voorzorg, omdat hij toch wat rook ingeademd zou hebben, lieten wij deze persoon, zijnde [getuige 1] controleren door de ambulance. Hij gaf aan dat hij lag te slapen op het moment van de brand en wakker werd door de brandlucht in de woning. Hij is toen zo snel als mogelijk naar beneden gegaan, waarbij hij door de rook en langs de brandende deur moest rennen. Voordat [getuige 1] naar buiten kwam lopen, kwam [getuige 2] aangelopen. Hij was de bewoner van [adres 1] , welke het pand betrof waar de brand was gestart. Hij gaf aan dat hij afgelopen nacht niet hier had geslapen. Uit het onderzoek van de forensische opsporing is het volgende gebleken. Op 19 juli 2025 om 09:40 uur zijn wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (gecertificeerd brandonderzoeker), naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek naar de locatie [adres 1] te Kerkrade gegaan. Op het moment van de brand was de bewoner van kamer [nummer] ( [getuige 1] ) aanwezig. Bij de drempel van de voordeur roken wij de voor ons bekende geur van benzine. Uit het ingestelde onderzoek bleek dat er brand werd gesticht door de dader(s) door op enig moment opzettelijk een ontbrandbare vloeistof en vuur in te brengen waardoor er materiële schade ontstond aan het pand en voornamelijk aan het appartement [adres 1] . Indien deze brand niet tijdig was geblust, was er een ernstige kans geweest voor uitbreiding van de brand. Ten tijde van de brandstichting lag de bewoner van appartement [nummer] (tweede verdieping) te slapen. Gelet op de ligging, de bouwwijze van het pand, de aangrenzende panden, de dichte bebouwing en de aanwezigheid van de bewoner is er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen ontstaan. Gezien het brandverloop en het ontbreken van elektrische en gasaansluitingen in de brandhaard, ging het om een brandstichting. Zeer waarschijnlijk is er een ontbrandbare vloeistof tegen en voor de voordeur gesprenkeld en in brand gestoken. De ontbrandbare vloeistof is waarschijnlijk onder de deur gelopen waardoor de voordeur aan de binnenzijde vlam heeft gevat. Getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard. Ik woon op de [adres 1] . Gisteren hoorde ik van mijn Nederlandse vriend dat een vriend van de zoon van mijn vriendin ruzie had met iemand en die zou het huis van zijn moeder en alles verbranden. Ik ging om 08:00 uur naar huis. Ongeveer in die tijd is de jongen die ik verdenk van de brandstichting naar de woning gegaan en zal in dezelfde tijd de brand zijn aangestoken toen ik richting huis fietste. Die vriend van mijn zoon betreft ene [verdachte] . Dit is de vriend die de bedreiging had geuit richting mijn zoon. Op 2 augustus 2025 zijn wij verbalisanten, [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , langsgegaan bij [getuige 4] , om in gesprek met hem te gaan naar aanleiding van de getuigenverklaring van [getuige 2] . Wij hoorden dat [getuige 4] tegenover ons verklaarde dat een vriend van hem, genaamd [slachtoffer] een mondeling conflict had met [verdachte] en dat hij hierbij aanwezig was. Dit mondeling conflict zou 18 juli 2025 hebben plaatsgevonden. [verdachte] zou hierbij ook [getuige 4] gedreigd hebben om zijn auto in brand te steken of het huis van zijn moeder in brand te steken. Tevens vertelde hij dat [slachtoffer] op 20 juli ook nog door [verdachte] en ene [naam] in elkaar geslagen zou zijn naar aanleiding van dit conflict. Wij hebben met tussenkomst van [getuige 4] telefonisch contact gehad met [slachtoffer] en tijdens dit gesprek vertelde [slachtoffer] hetzelfde verhaal dat door [getuige 4] tegenover was verklaard. Door mij, verbalisant [verbalisant 5] , is er een onderzoek in het politiesysteem gedaan naar de genoemde persoon [verdachte] . Ik zag een registratie waar [verdachte] weggereden zou zijn in een grijze Toyota Avensis, voorzien van het Poolse kenteken [kenteken] . Door het onderzoekteam is een buurtonderzoek ingesteld naar aanleiding van de brandstichting op 19 juli 2025 tussen 07:45 en 07:55 uur op [adres 1] te Kerkrade. Tijdens dit buurtonderzoek zijn er camerabeelden gevorderd en verstrekt van de [adres 3] te Kerkrade.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3974 text/xml public 2026-04-28T13:29:29 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-31 03.231235.25, 03.222849.23 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3974 text/html public 2026-04-24T08:43:54 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3974 Rechtbank Limburg , 31-03-2026 / 03.231235.25, 03.222849.23 (tul) . RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03.231235.25 Parketnummer : 03.222849.23 (tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 maart 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1991, gedetineerd in [locatie PI] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.N.M. Lousberg, waarnemend voor haar kantoorgenoot, mr. P.W. Szymkowiak, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 17 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De benadeelde partij, [slachtoffer] , is niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: feit 1: brand heeft gesticht waardoor gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was; feit 2: al dan niet samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen, subsidiair openlijk geweld heeft gepleegd jegens [slachtoffer] , meer subsidiair [slachtoffer] heeft mishandeld. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht feit 1 en feit 2 primair bewezen. Ten aanzien van feit 1 heeft zij verwezen naar de aangifte, de bevindingen van de forensische opsporing, de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [slachtoffer] en de camerabeelden. