Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-29
ECLI:NL:RBLIM:2026:3810
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Bodemzaak
8,103 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3810 text/xml public 2026-05-19T14:04:00 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-29 C/03/341023 / HA ZA 25-167 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3810 text/html public 2026-05-19T14:03:33 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3810 Rechtbank Limburg , 29-04-2026 / C/03/341023 / HA ZA 25-167 De bestuurders van failliet hebben geen goede administratie gevoerd. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn van het faillissement. De bestuurders zijn geslaagd in het ontzenuwen van dit vermoeden. Daarom geen aansprakelijkheid voor het faillissementstekort. De curator heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd om aansprakeijkheid op grond van onbehoorlijke taakvervulling (2:9 BW) aan te nemen . Evenmin is voldoende gesteld en onderbouwd om aansprakelijkheid aan te nemen op grond van schending van de Beklamelnorm en Peeters/Gatzen jurisprudentie RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/341023 / HA ZA 25-167 Vonnis van 29 april 2026 in de zaak van [curator] QQ , in hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiseres] B.V., te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. E.E.V. Sweebe, tegen 1 [gedaagde 1] B.V., te [plaats 2] , advocaat: mr. B.M.M. Hepkema, 2. [gedaagde 2] B.V. , te [plaats 3] , advocaat: mr. P.P.M. Kerckhoffs, 3. [gedaagde 3] B.V. , te [plaats 4] , advocaat: mr. A.P.C. Houben, 4. [gedaagde 4] , te [plaats 2] , advocaat: mr. B.M.M. Hepkema, 5. [gedaagde 5] , te [plaats 3] , advocaat: mr. P.P.M. Kerckhoffs, 6. [gedaagde 6] , te [plaats 5] , advocaat: mr. A.P.C. Houben, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: de bestuurders. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties - de conclusie van antwoord met producties van gedaagden 1 en 4 - de conclusie van antwoord met producties van gedaagden 2 en 5 - de conclusie van antwoord met producties van gedaagden 3 en 6 - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de akte overlegging aanvullende producties van de curator - de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 waarvan aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door de curator spreekaantekeningen zijn overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 28 oktober 2022 is door de gedaagden 1 tot en met 3 een besloten vennootschap opgericht onder de naam [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats 2] - [plaats 3] . Gedaagden 4 tot en met 6 zijn op hun beurt weer de respectievelijke bestuurders van de oprichtende vennootschappen en daarmee indirect bestuurders van [eiseres] . 2.2. In de oprichtingsakte (tevens statuten) van [eiseres] staat op pagina 20 onder de kop 'Slotverklaringen’ onder 5 het volgende: "Het eerste boekjaar van de vennootschap eindigt op eenendertig december tweeduizend drieëntwintig. ” 2.3. [eiseres] B.V. hield zich bezig met goederenvervoer over de weg en het uitvoeren van verhuizingen. 2.4. Op 3 juni 2024 is het faillissement van [eiseres] aangevraagd. Bij vonnis van 18 juni 2024 heeft de rechtbank [eiseres] failliet verklaard. De rechtbank heeft mr. Stegeman tot curator benoemd . 2.5. Op 20 juni 2024 heeft de curator een gesprek gehad met de bestuurders. Bij brief van 20 juni 2024 heeft de curator aan de bestuurders bevestigd wat die dag is besproken. Onderdeel van de gemaakte afspraken is dat de bestuurders de administratieve gegevens op hun laptop op een stick downloaden en aan de curator ter beschikking stellen. Ook is besproken dat de bestuurders actuele en complete overzichten maken van de crediteurenposities, alsook van de debiteurenposities en aan de curator ter beschikking stellen. 2.6. De bestuurders hebben vervolgens in de periode van 21 juni 2024 tot en met 1 juli 2024, al dan niet op (herhaald) verzoek van de curator een actueel crediteurenoverzicht verstrekt en nadere administratieve gegevens verstrekt, waaronder kolommenbalansen over 2022, 2023 en 2025. 3 Het geschil 3.1. De curator vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. ieder van gedaagden hoofdelijk aansprakelijk te achten voor het tekort in het faillissement; II. ieder van gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag gelijk aan het uiteindelijke tekort in het faillissement; III. ieder van gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van een geldbedrag van €250.000,00, zijnde een voorschot op de betaling hiervoor bedoeld onder II, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na betekening van het vonnis; IV. ieder van gedaagden te veroordelen tot betaling aan de curator van een vergoeding voor de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na betekening van het vonnis. 