Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-20
ECLI:NL:RBLIM:2026:3750
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,068 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3750 text/xml public 2026-05-01T11:27:17 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-20 ROE 26/687 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3750 text/html public 2026-05-01T11:25:04 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3750 Rechtbank Limburg , 20-04-2026 / ROE 26/687 Voorlopige voorziening hangende bezwaar. Verzoek toegewezen. Weigering van de burgemeester om terug te komen van een in rechte onaantastbare besluit tot woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Belangenafweging dient in het voordeel van verzoeker uit te vallen. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/687 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 in de zaak tussen [naam] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. O.D. Nijenhuis), en de burgemeester van de gemeente Leudal (gemachtigde: V.M.A. Routheut). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van het herzieningsverzoek van verzoeker betreffende het besluit uit 2025 over de sluiting van zijn woning op grond van de Opiumwet. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Als verzoeker het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoeker daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu. Procesverloop 2. De burgemeester het herzieningsverzoek van verzoeker met het besluit van 18 maart 2026 afgewezen. 2.1. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek heropend. Hierna heeft verzoeker desgevraagd stukken ingediend. Hierna heeft de voorzieningenrechter het onderzoek weer gesloten. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoeker is samen met zijn partner eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] . Zij woonden daar met hun drie minderjarige kinderen. Op 16 juni 2025 is in de woning van verzoeker een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen en is bij besluit van 16 juli 2025 aangezegd de woning voor twaalf maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. 4. Aan de woningsluiting voor de duur van twaalf maanden heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat op 16 juni 2025 872 hennepplanten in de woning van verzoeker zijn aangetroffen. Eerder die dag was verzoeker aangehouden, nadat twee kilogram hennep in zijn auto was aangetroffen. Ook op 14 juli 2022 heeft de burgemeester de woning van verzoeker gesloten vanwege het aantreffen van een hennepkwekerij. Omdat binnen drie jaar een tweede overtreding werd geconstateerd, is een woningsluiting voor de duur van twaalf maanden noodzakelijk. 5. Verzoeker heeft op 27 februari 2026 de burgemeester verzocht om herziening van het besluit van 16 juli 2025. De burgemeester heeft met het besluit van 18 maart 2026 het verzoek van verzoeker tot herziening afgewezen. Volgens de burgemeester is wel sprake van nieuwe omstandigheden. Maar volgens de burgemeester leiden deze nieuwe omstandigheden niet tot het oordeel dat het voortduren van de sluiting onevenredig is. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker beoogt opheffing van de woningsluiting. Spoedeisend belang 6. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de rechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 6.1. De voorzieningenrechter is van oordeel het spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker aanwezig is. De gezondheid van de minderjarige kinderen van verzoeker is immers in het gedrang. In het bijzonder geldt dat de gezondheidstoestand van de middelste dochter in de afgelopen periode aanzienlijk is verslechterd. Zij is recentelijk meerdere malen opgenomen in het ziekenhuis, hetgeen de ernst en urgentie van de situatie benadrukt. Gelet op deze omstandigheden kan van verzoeker niet worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De burgemeester heeft het spoedeisend belang ook niet bestreden. Had de burgmeester het herzieningsverzoek van verzoeker mogen afwijzen? 7. Bij een herzieningsverzoek kan de voorzieningenrechter niet zomaar de hele inhoud van een zaak opnieuw beoordelen. Als er nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat anders naar het besluit van toen moet worden gekeken kan een besluit worden herzien. Het gaat hier om feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom moesten worden aangevoerd, en bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het eerdere besluit konden en daarom moesten worden overlegd. 