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie de bewezenverklaring gebaseerd op de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige 3] . Hieruit volgt dat de verdachte samen met een ander het slachtoffer tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen en de verdachte daarbij gebruik heeft gemaakt van een hard voorwerp. Het herhaaldelijk slaan met een hard voorwerp tegen het hoofd en lichaam levert een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Deze kans heeft de verdachte op de koop toe genomen. 3.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die de brand heeft aangestoken. Hij heeft weliswaar benzine gesprenkeld tegen de voordeur van de woning aan de [adres 1] , maar heeft hier geen vuur bij gehouden. Er is geen technisch bewijs en er zijn geen camerabeelden of getuigenverklaringen die aan kunnen tonen dat het de verdachte is geweest die de benzine heeft aangestoken. Bovendien was de deur niet gesloten, kon deze door iedereen worden geopend en had de huurbaas al langer last van de bewoner van [adres 1] , genaamd [getuige 2] . De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor feit 2 primair en subsidiair en zich gerefereerd voor wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe betoogd dat het letsel, schrammen en een bult op het hoofd, ook passen bij het slaan met de vlakke hand, zoals de verdachte heeft verklaard. 3.3 Het oordeel van de rechtbank FEIT 1 Bewijsmiddelen Op 19 juli 2025, omstreeks 08.00 uur, werden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gestuurd naar de [adres 1] in Kerkrade in verband met een woningbrand. Aldaar zou er door de meldster, woonachtig op de [adres 2] , een brandalarm gehoord zijn en rookontwikkeling te zien zijn bij de buren. Ter plaatse zagen wij dat een persoon naar buiten kwam lopen. Uit voorzorg, omdat hij toch wat rook ingeademd zou hebben, lieten wij deze persoon, zijnde [getuige 1] controleren door de ambulance. Hij gaf aan dat hij lag te slapen op het moment van de brand en wakker werd door de brandlucht in de woning. Hij is toen zo snel als mogelijk naar beneden gegaan, waarbij hij door de rook en langs de brandende deur moest rennen. Voordat [getuige 1] naar buiten kwam lopen, kwam [getuige 2] aangelopen. Hij was de bewoner van [adres 1] , welke het pand betrof waar de brand was gestart. Hij gaf aan dat hij afgelopen nacht niet hier had geslapen. Uit het onderzoek van de forensische opsporing is het volgende gebleken. Op 19 juli 2025 om 09:40 uur zijn wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (gecertificeerd brandonderzoeker), naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek naar de locatie [adres 1] te Kerkrade gegaan. Op het moment van de brand was de bewoner van kamer [nummer] ( [getuige 1] ) aanwezig. Bij de drempel van de voordeur roken wij de voor ons bekende geur van benzine. Uit het ingestelde onderzoek bleek dat er brand werd gesticht door de dader(s) door op enig moment opzettelijk een ontbrandbare vloeistof en vuur in te brengen waardoor er materiële schade ontstond aan het pand en voornamelijk aan het appartement [adres 1] . Indien deze brand niet tijdig was geblust, was er een ernstige kans geweest voor uitbreiding van de brand. Ten tijde van de brandstichting lag de bewoner van appartement [nummer] (tweede verdieping) te slapen. Gelet op de ligging, de bouwwijze van het pand, de aangrenzende panden, de dichte bebouwing en de aanwezigheid van de bewoner is er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen ontstaan. Gezien het brandverloop en het ontbreken van elektrische en gasaansluitingen in de brandhaard, ging het om een brandstichting. Zeer waarschijnlijk is er een ontbrandbare vloeistof tegen en voor de voordeur gesprenkeld en in brand gestoken. De ontbrandbare vloeistof is waarschijnlijk onder de deur gelopen waardoor de voordeur aan de binnenzijde vlam heeft gevat. Getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard. Ik woon op de [adres 1] . Gisteren hoorde ik van mijn Nederlandse vriend dat een vriend van de zoon van mijn vriendin ruzie had met iemand en die zou het huis van zijn moeder en alles verbranden. Ik ging om 08:00 uur naar huis. Ongeveer in die tijd is de jongen die ik verdenk van de brandstichting naar de woning gegaan en zal in dezelfde tijd de brand zijn aangestoken toen ik richting huis fietste. Die vriend van mijn zoon betreft ene [verdachte] . Dit is de vriend die de bedreiging had geuit richting mijn zoon. Op 2 augustus 2025 zijn wij verbalisanten, [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , langsgegaan bij [getuige 4] , om in gesprek met hem te gaan naar aanleiding van de getuigenverklaring van [getuige 2] . Wij hoorden dat [getuige 4] tegenover ons verklaarde dat een vriend van hem, genaamd [slachtoffer] een mondeling conflict had met [verdachte] en dat hij hierbij aanwezig was. Dit mondeling conflict zou 18 juli 2025 hebben plaatsgevonden. [verdachte] zou hierbij ook [getuige 4] gedreigd hebben om zijn auto in brand te steken of het huis van zijn moeder in brand te steken. Tevens vertelde hij dat [slachtoffer] op 20 juli ook nog door [verdachte] en ene [naam] in elkaar geslagen zou zijn naar aanleiding van dit conflict. Wij hebben met tussenkomst van [getuige 4] telefonisch contact gehad met [slachtoffer] en tijdens dit gesprek vertelde [slachtoffer] hetzelfde verhaal dat door [getuige 4] tegenover was verklaard. Door mij, verbalisant [verbalisant 5] , is er een onderzoek in het politiesysteem gedaan naar de genoemde persoon [verdachte] . Ik zag een registratie waar [verdachte] weggereden zou zijn in een grijze Toyota Avensis, voorzien van het Poolse kenteken [kenteken] . Door het onderzoekteam is een buurtonderzoek ingesteld naar aanleiding van de brandstichting op 19 juli 2025 tussen 07:45 en 07:55 uur op [adres 1] te Kerkrade. Tijdens dit buurtonderzoek zijn er camerabeelden gevorderd en verstrekt van de [adres 3] te Kerkrade.