3.2. De bestuurders voeren verweer. De bestuurders concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. In deze procedure staat centraal de vraag of de bestuurders op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van [eiseres] . De curator heeft de door hem gestelde aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur gebaseerd op schending door de bestuurders van a) hun administratieplicht als bedoeld in artikel 2:10, b) de publicatieplicht als bedoeld in artikel 2:394 BW en c) de zogenaamde Beklamel norm door namens [eiseres] verplichtingen aan te gaan waarvan zij wisten of konden weten dat [eiseres] die niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden (6:162 BW). 4.2. De rechtbank is van oordeel dat gezien het door de bestuurders gevoerde verweer, door de curator onvoldoende is gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de bestuurders op één van deze gronden aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen. De publicatieplicht (artikel 2:248 lid 2 in samenhang met 2:394 BW) 4.3. De curator verwijt de bestuurders dat zij niet hebben voldaan aan de verplichtingen zoals vastgelegd in artikel 2:394 BW door de jaarrekening van 2022 noch die van 2023 op te maken, vast te stellen en te publiceren. 4.4. De rechtbank volgt de curator niet in zijn stelling en is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verplichtingen die voorvloeien uit artikel 2:394 BW door de bestuurders niet zijn nageleefd. 4.5. De rechtbank stelt voorop dat artikel 2:394 BW geen verplichting bevat tot het opmaken en vaststellen van de jaarrekening, maar alleen ziet op het (tijdig) publiceren van de al dan niet vastgestelde jaarrekening. Dit betekent dat het enkele gegeven dat op het moment van failliet verklaring van [eiseres] (nog) geen jaarrekening was opgemaakt en/of vastgesteld nog niet automatisch tot gevolg heeft dat de publicatieplicht is geschonden. 4.6. Lid 2 van artikel 2:394 BW bevat regels voor de publicatie van een nog niet vastgestelde jaarrekening. Die publicatieplicht geldt voor jaarrekeningen die niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken voorgeschreven termijn zijn vastgesteld. Op het moment van faillietverklaring was deze termijn nog niet verstreken zodat geen schending heeft plaatsgevonden van de publicatieplicht van een niet vastgestelde jaarrekening. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 4.7. In artikel 2:210 BW is bepaald dat de jaarrekening jaarlijks wordt opgesteld binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar. Op grond van de oprichtingsakte (slotverklaring onder 5) eindigt het eerste boekjaar op 31 december 2023. Dit betekent dat de termijn voor het opstellen van de jaarrekening voor 2022 en 2023 eindigt op 31 mei 2024 (vijf maanden na einde boekjaar).
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3810 text/xml public 2026-05-19T14:04:00 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-29 C/03/341023 / HA ZA 25-167 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3810 text/html public 2026-05-19T14:03:33 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3810 Rechtbank Limburg , 29-04-2026 / C/03/341023 / HA ZA 25-167 De bestuurders van failliet hebben geen goede administratie gevoerd. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn van het faillissement. De bestuurders zijn geslaagd in het ontzenuwen van dit vermoeden. Daarom geen aansprakelijkheid voor het faillissementstekort. De curator heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd om aansprakeijkheid op grond van onbehoorlijke taakvervulling (2:9 BW) aan te nemen . Evenmin is voldoende gesteld en onderbouwd om aansprakelijkheid aan te nemen op grond van schending van de Beklamelnorm en Peeters/Gatzen jurisprudentie RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/341023 / HA ZA 25-167 Vonnis van 29 april 2026 in de zaak van [curator] QQ , in hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiseres] B.V., te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. E.E.V. Sweebe, tegen 1 [gedaagde 1] B.V., te [plaats 2] , advocaat: mr. B.M.M. Hepkema, 2. [gedaagde 2] B.V. , te [plaats 3] , advocaat: mr. P.P.M. Kerckhoffs, 3. [gedaagde 3] B.V. , te [plaats 4] , advocaat: mr. A.P.C. Houben, 4. [gedaagde 4] , te [plaats 2] , advocaat: mr. B.M.M. Hepkema, 5. [gedaagde 5] , te [plaats 3] , advocaat: mr. P.P.M. Kerckhoffs, 6. [gedaagde 6] , te [plaats 5] , advocaat: mr. A.P.C. Houben, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: de bestuurders. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties - de conclusie van antwoord met producties van gedaagden 1 en 4 - de conclusie van antwoord met producties van gedaagden 2 en 5 - de conclusie van antwoord met producties van gedaagden 3 en 6 - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de akte overlegging aanvullende producties van de curator - de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 waarvan aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door de curator spreekaantekeningen zijn overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 28 oktober 2022 is door de gedaagden 1 tot en met 3 een besloten vennootschap opgericht onder de naam [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats 2] - [plaats 3] . Gedaagden 4 tot en met 6 zijn op hun beurt weer de respectievelijke bestuurders van de oprichtende vennootschappen en daarmee indirect bestuurders van [eiseres] . 