8. Verzoeker heeft aangevoerd dat het belang van de kinderen voorop zou moeten staan en dat de burgemeester hierin aanleiding moet zien om de woning niet langer gesloten te houden. Met name de gezondheidssituatie van zijn middelste dochter is erg achteruit gegaan, maar ook de andere twee kinderen lijden door de situatie. Zijn gezin beschikt weliswaar over een plek om te wonen, waarvoor ze geen huur hoeven betalen, maar de leefomstandigheden in deze woning zijn onder de maat. Deze woning beschikt niet over een deugdelijke verwarmingsinstallatie waardoor het gezin is blootgesteld aan structurele kou en vochtproblematiek, met als gevolg schimmelvorming. De woningsluiting heeft onevenredig grote gevolgen voor de kinderen, doordat zij het risico lopen op een uithuisplaatsing. Daarnaast heeft de oudste dochter van school moeten wisselen. Het is voor verzoeker onmogelijk om een betaalbare koop- of huurwoning te verkrijgen. 9. De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester de door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken. Het gaat hier om het feit dat het gezin van verzoeker onder slechte en onzekere woonomstandigheden verblijven, dat een van de minderjarige kinderen meerdere malen is opgenomen in het ziekenhuis, dat er sprake is van een risico op uithuisplaatsing en dat de oudste dochter van basisschool heeft moeten wisselen. De burgemeester heeft ter zitting evenwel toegelicht dat deze nieuwe feiten niet zodanig zijn dat zij aanleiding geven om, in het kader van een belangenafweging, de duur van de sluiting te verkorten. Volgens de burgemeester staat niet vast dat de ziekenhuisopnames rechtstreeks verband houden met de sluiting of de huidige woonomstandigheden. Ook zijn er geen aanwijzingen waaruit blijkt dat sprake is van een dreigende uithuisplaatsing. Het belang van de openbare orde dient zwaarder te wegen. Het is voor de burgemeester duidelijk dat er een crimineel netwerk zit achter de hennepkwekerijen die in de woning zijn aangetroffen. 10. De voorzieningenrechter onderkent het gewicht van het belang van de openbare orde. De bescherming van de openbare orde vormde de grondslag voor het destijds genomen besluit tot sluiting van de woning, en rechtvaardigde ook de daarbij vastgestelde duur, temeer nu sprake is van recidive en een ernstig geval. Niettemin overweegt de voorzieningenrechter dat de woning thans reeds gedurende negen maanden is gesloten. Dat is een sluiting van een substantiële duur. 11.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3750 text/xml public 2026-05-01T11:27:17 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-20 ROE 26/687 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3750 text/html public 2026-05-01T11:25:04 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3750 Rechtbank Limburg , 20-04-2026 / ROE 26/687 Voorlopige voorziening hangende bezwaar. Verzoek toegewezen. Weigering van de burgemeester om terug te komen van een in rechte onaantastbare besluit tot woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Belangenafweging dient in het voordeel van verzoeker uit te vallen. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/687 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 in de zaak tussen [naam] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. O.D. Nijenhuis), en de burgemeester van de gemeente Leudal (gemachtigde: V.M.A. Routheut). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van het herzieningsverzoek van verzoeker betreffende het besluit uit 2025 over de sluiting van zijn woning op grond van de Opiumwet. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Als verzoeker het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoeker daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu. Procesverloop 2. De burgemeester het herzieningsverzoek van verzoeker met het besluit van 18 maart 2026 afgewezen. 2.1. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek heropend. Hierna heeft verzoeker desgevraagd stukken ingediend. Hierna heeft de voorzieningenrechter het onderzoek weer gesloten. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoeker is samen met zijn partner eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] . Zij woonden daar met hun drie minderjarige kinderen. Op 16 juni 2025 is in de woning van verzoeker een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen en is bij besluit van 16 juli 2025 aangezegd de woning voor twaalf maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. 