Volledig
Op deze camerabeelden kwam op 19 juli 2025 omstreeks 07:45 uur een voertuig aanrijden uit de richting van de plaats incident. Dit voertuig betrof een grijze station auto, zeer sterk gelijkend op het voertuig dat 20 juli 2025 ook was weggereden. Op de [adres 4] te Kerkrade kwam het eerder genoemde voertuig op 19 juli 2025 omstreeks 07:46 uur vanuit de [straatnaam 1] over de [straatnaam 2] gereden. Op deze camerabeelden was te zien dat het een Pools kenteken betrof, voorzien van de letters [kenteken] . Ik zag dat dit een grijs voertuig betrof van merk Toyota. Ik zag dat dit exact hetzelfde kenteken betrof, dat 20 juli 2025 was weggereden bij een andere incident. Hierbij zou de bestuurder ene [verdachte] zijn geweest. Ik zag dat de bestuurder op de beelden [adres 4] te Kerkrade een vlek in zijn nek had, gelijkend op een tatoeage. Ik zag dat de bestuurder aan de linkerhand ook een vlek had zitten, gelijkend op een tatoeage. Ik heb in de SKDB (Strafrecht Keten Database) gekeken en daar een foto van [verdachte] aangetroffen van 29 augustus 2024. Hierbij zag ik dat hij een tatoeage in zijn nek heeft die gezien de kleur en vorm gelijkenissen vertoont met de vlek in de nek van bestuurder van het voertuig. De verdachte had tijdens zijn aanhouding een telefoon, Samsung Galaxy Al6, in zijn bezit. Door mij, verbalisant [verbalisant 7] , werd de webhistorie op de genoemde telefoon onderzocht. De gebruiker van deze telefoon heeft veelvuldig websites bezocht met betrekking tot de brand in de [adres 1] in Kerkrade in de periode 19 juli en 20 juli 2025. Bewijsoverweging De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de brandmelding bij de politie is binnengekomen omstreeks 8:00 uur. Gelet op het feit dat -zo is uit forensisch onderzoek gebleken- het zeer waarschijnlijk is dat een ontbrandbare vloeistof tegen de toegangsdeur van het appartement ( [adres 1] ) werd gesprenkeld en de bewoner van het appartement [nummer] ( [getuige 1] ), gelegen op de verdieping boven het appartement [adres 1] , brandlucht rook, kan de conclusie niet anders zijn dan dat de brand werd gesticht kort voor 8:00 uur. De verdachte werd gezien rond 7:45 uur, in de onmiddellijke nabijheid van en komend uit de richting van de plaats delict. De verdachte had eerder gedreigd met de brandstichting van de woning van de moeder van [getuige 4] ; de woning waar uiteindelijk brand heeft gewoed. De verdachte heeft kort na de woningbrand veelvuldig verschillende sites bezocht die betrekking hadden op de brand in de [straatnaam 1] . Alle pijlen wijzen aldus in de richting van de verdachte als de dader. Van de verdachte mag dan ook een verklaring worden verwacht die voornoemde redengevende feiten en omstandigheden ontzenuwt. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij enkel benzine heeft gemorst tegen de deur van het betreffende appartement, als een soort bedreiging. Iemand anders moet dan de klus hebben afgemaakt, aldus de verdachte. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk, nu er geen aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van derden als mogelijke dader(s) en het bovendien zo is dat de verdachte, als enige in het procesdossier, deze brandstichting in het vooruitzicht heeft gesteld. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het de verdachte moet zijn geweest die benzine heeft gesprenkeld tegen de deur van [adres 1] en deze vervolgens in brand heeft gestoken. Uit het proces-verbaal forensische opsporing volgt dat door deze brandstichting gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was. De rechtbank acht daarom feit 1 wettig en overtuigend bewezen. FEIT 2 Bewijsmiddelen [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van poging zware mishandeling gepleegd op de [straatnaam 3] in Kerkrade. Hij heeft hierover het volgende verklaard. Op 20 juli 2025 omstreeks 18:30 uur liep ik de [straatnaam 3] in en werd ik ingehaald door een grijskleurige personenauto van het merk Toyota, type Avensis station, welke was voorzien van een Pools kenteken. Ik herkende de bestuurder als zijnde [verdachte] . Korte tijd later kwam de Toyota Avensis voor een tweede keer langs en toen zaten er twee mannen in de auto. Ik zag dat de bestuurder nog steeds [verdachte] betrof. Ik zag dat de Toyota stopte en dat [verdachte] uit het bestuurdersportiers stapte en dat vanaf de bijrijdersplek een man uitstapte die ik ken als zijnde [naam] . Ik zag dat beide mannen met versnelde pas op mij af kwamen gelopen. Ik zag vervolgens dat [verdachte] uit een van zijn broekzakken een korte (ca. 30 cm) ijzeren holle pijp haalde welke hij in zijn rechter hand vasthield. [verdachte] en [naam] stonden snel bij mij en begonnen mij met z'n tweeën te slaan. Ik voelde direct overal hevige pijn van de klappen die ik kreeg. Ik hield mijn beide armen voor mijn gezicht om mij te beschermen. Ik kreeg hierdoor de meeste klappen tegen mijn armen, hoofd en mijn bovenlijf. Ik zag dat beide mannen naar mij sloegen. Ik weet dat [verdachte] de ijzeren pijp vast. Ik zag dat [verdachte] en [naam] vervolgens in de auto stapten en wegreden. Noot verbalisant: door ambulancepersoneel werd vastgesteld dat het slachtoffer meerdere schaafwonden en builen had op voornamelijk armen, hoofd en bovenlijf. Van het letsel van het slachtoffer zijn foto’s gemaakt waarop te zien is dat hij verwondingen heeft aan zijn rechter knie, rechter arm, rechter zij en hoofd (boven zijn linker slaap). Getuige [getuige 3] heeft over het voorval het volgende verklaard. Ik woon op het adres [adres 5] te Kerkrade. Op 20 juli 2025 