2.2. In de oprichtingsakte (tevens statuten) van [eiseres] staat op pagina 20 onder de kop 'Slotverklaringen’ onder 5 het volgende: "Het eerste boekjaar van de vennootschap eindigt op eenendertig december tweeduizend drieëntwintig. ” 2.3. [eiseres] B.V. hield zich bezig met goederenvervoer over de weg en het uitvoeren van verhuizingen. 2.4. Op 3 juni 2024 is het faillissement van [eiseres] aangevraagd. Bij vonnis van 18 juni 2024 heeft de rechtbank [eiseres] failliet verklaard. De rechtbank heeft mr. Stegeman tot curator benoemd . 2.5. Op 20 juni 2024 heeft de curator een gesprek gehad met de bestuurders. Bij brief van 20 juni 2024 heeft de curator aan de bestuurders bevestigd wat die dag is besproken. Onderdeel van de gemaakte afspraken is dat de bestuurders de administratieve gegevens op hun laptop op een stick downloaden en aan de curator ter beschikking stellen. Ook is besproken dat de bestuurders actuele en complete overzichten maken van de crediteurenposities, alsook van de debiteurenposities en aan de curator ter beschikking stellen. 2.6. De bestuurders hebben vervolgens in de periode van 21 juni 2024 tot en met 1 juli 2024, al dan niet op (herhaald) verzoek van de curator een actueel crediteurenoverzicht verstrekt en nadere administratieve gegevens verstrekt, waaronder kolommenbalansen over 2022, 2023 en 2025. 3 Het geschil 3.1. De curator vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. ieder van gedaagden hoofdelijk aansprakelijk te achten voor het tekort in het faillissement; II. ieder van gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag gelijk aan het uiteindelijke tekort in het faillissement; III. ieder van gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van een geldbedrag van €250.000,00, zijnde een voorschot op de betaling hiervoor bedoeld onder II, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na betekening van het vonnis; IV. ieder van gedaagden te veroordelen tot betaling aan de curator van een vergoeding voor de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na betekening van het vonnis. 3.2. De bestuurders voeren verweer. De bestuurders concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. In deze procedure staat centraal de vraag of de bestuurders op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van [eiseres] . De curator heeft de door hem gestelde aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur gebaseerd op schending door de bestuurders van a) hun administratieplicht als bedoeld in artikel 2:10, b) de publicatieplicht als bedoeld in artikel 2:394 BW en c) de zogenaamde Beklamel norm door namens [eiseres] verplichtingen aan te gaan waarvan zij wisten of konden weten dat [eiseres] die niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden (6:162 BW). 4.2. De rechtbank is van oordeel dat gezien het door de bestuurders gevoerde verweer, door de curator onvoldoende is gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de bestuurders op één van deze gronden aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen. De publicatieplicht (artikel 2:248 lid 2 in samenhang met 2:394 BW) 4.3. De curator verwijt de bestuurders dat zij niet hebben voldaan aan de verplichtingen zoals vastgelegd in artikel 2:394 BW door de jaarrekening van 2022 noch die van 2023 op te maken, vast te stellen en te publiceren. 4.4. De rechtbank volgt de curator niet in zijn stelling en is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verplichtingen die voorvloeien uit artikel 2:394 BW door de bestuurders niet zijn nageleefd. 4.5. De rechtbank stelt voorop dat artikel 2:394 BW geen verplichting bevat tot het opmaken en vaststellen van de jaarrekening, maar alleen ziet op het (tijdig) publiceren van de al dan niet vastgestelde jaarrekening. Dit betekent dat het enkele gegeven dat op het moment van failliet verklaring van [eiseres] (nog) geen jaarrekening was opgemaakt en/of vastgesteld nog niet automatisch tot gevolg heeft dat de publicatieplicht is geschonden. 4.6. Lid 2 van artikel 2:394 BW bevat regels voor de publicatie van een nog niet vastgestelde jaarrekening. Die publicatieplicht geldt voor jaarrekeningen die niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken voorgeschreven termijn zijn vastgesteld. Op het moment van faillietverklaring was deze termijn nog niet verstreken zodat geen schending heeft plaatsgevonden van de publicatieplicht van een niet vastgestelde jaarrekening. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 4.7. In artikel 2:210 BW is bepaald dat de jaarrekening jaarlijks wordt opgesteld binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar. Op grond van de oprichtingsakte (slotverklaring onder 5) eindigt het eerste boekjaar op 31 december 2023. Dit betekent dat de termijn voor het opstellen van de jaarrekening voor 2022 en 2023 eindigt op 31 mei 2024 (vijf maanden na einde boekjaar).