4. Aan de woningsluiting voor de duur van twaalf maanden heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat op 16 juni 2025 872 hennepplanten in de woning van verzoeker zijn aangetroffen. Eerder die dag was verzoeker aangehouden, nadat twee kilogram hennep in zijn auto was aangetroffen. Ook op 14 juli 2022 heeft de burgemeester de woning van verzoeker gesloten vanwege het aantreffen van een hennepkwekerij. Omdat binnen drie jaar een tweede overtreding werd geconstateerd, is een woningsluiting voor de duur van twaalf maanden noodzakelijk. 5. Verzoeker heeft op 27 februari 2026 de burgemeester verzocht om herziening van het besluit van 16 juli 2025. De burgemeester heeft met het besluit van 18 maart 2026 het verzoek van verzoeker tot herziening afgewezen. Volgens de burgemeester is wel sprake van nieuwe omstandigheden. Maar volgens de burgemeester leiden deze nieuwe omstandigheden niet tot het oordeel dat het voortduren van de sluiting onevenredig is. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker beoogt opheffing van de woningsluiting. Spoedeisend belang 6. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de rechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 6.1. De voorzieningenrechter is van oordeel het spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker aanwezig is. De gezondheid van de minderjarige kinderen van verzoeker is immers in het gedrang. In het bijzonder geldt dat de gezondheidstoestand van de middelste dochter in de afgelopen periode aanzienlijk is verslechterd. Zij is recentelijk meerdere malen opgenomen in het ziekenhuis, hetgeen de ernst en urgentie van de situatie benadrukt. Gelet op deze omstandigheden kan van verzoeker niet worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De burgemeester heeft het spoedeisend belang ook niet bestreden. Had de burgmeester het herzieningsverzoek van verzoeker mogen afwijzen? 7. Bij een herzieningsverzoek kan de voorzieningenrechter niet zomaar de hele inhoud van een zaak opnieuw beoordelen. Als er nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat anders naar het besluit van toen moet worden gekeken kan een besluit worden herzien. Het gaat hier om feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom moesten worden aangevoerd, en bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het eerdere besluit konden en daarom moesten worden overlegd. 8. Verzoeker heeft aangevoerd dat het belang van de kinderen voorop zou moeten staan en dat de burgemeester hierin aanleiding moet zien om de woning niet langer gesloten te houden. Met name de gezondheidssituatie van zijn middelste dochter is erg achteruit gegaan, maar ook de andere twee kinderen lijden door de situatie. Zijn gezin beschikt weliswaar over een plek om te wonen, waarvoor ze geen huur hoeven betalen, maar de leefomstandigheden in deze woning zijn onder de maat. Deze woning beschikt niet over een deugdelijke verwarmingsinstallatie waardoor het gezin is blootgesteld aan structurele kou en vochtproblematiek, met als gevolg schimmelvorming. De woningsluiting heeft onevenredig grote gevolgen voor de kinderen, doordat zij het risico lopen op een uithuisplaatsing. Daarnaast heeft de oudste dochter van school moeten wisselen. Het is voor verzoeker onmogelijk om een betaalbare koop- of huurwoning te verkrijgen. 9. De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester de door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken. Het gaat hier om het feit dat het gezin van verzoeker onder slechte en onzekere woonomstandigheden verblijven, dat een van de minderjarige kinderen meerdere malen is opgenomen in het ziekenhuis, dat er sprake is van een risico op uithuisplaatsing en dat de oudste dochter van basisschool heeft moeten wisselen. De burgemeester heeft ter zitting evenwel toegelicht dat deze nieuwe feiten niet zodanig zijn dat zij aanleiding geven om, in het kader van een belangenafweging, de duur van de sluiting te verkorten. Volgens de burgemeester staat niet vast dat de ziekenhuisopnames rechtstreeks verband houden met de sluiting of de huidige woonomstandigheden. Ook zijn er geen aanwijzingen waaruit blijkt dat sprake is van een dreigende uithuisplaatsing. Het belang van de openbare orde dient zwaarder te wegen. Het is voor de burgemeester duidelijk dat er een crimineel netwerk zit achter de hennepkwekerijen die in de woning zijn aangetroffen. 10. De voorzieningenrechter onderkent het gewicht van het belang van de openbare orde. De bescherming van de openbare orde vormde de grondslag voor het destijds genomen besluit tot sluiting van de woning, en rechtvaardigde ook de daarbij vastgestelde duur, temeer nu sprake is van recidive en een ernstig geval. Niettemin overweegt de voorzieningenrechter dat de woning thans reeds gedurende negen maanden is gesloten. Dat is een sluiting van een substantiële duur. 11.