rond de klok van 18.30 was ik thuis. Ik hoorde lawaai en hulpgeroep buiten op straat. Ik liep naar buiten en zag [slachtoffer] . Ik vernam van hem dat hij zojuist ruzie had gehad met een bekende van hem, te weten een Poolse man. Deze Poolse man was met zijn auto inmiddels weggereden. Ik liep terug naar de flat om hulp te halen. Ik hoorde plotseling dat er een auto met een rotvaart de straat in kwam gereden in onze richting. Ik zag dat de auto abrupt bij [slachtoffer] in de buurt stopte en dat er twee mannen uit de auto stapten. De bestuurder van deze auto bleek wederom die Poolse man te zijn volgens [slachtoffer] . Ik zag dat de bestuurder, die Poolse man, een staaf of iets dergelijks in zijn hand had. Het zou ook een ploertendoder kunnen zijn geweest. Ik zag dat deze Poolse man met deze staaf/stok diverse keren opzettelijk zonder enige aanleiding met kracht hard op [slachtoffer] insloeg en ook hard raakte over zijn hele lichaam en hoofd. Ik zag ook dat die andere man [slachtoffer] met zijn handen en vuisten op het lichaam sloeg. Bewijsoverweging De rechtbank stelt vast dat de verklaring van het slachtoffer steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 3] . Zo heeft het slachtoffer verklaard dat de verdachte en [naam] samen uit de auto stapten, direct op hem af kwamen en dat hij vervolgens door hen is geslagen. De verdachte heeft daarbij volgens het slachtoffer een ijzeren holle pijp gebruikt. [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] door de Poolse man en een ander is geslagen en dat de Poolse man met een staaf/stok of ploertendoder diverse keren opzettelijk zonder enige aanleiding met kracht op [slachtoffer] in heeft geslagen en hem heeft geraakt over zijn hele lichaam en hoofd. De andere man heeft het slachtoffer met handen en vuisten op het lichaam geslagen. Niet alleen in de verklaring van [getuige 3] vindt de verklaring van het slachtoffer steun, ook past het bij de aangever geconstateerde letsel bij de door hem beschreven toedracht. De verklaring van verdachte dat hij hier niet mee heeft geslagen -doch enkel eenmaal met de vlakke hand- volgt de rechtbank gelet op voornoemde bewijsmiddelen dan ook niet. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is welk strafbaar feit dit handelen oplevert. Primair wordt de verdachte verweten het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft blijkens de getuigenverklaring met kracht met een hard voorwerp geslagen op het hoofd – één van de meest kwetsbare delen van het lichaam – en het lichaam van het slachtoffer. Hierdoor bestond een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
Volledig
Op deze camerabeelden kwam op 19 juli 2025 omstreeks 07:45 uur een voertuig aanrijden uit de richting van de plaats incident. Dit voertuig betrof een grijze station auto, zeer sterk gelijkend op het voertuig dat 20 juli 2025 ook was weggereden. Op de [adres 4] te Kerkrade kwam het eerder genoemde voertuig op 19 juli 2025 omstreeks 07:46 uur vanuit de [straatnaam 1] over de [straatnaam 2] gereden. Op deze camerabeelden was te zien dat het een Pools kenteken betrof, voorzien van de letters [kenteken] . Ik zag dat dit een grijs voertuig betrof van merk Toyota. Ik zag dat dit exact hetzelfde kenteken betrof, dat 20 juli 2025 was weggereden bij een andere incident. Hierbij zou de bestuurder ene [verdachte] zijn geweest. Ik zag dat de bestuurder op de beelden [adres 4] te Kerkrade een vlek in zijn nek had, gelijkend op een tatoeage. Ik zag dat de bestuurder aan de linkerhand ook een vlek had zitten, gelijkend op een tatoeage. Ik heb in de SKDB (Strafrecht Keten Database) gekeken en daar een foto van [verdachte] aangetroffen van 29 augustus 2024. Hierbij zag ik dat hij een tatoeage in zijn nek heeft die gezien de kleur en vorm gelijkenissen vertoont met de vlek in de nek van bestuurder van het voertuig. De verdachte had tijdens zijn aanhouding een telefoon, Samsung Galaxy Al6, in zijn bezit. Door mij, verbalisant [verbalisant 7] , werd de webhistorie op de genoemde telefoon onderzocht. De gebruiker van deze telefoon heeft veelvuldig websites bezocht met betrekking tot de brand in de [adres 1] in Kerkrade in de periode 19 juli en 20 juli 2025. Bewijsoverweging De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de brandmelding bij de politie is binnengekomen omstreeks 8:00 uur. Gelet op het feit dat -zo is uit forensisch onderzoek gebleken- het zeer waarschijnlijk is dat een ontbrandbare vloeistof tegen de toegangsdeur van het appartement ( [adres 1] ) werd gesprenkeld en de bewoner van het appartement [nummer] ( [getuige 1] ), gelegen op de verdieping boven het appartement [adres 1] , brandlucht rook, kan de conclusie niet anders zijn dan dat de brand werd gesticht kort voor 8:00 uur. De verdachte werd gezien rond 7:45 uur, in de onmiddellijke nabijheid van en komend uit de richting van de plaats delict. De verdachte had eerder gedreigd met de brandstichting van de woning van de moeder van [getuige 4] ; de woning waar uiteindelijk brand heeft gewoed. De verdachte heeft kort na de woningbrand veelvuldig verschillende sites bezocht die betrekking hadden op de brand in de [straatnaam 1] . Alle pijlen wijzen aldus in de richting van de verdachte als de dader. Van de verdachte mag dan ook een verklaring worden verwacht die voornoemde redengevende feiten en omstandigheden ontzenuwt. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij enkel benzine heeft gemorst tegen de deur van het betreffende appartement, als een soort bedreiging. Iemand anders moet dan de klus hebben afgemaakt, aldus de verdachte. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk, nu er geen aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van derden als mogelijke dader(s) en het bovendien zo is dat de verdachte, als enige in het procesdossier, deze brandstichting in het vooruitzicht heeft gesteld. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het de verdachte moet zijn geweest die benzine heeft gesprenkeld tegen de deur van [adres 1] en deze vervolgens in brand heeft gestoken. Uit het proces-verbaal forensische opsporing volgt dat door deze brandstichting gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was. De rechtbank acht daarom feit 1 wettig en overtuigend bewezen. FEIT 2 Bewijsmiddelen [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van poging zware mishandeling gepleegd op de [straatnaam 3] in Kerkrade. Hij heeft hierover het volgende verklaard. Op 20 juli 2025 omstreeks 18:30 uur liep ik de [straatnaam 3] in en werd ik ingehaald door een grijskleurige personenauto van het merk Toyota, type Avensis station, welke was voorzien van een Pools kenteken. Ik herkende de bestuurder als zijnde [verdachte] . Korte tijd later kwam de Toyota Avensis voor een tweede keer langs en toen zaten er twee mannen in de auto. Ik zag dat de bestuurder nog steeds [verdachte] betrof. Ik zag dat de Toyota stopte en dat [verdachte] uit het bestuurdersportiers stapte en dat vanaf de bijrijdersplek een man uitstapte die ik ken als zijnde [naam] . Ik zag dat beide mannen met versnelde pas op mij af kwamen gelopen. Ik zag vervolgens dat [verdachte] uit een van zijn broekzakken een korte (ca. 30 cm) ijzeren holle pijp haalde welke hij in zijn rechter hand vasthield. [verdachte] en [naam] stonden snel bij mij en begonnen mij met z'n tweeën te slaan. Ik voelde direct overal hevige pijn van de klappen die ik kreeg. Ik hield mijn beide armen voor mijn gezicht om mij te beschermen. Ik kreeg hierdoor de meeste klappen tegen mijn armen, hoofd en mijn bovenlijf. Ik zag dat beide mannen naar mij sloegen. Ik weet dat [verdachte] de ijzeren pijp vast. Ik zag dat [verdachte] en [naam] vervolgens in de auto stapten en wegreden. Noot verbalisant: door ambulancepersoneel werd vastgesteld dat het slachtoffer meerdere schaafwonden en builen had op voornamelijk armen, hoofd en bovenlijf. Van het letsel van het slachtoffer zijn foto’s gemaakt waarop te zien is dat hij verwondingen heeft aan zijn rechter knie, rechter arm, rechter zij en hoofd (boven zijn linker slaap). Getuige [getuige 3] heeft over het voorval het volgende verklaard. Ik woon op het adres [adres 5] te Kerkrade. Op 20 juli 2025 rond de klok van 18.30 was ik thuis. Ik hoorde lawaai en hulpgeroep buiten op straat. Ik liep naar buiten en zag [slachtoffer] . Ik vernam van hem dat hij zojuist ruzie had gehad met een bekende van hem, te weten een Poolse man. Deze Poolse man was met zijn auto inmiddels weggereden. Ik liep terug naar de flat om hulp te halen. Ik hoorde plotseling dat er een auto met een rotvaart de straat in kwam gereden in onze richting. Ik zag dat de auto abrupt bij [slachtoffer] in de buurt stopte en dat er twee mannen uit de auto stapten. De bestuurder van deze auto bleek wederom die Poolse man te zijn volgens [slachtoffer] . Ik zag dat de bestuurder, die Poolse man, een staaf of iets dergelijks in zijn hand had. Het zou ook een ploertendoder kunnen zijn geweest. Ik zag dat deze Poolse man met deze staaf/stok diverse keren opzettelijk zonder enige aanleiding met kracht hard op [slachtoffer] insloeg en ook hard raakte over zijn hele lichaam en hoofd. Ik zag ook dat die andere man [slachtoffer] met zijn handen en vuisten op het lichaam sloeg. Bewijsoverweging De rechtbank stelt vast dat de verklaring van het slachtoffer steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 3] . Zo heeft het slachtoffer verklaard dat de verdachte en [naam] samen uit de auto stapten, direct op hem af kwamen en dat hij vervolgens door hen is geslagen. De verdachte heeft daarbij volgens het slachtoffer een ijzeren holle pijp gebruikt. [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] door de Poolse man en een ander is geslagen en dat de Poolse man met een staaf/stok of ploertendoder diverse keren opzettelijk zonder enige aanleiding met kracht op [slachtoffer] in heeft geslagen en hem heeft geraakt over zijn hele lichaam en hoofd. De andere man heeft het slachtoffer met handen en vuisten op het lichaam geslagen. Niet alleen in de verklaring van [getuige 3] vindt de verklaring van het slachtoffer steun, ook past het bij de aangever geconstateerde letsel bij de door hem beschreven toedracht. De verklaring van verdachte dat hij hier niet mee heeft geslagen -doch enkel eenmaal met de vlakke hand- volgt de rechtbank gelet op voornoemde bewijsmiddelen dan ook niet. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is welk strafbaar feit dit handelen oplevert. Primair wordt de verdachte verweten het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft blijkens de getuigenverklaring met kracht met een hard voorwerp geslagen op het hoofd – één van de meest kwetsbare delen van het lichaam – en het lichaam van het slachtoffer. Hierdoor bestond een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
Volledig