Volledig
Vervolgens loopt een termijn van twee maanden, dus tot 31 augustus 2024, waarna de niet vastgestelde jaarrekening moet worden gepubliceerd. Deze datum ligt echter ruim na de failliet verklaring op 20 juni 2024. Op het moment van faillietverklaring was de publicatieverplichting dus nog niet geschonden. De administratie (artikel 2:248 lid 2 in samenhang met 2:10 BW) 4.8. Op grond van artikel 2:10 BW moet het bestuur van een rechtspersoon (in dit geval van [eiseres] BV) zorgen voor een boekhouding waaruit steeds een goed beeld kan worden verkregen van de vermogenspositie van de onderneming. Op grond van vaste rechtspraak moet de boekhouding kort gezegd steeds een voldoende inzicht geven in de schulden en vorderingen van de onderneming en ook welke middelen de onderneming heeft om aan haar (lopende en toekomstige) verplichtingen te voldoen. Het gaat erom dat het bestuur op verantwoordelijke wijze beslissingen kan nemen op basis van betrouwbare informatie over de financiële positie van de vennootschap en dat uit die informatie, ook voor een faillissementscurator, een eenduidig en getrouw beeld volgt van de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon . 4.9. De rechtbank stelt vast dat de bestuurders de curator niet op eerste verzoek alle administratie (boekhouding en onderliggende stukken) hebben verstrekt. Ook gedurende deze procedure hebben bestuurders nog administratieve bescheiden overgelegd. 4.10. Met de curator is de rechtbank van oordeel dat de door de bestuurders gevoerde boekhouding niet op orde is. De door de curator in de dagvaarding genoemde fouten in de boekhouding zijn door de bestuurders niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zo is het in de boeken genoemde banktegoed van € 5.000,-- niet aangetroffen, is de post handelscrediteuren te laag, net als de in de kolommenbalans vermelde belastingschuld (omzetbelastingen en loonbelasting). Ook ontbreken diverse noodzakelijke onderliggende stukken bij bepaalde posten Hierdoor geeft de boekhouding geen betrouwbaar inzicht in de vermogenspositie van de vennootschap. 4.11. De bestuurders hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [eiseres] de boekhouding zelf bijhield in een boekhoudprogramma en dat de boekhouder van [eiseres] alleen de loonadministratie deed. Het was volgens de bestuurders de bedoeling dat de boekhouder de jaarrekening te zijner tijd zou opstellen aan de hand van de gegevens die [eiseres] bijhield maar zo ver is het nooit gekomen. 4.12. De onervarenheid van [eiseres] met het boekhouden en het voornemen om de jaarrekening van [eiseres] te laten verzorgen door een boekhouder neemt echter niet weg dat het bestuur de wettelijke plicht heeft om de boekhouding van de onderneming zodanig op orde te hebben dat hieruit steeds een voldoende inzicht wordt verkregen hoe het bedrijf er financieel voor staat. Dit was bij [eiseres] BV niet het geval. 4.13. Het niet vervullen van de plicht uit artikel 2:10 BW heeft tot gevolg dat sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. In geval van faillissement zoals hier aan de orde, wordt dan vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement en zijn de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort. Volgens vaste rechtspraak brengt een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW mee dat voor het ontzenuwen van dit vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. 