Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-15
ECLI:NL:RBLIM:2026:3841
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,611 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3841 text/xml public 2026-05-01T11:42:17 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-15 ROE 26/806 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3841 text/html public 2026-05-01T11:40:17 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3841 Rechtbank Limburg , 15-04-2026 / ROE 26/806 Verzoek om voorlopige voorziening in verband met een alarminstallatie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang. Het verzoek wordt daarom afgewezen. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/806 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam 1] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten , het college (gemachtigde: mr. M. Post). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit [woonplaats] (derde-partij). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het afwijzen van zijn verzoek om handhaving door het college. 1.1. Verzoeker is woonachtig aan de [adres 1] te [plaatsnaam] . Zijn buurman, derde-partij, woont aan de [adres 2] en beschikt over een alarminstallatie aan de buitenkant van zijn woning, naast de woning van verzoeker. Deze installatie gaat volgens verzoeker een aantal keren per jaar af. Verzoeker ervaart hiervan geluidsoverlast en heeft het college om handhaving verzocht. 1.2. Het college heeft het handhavingsverzoek van verzoeker met het besluit van 18 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 heeft het college het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard, maar alsnog besloten om niet handhavend op te treden. Het college is van mening dat weliswaar sprake is geweest van een overtreding, maar dat deze overtreding inmiddels is beëindigd. Het college ziet daarom alsnog af van handhavend optreden. 1.3. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarnaast om een voorlopige voorziening verzocht en de voorzieningenrechter verzocht om het college op te dragen alsnog handhavend op te treden. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en derde-partij, samen met zijn echtgenote. 1.5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Het oordeel van de voorzieningenrechter is voorlopig en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed”, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Het belang van verzoeker is erin gelegen dat hij geen hinder van de installatie ervaart. Die hinder vindt, zo heeft verzoeker ter zitting toegelicht, een aantal maal per jaar plaats. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker niet zodanig groot of spoedeisend is, dat de uitspraak in beroep niet kan worden afgewacht. Daarbij speelt mee dat het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval een heel vergaande maatregel zou zijn. De door verzoeker gewenste voorlopige voorziening zou namelijk inhouden dat de voorzieningenrechter het college de opdracht geeft om handhavend op te treden. Met een andere voorziening zou verzoeker niet geholpen zijn. Dat is voor de voorzieningenrechter een te vergaande maatregel. De voorzieningenrechter begrijpt dat de hinder die verzoeker ervaart de afgelopen jaren gecumuleerd is, maar deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat sprake is van onverwijlde spoed waardoor de behandeling van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarvoor is de door verzoeker ervaren overlast te sporadisch en heeft verzoeker te weinig aangevoerd waarom per direct ingegrepen moet worden. 2.1. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Het bestreden besluit blijft voorlopig in stand. Het college hoeft daarom op dit moment niet handhavend op te treden. Verzoeker krijgt zijn griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat evenmin aanleiding. 3. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026 door mr. M.B.L. van der Weele, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier. griffier De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 21 april 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3841 text/xml public 2026-05-01T11:42:17 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-15 ROE 26/806 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3841 text/html public 2026-05-01T11:40:17 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3841 Rechtbank Limburg , 15-04-2026 / ROE 26/806 Verzoek om voorlopige voorziening in verband met een alarminstallatie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang. Het verzoek wordt daarom afgewezen. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/806 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam 1] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten , het college (gemachtigde: mr. M. Post). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit [woonplaats] (derde-partij). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het afwijzen van zijn verzoek om handhaving door het college. 1.1. Verzoeker is woonachtig aan de [adres 1] te [plaatsnaam] . Zijn buurman, derde-partij, woont aan de [adres 2] en beschikt over een alarminstallatie aan de buitenkant van zijn woning, naast de woning van verzoeker. Deze installatie gaat volgens verzoeker een aantal keren per jaar af. Verzoeker ervaart hiervan geluidsoverlast en heeft het college om handhaving verzocht. 1.2. Het college heeft het handhavingsverzoek van verzoeker met het besluit van 18 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 heeft het college het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard, maar alsnog besloten om niet handhavend op te treden. Het college is van mening dat weliswaar sprake is geweest van een overtreding, maar dat deze overtreding inmiddels is beëindigd. Het college ziet daarom alsnog af van handhavend optreden. 1.3. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarnaast om een voorlopige voorziening verzocht en de voorzieningenrechter verzocht om het college op te dragen alsnog handhavend op te treden. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en derde-partij, samen met zijn echtgenote. 1.5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Het oordeel van de voorzieningenrechter is voorlopig en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed”, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Het belang van verzoeker is erin gelegen dat hij geen hinder van de installatie ervaart. Die hinder vindt, zo heeft verzoeker ter zitting toegelicht, een aantal maal per jaar plaats. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker niet zodanig groot of spoedeisend is, dat de uitspraak in beroep niet kan worden afgewacht. Daarbij speelt mee dat het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval een heel vergaande maatregel zou zijn. De door verzoeker gewenste voorlopige voorziening zou namelijk inhouden dat de voorzieningenrechter het college de opdracht geeft om handhavend op te treden. Met een andere voorziening zou verzoeker niet geholpen zijn. Dat is voor de voorzieningenrechter een te vergaande maatregel. De voorzieningenrechter begrijpt dat de hinder die verzoeker ervaart de afgelopen jaren gecumuleerd is, maar deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat sprake is van onverwijlde spoed waardoor de behandeling van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarvoor is de door verzoeker ervaren overlast te sporadisch en heeft verzoeker te weinig aangevoerd waarom per direct ingegrepen moet worden. 2.1. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Het bestreden besluit blijft voorlopig in stand. Het college hoeft daarom op dit moment niet handhavend op te treden. Verzoeker krijgt zijn griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat evenmin aanleiding. 3. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026 door mr. M.B.L. van der Weele, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier. griffier De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 21 april 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.