Het hoofd is immers een van de meest kwetsbare delen van het lichaam, zeker in de buurt van de slaap waar het slachtoffer blijkens de foto’s is geraakt. De handelingen van verdachte zijn qua uiterlijke verschijningsvorm zo zeer daarop gericht geweest dat kan worden geconcludeerd dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Er was derhalve sprake van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de aangifte en de getuigenverklaring blijkt dat het een gerichte actie was van de verdachte en zijn mededader. Zij zijn doelbewust naar het slachtoffer toe gereden, zijn uitgestapt en direct op het slachtoffer af gelopen. Vervolgens hebben zij tezamen geweld uitgeoefend jegens het slachtoffer en zijn vervolgens samen weer vertrokken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide mannen gericht op het gezamenlijk voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict, vereist voor het ten laste gelegde medeplegen. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde, het medeplegen van de poging tot zware mishandeling, dan ook wettig en overtuigend bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte feit 1: op 19 juli 2025 te Kerkrade opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met benzine en de deur van het pand aan de [adres 1] - [nummer] te Kerkrade, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten in die kamer aanwezig goederen en/of inboedel en levensgevaar voor een ander, te weten de personen die zich ten tijde van de brand in/in de directe omgeving van voornoemd pand bevonden te duchten was; feit 2 primair: op 20 juli 2025 te Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, met een hard voorwerp, heeft geslagen tegen het gezicht en het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: feit 1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is; feit 2 primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest op te leggen. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brandstichting en het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. De aanleiding voor beide feiten was gelegen in het feit dat de verdachte onenigheid had met [slachtoffer] en [getuige 4] . Kennelijk is de verdachte van mening dat dit de manier is om geschillen te beslechten. Door brand te stichten heeft hij anderen ernstig in gevaar gebracht. Getuige [getuige 1] , wonende in het pand waar de brand werd gesticht, kon maar ternauwernood ontsnappen aan de brand en had rook ingeademd tijdens zijn vlucht naar buiten. Hij mag van geluk spreken dat hij wakker werd van de brandlucht, anders waren de gevolgen veel ernstiger geweest. Bovendien levert een brandstichting niet alleen bij directe slachtoffers angst op, maar zorgt dit ook voor grote gevoelens van onveiligheid in de omgeving. Bij het tweede feit heeft de verdachte, bewapend met een hard voorwerp, samen met iemand anders slachtoffer [slachtoffer] de spreekwoordelijke les gelezen. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat het slachtoffer door beide mannen afgeranseld werd. Het slachtoffer moest het ontgelden omdat hij een conflict had met de verdachte over een meisje. De mentaliteit die de verdachte bij beide feiten laat zien, baart de rechtbank ernstige zorgen. Dit getuigt van een ernstig gebrek aan normbesef. De rechtbank ziet ook niet dat de verdachte zijn les heeft geleerd doordat hij is aangehouden. In het reclasseringsadvies van 3 maart 2026 leest de rechtbank dat de verdachte tijdens de voorlopige hechtenis in de inrichting elf sancties heeft gekregen voor uiteenlopende overtredingen. De reclassering ziet dan ook geen aanleiding voor reclasseringstoezicht of bijzondere voorwaarden. Gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten is, naar het oordeel van de rechtbank, alleen een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Er zijn geen omstandigheden gebleken waar de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening mee zou moeten houden. De rechtbank is van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie gevorderd voldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal de verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest. De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. 7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 5.660,-. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: E-step: € 550,- , horloge: € 750,-, airpods: € 300,-, boodschappen € 60,-, immateriële schade: € 2800,-. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de opgevoerde schade in het geheel niet is onderbouwd. 7.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. De opgevoerde posten zijn niet toegelicht en de benadeelde partij heeft, ondanks inspanningen van de politie daartoe, geen nadere stukken ingediend ter onderbouwing van deze schade. 7.4 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering ten aanzien van de materiële schade onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij ten aanzien van dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Immateriële schade De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt in de volgende gevallen (samengevat) vergoeding van ander nadeel in aanmerking: wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart); ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze; bij aantasting van de nagedachtenis van de overledene. Door de klappen op zijn hoofd en lichaam heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen. Gelet hierop kan aan de benadeelde partij een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend. De rechtbank zal deze immateriële schade, gelet op vergelijkbare jurisprudentie, naar billijkheid vaststellen op € 500,-. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk.
Volledig