4.14. De rechtbank is van oordeel dat de bestuurders zijn geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden. Zij hebben onderbouwd gesteld dat het faillissement met name is veroorzaakt door externe factoren. Door overlegging van delen van het rapport van [bedrijf] “Kostenontwikkelingen in het wegvervoer” en het rapport “Branches in Zicht” hebben de bestuurders aannemelijk gemaakt dat bij het opstarten van het transportbedrijf eind 2022/begin 2023, de markt goede kansen leek te bieden, maar dat gaandeweg de marktomstandigheden juist verslechterden. De bestuurders hebben toegelicht dat zij bij opstarten nog weinig eigen klanten hadden en voor hun omzet afhankelijk waren van opdrachten van grote transportbedrijven waarmee vaste prijsafspraken waren gemaakt. De marges van transportopdrachten kwamen echter al vrij snel onder druk te staan doordat de brandstofprijzen enorm sterk waren gestegen en de personeelskosten waren toegenomen door stijgende CAO-lonen en een tekort aan chauffeurs. Juist vanwege de contracten met vaste prijsafspraken was het voor [eiseres] niet mogelijk om deze gestegen kosten (volledig) door te berekenen. Doordat daarnaast onvoorziene reparatiekosten aan het rollend materieel optraden en facturen onbetaald bleven heeft het bedrijf het uiteindelijk niet gered ondanks pogingen om onbetaalde rekeningen te innen en afspraken te maken met de schuldeisers. Onbehoorlijke taakvervulling / onrechtmatig handelen (artikel 2:9 BW/ artikel 6:162 BW) 4.15. De curator verwijt de bestuurders dat zij roekeloos en onnadenkend hebben gehandeld en daarmee de crediteuren van [eiseres] hebben benadeeld. De bestuurders zijn volgens de curator jegens [eiseres] aansprakelijk op grond van onbehoorlijke taakvervulling als bestuurders en op grond van de zogenaamde Beklamel en Peeters/Gatzen jurisprudentie tegenover de gezamenlijke schuldeisers op grond van onrechtmatige daad. Omdat de curator voor beide grondslagen van aansprakelijkheid een beroep doet op dezelfde feiten en omstandigheden en de aansprakelijkheidsvormen elkaar (grotendeels) overlappen zal de rechtbank deze grondslagen gelijktijdig bespreken. 4.16. De curator heeft, gelet op het door de bestuurders gevoerde verweer, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de bestuurders een (persoonlijk) ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onverhaalbaar blijven van een aantal betalingsverplichtingen van [eiseres] . De rechtbank zal dit oordeel bespreken aan de hand van de door de curator aan de bestuurders gemaakte verwijten. 4.17. De rechtbank stelt voorop dat de curator heeft nagelaten om aan te geven welke concrete handelingen, of welk concreet nalaten te handelen aan de bestuurders wordt verweten als zijnde een onbehoorlijke taakvervulling. De curator heeft slechts in zijn algemeenheid gezegd dat de bestuurders te lang zijn doorgegaan met het aangaan van verplichtingen voor een niet levensvatbaar bedrijf. De bestuurders hadden volgens de curator veel eerder moeten stoppen met het bedrijf omdat het al van het begin van de exploitatie niet goed ging. 4.18. De bestuurders hebben, zoals hiervoor bij onder overweging 4.14 ook is overwogen, aangevoerd dat zij de onderneming pas eind 2022 zijn gestart met de verwachting dat de transportsector weer zou gaan herstellen van de slechte omstandigheden in de corona-periode. Ze hebben daarvoor verwezen naar het eerder aangehaalde rapport Branches in zicht 2023. Ze hebben toegelicht dat eind 2022 eerst opdrachten zijn verworven en slechts incidenteel verhuizingen zijn verzorgd om vervolgens in het tweede kwartaal van 2023 pas met meer vrachtwagens voor goederenvervoer te gaan werken. De vrachtwagens waren via [gedaagde 3] geleased. Uit de door de bestuurders overgelegde cijfers blijkt dat de omzet van [eiseres] pas in het tweede kwartaal van 2023 begon te stijgen. Daaruit blijkt ook dat met name door oplopende kosten door een sterk stijgende dieselprijs en gestegen loonkosten, het resultaat ernstig onder druk kwam te staan. De bestuurders hebben onweersproken gesteld dat zij vanwege de hogere kosten stappen hebben ondernomen om van de vaste opdrachtgevers een hogere prijs te krijgen voor de transporten maar dat dit niet is gelukt. Verder hebben de bestuurders afspraken gemaakt met schuldeisers waaronder de belastingdienst, zijn ze op zoek gegaan naar nieuwe opdrachtgevers en hebben ze gepoogd debiteuren te innen. Met [crediteur] BV is het niet gelukt om een betalingsregeling te treffen en deze crediteur heeft uiteindelijk het faillissement aangevraagd. 4.19.