Het hoofd is immers een van de meest kwetsbare delen van het lichaam, zeker in de buurt van de slaap waar het slachtoffer blijkens de foto’s is geraakt. De handelingen van verdachte zijn qua uiterlijke verschijningsvorm zo zeer daarop gericht geweest dat kan worden geconcludeerd dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Er was derhalve sprake van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de aangifte en de getuigenverklaring blijkt dat het een gerichte actie was van de verdachte en zijn mededader. Zij zijn doelbewust naar het slachtoffer toe gereden, zijn uitgestapt en direct op het slachtoffer af gelopen. Vervolgens hebben zij tezamen geweld uitgeoefend jegens het slachtoffer en zijn vervolgens samen weer vertrokken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide mannen gericht op het gezamenlijk voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict, vereist voor het ten laste gelegde medeplegen. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde, het medeplegen van de poging tot zware mishandeling, dan ook wettig en overtuigend bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte feit 1: op 19 juli 2025 te Kerkrade opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met benzine en de deur van het pand aan de [adres 1] - [nummer] te Kerkrade, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten in die kamer aanwezig goederen en/of inboedel en levensgevaar voor een ander, te weten de personen die zich ten tijde van de brand in/in de directe omgeving van voornoemd pand bevonden te duchten was; feit 2 primair: op 20 juli 2025 te Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, met een hard voorwerp, heeft geslagen tegen het gezicht en het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: feit 1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is; feit 2 primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest op te leggen. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brandstichting en het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. De aanleiding voor beide feiten was gelegen in het feit dat de verdachte onenigheid had met [slachtoffer] en [getuige 4] . Kennelijk is de verdachte van mening dat dit de manier is om geschillen te beslechten. Door brand te stichten heeft hij anderen ernstig in gevaar gebracht. Getuige [getuige 1] , wonende in het pand waar de brand werd gesticht, kon maar ternauwernood ontsnappen aan de brand en had rook ingeademd tijdens zijn vlucht naar buiten. Hij mag van geluk spreken dat hij wakker werd van de brandlucht, anders waren de gevolgen veel ernstiger geweest. Bovendien levert een brandstichting niet alleen bij directe slachtoffers angst op, maar zorgt dit ook voor grote gevoelens van onveiligheid in de omgeving. Bij het tweede feit heeft de verdachte, bewapend met een hard voorwerp, samen met iemand anders slachtoffer [slachtoffer] de spreekwoordelijke les gelezen. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat het slachtoffer door beide mannen afgeranseld werd. Het slachtoffer moest het ontgelden omdat hij een conflict had met de verdachte over een meisje. De mentaliteit die de verdachte bij beide feiten laat zien, baart de rechtbank ernstige zorgen. Dit getuigt van een ernstig gebrek aan normbesef. De rechtbank ziet ook niet dat de verdachte zijn les heeft geleerd doordat hij is aangehouden. In het reclasseringsadvies van 3 maart 2026 leest de rechtbank dat de verdachte tijdens de voorlopige hechtenis in de inrichting elf sancties heeft gekregen voor uiteenlopende overtredingen. De reclassering ziet dan ook geen aanleiding voor reclasseringstoezicht of bijzondere voorwaarden. Gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten is, naar het oordeel van de rechtbank, alleen een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Er zijn geen omstandigheden gebleken waar de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening mee zou moeten houden. De rechtbank is van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie gevorderd voldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal de verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest. De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. 7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 5.660,-. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: E-step: € 550,- , horloge: € 750,-, airpods: € 300,-, boodschappen € 60,-, immateriële schade: € 2800,-. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de opgevoerde schade in het geheel niet is onderbouwd. 7.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. De opgevoerde posten zijn niet toegelicht en de benadeelde partij heeft, ondanks inspanningen van de politie daartoe, geen nadere stukken ingediend ter onderbouwing van deze schade. 7.4 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering ten aanzien van de materiële schade onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij ten aanzien van dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Immateriële schade De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt in de volgende gevallen (samengevat) vergoeding van ander nadeel in aanmerking: wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart); ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze; bij aantasting van de nagedachtenis van de overledene. Door de klappen op zijn hoofd en lichaam heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen. Gelet hierop kan aan de benadeelde partij een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend. De rechtbank zal deze immateriële schade, gelet op vergelijkbare jurisprudentie, naar billijkheid vaststellen op € 500,-. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk.