Volledig
Vervolgens loopt een termijn van twee maanden, dus tot 31 augustus 2024, waarna de niet vastgestelde jaarrekening moet worden gepubliceerd. Deze datum ligt echter ruim na de failliet verklaring op 20 juni 2024. Op het moment van faillietverklaring was de publicatieverplichting dus nog niet geschonden. De administratie (artikel 2:248 lid 2 in samenhang met 2:10 BW) 4.8. Op grond van artikel 2:10 BW moet het bestuur van een rechtspersoon (in dit geval van [eiseres] BV) zorgen voor een boekhouding waaruit steeds een goed beeld kan worden verkregen van de vermogenspositie van de onderneming. Op grond van vaste rechtspraak moet de boekhouding kort gezegd steeds een voldoende inzicht geven in de schulden en vorderingen van de onderneming en ook welke middelen de onderneming heeft om aan haar (lopende en toekomstige) verplichtingen te voldoen. Het gaat erom dat het bestuur op verantwoordelijke wijze beslissingen kan nemen op basis van betrouwbare informatie over de financiële positie van de vennootschap en dat uit die informatie, ook voor een faillissementscurator, een eenduidig en getrouw beeld volgt van de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon . 4.9. De rechtbank stelt vast dat de bestuurders de curator niet op eerste verzoek alle administratie (boekhouding en onderliggende stukken) hebben verstrekt. Ook gedurende deze procedure hebben bestuurders nog administratieve bescheiden overgelegd. 4.10. Met de curator is de rechtbank van oordeel dat de door de bestuurders gevoerde boekhouding niet op orde is. De door de curator in de dagvaarding genoemde fouten in de boekhouding zijn door de bestuurders niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zo is het in de boeken genoemde banktegoed van € 5.000,-- niet aangetroffen, is de post handelscrediteuren te laag, net als de in de kolommenbalans vermelde belastingschuld (omzetbelastingen en loonbelasting). Ook ontbreken diverse noodzakelijke onderliggende stukken bij bepaalde posten Hierdoor geeft de boekhouding geen betrouwbaar inzicht in de vermogenspositie van de vennootschap. 4.11. De bestuurders hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [eiseres] de boekhouding zelf bijhield in een boekhoudprogramma en dat de boekhouder van [eiseres] alleen de loonadministratie deed. Het was volgens de bestuurders de bedoeling dat de boekhouder de jaarrekening te zijner tijd zou opstellen aan de hand van de gegevens die [eiseres] bijhield maar zo ver is het nooit gekomen. 4.12. De onervarenheid van [eiseres] met het boekhouden en het voornemen om de jaarrekening van [eiseres] te laten verzorgen door een boekhouder neemt echter niet weg dat het bestuur de wettelijke plicht heeft om de boekhouding van de onderneming zodanig op orde te hebben dat hieruit steeds een voldoende inzicht wordt verkregen hoe het bedrijf er financieel voor staat. Dit was bij [eiseres] BV niet het geval. 4.13. Het niet vervullen van de plicht uit artikel 2:10 BW heeft tot gevolg dat sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. In geval van faillissement zoals hier aan de orde, wordt dan vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement en zijn de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort. Volgens vaste rechtspraak brengt een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW mee dat voor het ontzenuwen van dit vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. 4.14. De rechtbank is van oordeel dat de bestuurders zijn geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden. Zij hebben onderbouwd gesteld dat het faillissement met name is veroorzaakt door externe factoren. Door overlegging van delen van het rapport van [bedrijf] “Kostenontwikkelingen in het wegvervoer” en het rapport “Branches in Zicht” hebben de bestuurders aannemelijk gemaakt dat bij het opstarten van het transportbedrijf eind 2022/begin 2023, de markt goede kansen leek te bieden, maar dat gaandeweg de marktomstandigheden juist verslechterden. De bestuurders hebben toegelicht dat zij bij opstarten nog weinig eigen klanten hadden en voor hun omzet afhankelijk waren van opdrachten van grote transportbedrijven waarmee vaste prijsafspraken waren gemaakt. De marges van transportopdrachten kwamen echter al vrij snel onder druk te staan doordat de brandstofprijzen enorm sterk waren gestegen en de personeelskosten waren toegenomen door stijgende CAO-lonen en een tekort aan chauffeurs. Juist vanwege de contracten met vaste prijsafspraken was het voor [eiseres] niet mogelijk om deze gestegen kosten (volledig) door te berekenen. Doordat daarnaast onvoorziene reparatiekosten aan het rollend materieel optraden en facturen onbetaald bleven heeft het bedrijf het uiteindelijk niet gered ondanks pogingen om onbetaalde rekeningen te innen en afspraken te maken met de schuldeisers. Onbehoorlijke taakvervulling / onrechtmatig handelen (artikel 2:9 BW/ artikel 6:162 BW) 4.15. De curator verwijt de bestuurders dat zij roekeloos en onnadenkend hebben gehandeld en daarmee de crediteuren van [eiseres] hebben benadeeld. De bestuurders zijn volgens de curator jegens [eiseres] aansprakelijk op grond van onbehoorlijke taakvervulling als bestuurders en op grond van de zogenaamde Beklamel en Peeters/Gatzen jurisprudentie tegenover de gezamenlijke schuldeisers op grond van onrechtmatige daad. Omdat de curator voor beide grondslagen van aansprakelijkheid een beroep doet op dezelfde feiten en omstandigheden en de aansprakelijkheidsvormen elkaar (grotendeels) overlappen zal de rechtbank deze grondslagen gelijktijdig bespreken. 4.16. De curator heeft, gelet op het door de bestuurders gevoerde verweer, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de bestuurders een (persoonlijk) ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onverhaalbaar blijven van een aantal betalingsverplichtingen van [eiseres] . De rechtbank zal dit oordeel bespreken aan de hand van de door de curator aan de bestuurders gemaakte verwijten. 4.17. De rechtbank stelt voorop dat de curator heeft nagelaten om aan te geven welke concrete handelingen, of welk concreet nalaten te handelen aan de bestuurders wordt verweten als zijnde een onbehoorlijke taakvervulling. De curator heeft slechts in zijn algemeenheid gezegd dat de bestuurders te lang zijn doorgegaan met het aangaan van verplichtingen voor een niet levensvatbaar bedrijf. De bestuurders hadden volgens de curator veel eerder moeten stoppen met het bedrijf omdat het al van het begin van de exploitatie niet goed ging. 4.18. De bestuurders hebben, zoals hiervoor bij onder overweging 4.14 ook is overwogen, aangevoerd dat zij de onderneming pas eind 2022 zijn gestart met de verwachting dat de transportsector weer zou gaan herstellen van de slechte omstandigheden in de corona-periode. Ze hebben daarvoor verwezen naar het eerder aangehaalde rapport Branches in zicht 2023. Ze hebben toegelicht dat eind 2022 eerst opdrachten zijn verworven en slechts incidenteel verhuizingen zijn verzorgd om vervolgens in het tweede kwartaal van 2023 pas met meer vrachtwagens voor goederenvervoer te gaan werken. De vrachtwagens waren via [gedaagde 3] geleased. Uit de door de bestuurders overgelegde cijfers blijkt dat de omzet van [eiseres] pas in het tweede kwartaal van 2023 begon te stijgen. Daaruit blijkt ook dat met name door oplopende kosten door een sterk stijgende dieselprijs en gestegen loonkosten, het resultaat ernstig onder druk kwam te staan. De bestuurders hebben onweersproken gesteld dat zij vanwege de hogere kosten stappen hebben ondernomen om van de vaste opdrachtgevers een hogere prijs te krijgen voor de transporten maar dat dit niet is gelukt. Verder hebben de bestuurders afspraken gemaakt met schuldeisers waaronder de belastingdienst, zijn ze op zoek gegaan naar nieuwe opdrachtgevers en hebben ze gepoogd debiteuren te innen. Met [crediteur] BV is het niet gelukt om een betalingsregeling te treffen en deze crediteur heeft uiteindelijk het faillissement aangevraagd. 4.19.