Volledig
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het feit waar de vordering betrekking op heeft samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Daarom zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat de verdachte niet meer aan de benadeelde partij of de Staat hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededader aansprakelijk voor deze schade. 8 De vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 15 oktober 2024 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van twee weken. 8.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair de proeftijd te verlengen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op haar plaats is. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht ook geen aanleiding tot een andere beslissing. Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie toewijzen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelasten. 9 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 157 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden ; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 500 ,-, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 500,-. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van vijf dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen; bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen; Beslissing na voorwaardelijke veroordeling - beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Limburg van 15 oktober 2024, gewezen onder parketnummer 03.222849.23, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. dr. W. Kieboom, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 maart 2026. Buiten staat Mr. dr. W. Kieboom is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1 hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Kerkrade opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met benzine, althans een (licht) ontvlambare (vloei)stof en/of de deur van het pand aan de [adres 1] - [nummer] te Kerkrade, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten in die kamer aanwezig goederen en/of inboedel en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de personen die zich ten tijde van de brand in/in de direct omgeving van voornoemd pand bevonden te duchten was; (art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht) 2 hij op of omstreeks 20 juli 2025 te Kerkrade tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een staaf, althans een lang en/of hard voorwerp, heeft geslagen tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 20 juli 2025 te Kerkrade, op de openbare weg aan de [straatnaam 4] en/of de [straatnaam 3] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, slaan van die [slachtoffer] met een staaf, althans een lang en/of hard voorwerp en/of met een vuist, althans een hand, tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam; (art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht) meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 20 juli 2025 te Kerkrade [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, te slaan met een staaf, althans een lang en/of hard voorwerp en/of met een vuist, althans een hand, tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam. (art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht) Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025133088, gesloten d.d. 1 november 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 211. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juli 2025, pagina 4 en 5. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning d.d. 6 augustus 2025, pagina 7 tot en met 9. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 20 juli 2025, pagina 76 tot en met 78. Het proces-verbaal bevindingen, gesprek getuige [getuige 4] . Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 juli 2025, pagina 93 tot en met 96. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 oktober 2025, pagina 154 tot en met 160. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 20 juli 2025, pagina 194 en 195.
Volledig
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het feit waar de vordering betrekking op heeft samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Daarom zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat de verdachte niet meer aan de benadeelde partij of de Staat hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededader aansprakelijk voor deze schade. 8 De vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 15 oktober 2024 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van twee weken. 8.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair de proeftijd te verlengen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op haar plaats is. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht ook geen aanleiding tot een andere beslissing. Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie toewijzen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelasten. 9 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 157 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden ; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 500 ,-, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 500,-. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van vijf dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen; bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen; Beslissing na voorwaardelijke veroordeling - beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Limburg van 15 oktober 2024, gewezen onder parketnummer 03.222849.23, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. dr. W. Kieboom, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 maart 2026. Buiten staat Mr. dr. W. Kieboom is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1 hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Kerkrade opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met benzine, althans een (licht) ontvlambare (vloei)stof en/of de deur van het pand aan de [adres 1] - [nummer] te Kerkrade, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten in die kamer aanwezig goederen en/of inboedel en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de personen die zich ten tijde van de brand in/in de direct omgeving van voornoemd pand bevonden te duchten was; (art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht) 2 hij op of omstreeks 20 juli 2025 te Kerkrade tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een staaf, althans een lang en/of hard voorwerp, heeft geslagen tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 20 juli 2025 te Kerkrade, op de openbare weg aan de [straatnaam 4] en/of de [straatnaam 3] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, slaan van die [slachtoffer] met een staaf, althans een lang en/of hard voorwerp en/of met een vuist, althans een hand, tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam; (art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht) meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 20 juli 2025 te Kerkrade [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, te slaan met een staaf, althans een lang en/of hard voorwerp en/of met een vuist, althans een hand, tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam. (art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht) Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025133088, gesloten d.d. 1 november 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 211. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juli 2025, pagina 4 en 5. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning d.d. 6 augustus 2025, pagina 7 tot en met 9. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 20 juli 2025, pagina 76 tot en met 78. Het proces-verbaal bevindingen, gesprek getuige [getuige 4] . Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 juli 2025, pagina 93 tot en met 96. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 oktober 2025, pagina 154 tot en met 160. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 20 juli 2025, pagina 194 en 195.