Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-22
ECLI:NL:RBLIM:2026:3742
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,029 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3742 text/xml public 2026-05-15T13:02:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-22 C/03/333909 / HA ZA 24-370 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3742 text/html public 2026-05-15T13:02:42 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3742 Rechtbank Limburg , 22-04-2026 / C/03/333909 / HA ZA 24-370 De rechtbank beoordeelt de stukken die twee van de gedaagden in conventie naar aanleiding van het tussenvonnis van 12 november 2025 (ECLI:NL:RBLIM:2025:13211) in het geding hebben gebracht en wijst eindvonnis. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/333909 / HA ZA 24-370 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van de vennootschap naar Belgisch recht [verkoper] B.V. , gevestigd te [plaats 1] (België), eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [verkoper] , advocaat: mr. A.A.M. Goossens te Eindhoven, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [koper 1] B.V. , gevestigd te [plaats 2] , hierna te noemen: [koper 1] B.V. , 2. [koper 2] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen: [koper 2] , 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [koper 3] B.V. , gevestigd te [plaats 3] , hierna te noemen: [koper 3] B.V. , 4. [koper 4] , wonende te [plaats 3] , hierna te noemen: [koper 3] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, allen hierna samen te noemen: [kopers] , advocaat: mr. R.R.J.W. Delsing te Maastricht. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis van 12 november 2025, - de akte van [kopers] van 24 december 2025, - de antwoordakte van [verkoper] van 21 januari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie 2.1. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de feiten, de overwegingen en de beslissingen in het tussenvonnis van 12 november 2025 (hierna: het tussenvonnis). Vordering 3 in conventie (betaling koopsom) 2.2. In het tussenvonnis heeft de rechtbank [koper 2] en [koper 3] in rov. 4.34. in de gelegenheid gesteld om met stukken aan te tonen (bijvoorbeeld met bankoverboekingen) dat het bedrag van € 60.000,- betaald is door of ten behoeve van [koper 3] . [koper 2] en [koper 3] hebben vervolgens een akte genomen en [verkoper] heeft hierop bij antwoordakte gereageerd. Verzoek [verkoper] terugkomen op beslissing 2.3. [verkoper] heeft de rechtbank bij antwoordakte verzocht om terug te komen op de beslissing in rov. 4.34. in het tussenvonnis waarbij [koper 2] en [koper 3] in de gelegenheid zijn gesteld om een akte te nemen omtrent de betaling van € 60.000,-. Zij stelt dat de bewijsopdracht berust op een onjuiste juridische en/of feitelijke grondslag. 2.4. De rechtbank wijst dat verzoek af en licht dit oordeel als volgt toe. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [koper 3] voor het eerst de stelling ingenomen dat (alleen) hij het bedrag van € 60.000,- aan [verkoper] heeft betaald. Als reactie heeft [verkoper] toen enkel opgemerkt dat het voor haar niet duidelijk was wie het bedrag van € 60.000,- had betaald, omdat het was voldaan via Marimi Holding B.V. [verkoper] heeft toen niet gewezen op de inhoud van haar productie 12 en de relevantie daarvan. Tegen die achtergrond berust de beslissing van de rechtbank in rov. 4.34. van het tussenvonnis om [koper 2] en [koper 3] een akte te laten nemen omtrent de betaling van € 60.000,- niet op een onjuiste juridische en/of feitelijke grondslag. Ook is geen sprake van schending van de goede procesorde, omdat [verkoper] niet is geschaad in haar belangen om zich te verweren. De rechtbank komt daarom niet terug op het oordeel zoals verwoord in rov. 4.34. Is aangetoond dat het bedrag van € 60.000,- betaald is door of ten behoeve van [koper 3] ? 2.5. [koper 3] en [koper 2] hebben bij akte van 24 december 2025 twee bijlagen (A en B) overgelegd zonder verdere nadere toelichting. Als bijlage A is een bankafschrift overgelegd van Marimi Holding B.V. waaruit een overboeking blijkt op 26 februari 2024 van € 60.000,- van Marimi Holding B.V. naar [verkoper] B.V. met de omschrijving “ Aankoop 1e deel aandelen in de Marimi bedrijven door [bedrijf] BV io en [koper 3] BV io conform overeenkomst levering van aandelen ”. [koper 3] heeft in bijlage B bij deze akte toegelicht dat hij het bedrag vanaf zijn persoonlijke bankrekening in twee delen heeft overgeboekt naar Marimi Handel en Advies B.V., waarna Marimi Handel en Advies B.V. het volgens hem heeft doorgestort naar [verkoper] . De reden voor deze indirecte betaalconstructie licht [koper 3] als volgt toe: “ De reden waarom ik het niet rechtstreeks naar [verkoper] heb overgemaakt was dat de eerdere afspraak met de andere aandeelhouder was dat hun het zouden betalen en ik het zou afbetalen. ” 2.6. Bij antwoordakte heeft [verkoper] betwist dat het geld alleen afkomstig is van [koper 3] , aangezien in de omschrijving van de bankoverschrijving is opgenomen dat het ziet op de aankoop van het eerste deel door zowel [bedrijf] B.V. i.o. als [koper 3] B.V. i.o. Gelet op die omschrijving en het bepaalde in artikel 6:43 lid 1 BW is het volgens [verkoper] evident dat het bedrag van € 60.000,- namens zowel [koper 2] als [koper 3] is voldaan. 2.7. De rechtbank kan uit de stukken die voorhanden zijn niet afleiden dat het bedrag van € 60.000,- door of alleen ten behoeve van [koper 3] is betaald. Weliswaar lijkt uit bijlage B te volgen dat [koper 3] op 19 februari 2024 een bedrag van € 20.000,- en op 26 februari 2024 een bedrag van € 40.000,- heeft overgemaakt naar Marimi Handel & Advies B.V., maar uit niets blijkt deze bedragen betrekking hebben op het bedrag van € 60.000,- dat Marimi Holding B.V. op 26 februari 2024 heeft overgemaakt naar [verkoper] . Een bewijs van overboeking van € 60.000,- van Marimi Handel & Advies B.V. naar Marimi Holding B.V. ontbreekt. Het valt niet te controleren ten titel waarvan [koper 3] de voornoemde bedragen aan Marimi Handel & Advies B.V. heeft overgeboekt. De slotsom is dat [koper 3] zijn stelling dat het bedrag van € 60.000,- door hem of (alleen) ten behoeve van hem is betaald onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom aannemen dat het bedrag van € 60.000,- betaald is door [koper 2] en [koper 3] samen, ieder voor een gelijk deel. 2.8. Het voorgaande betekent dat vordering 3 in conventie ten aanzien van [koper 2] en [koper 3] zal worden toegewezen. Omdat de gevorderde hoofdelijkheid bij het tussenvonnis is afgewezen, zijn [koper 2] en [koper 3] samen (ieder voor de helft) het resterende bedrag van € 60.000,- verschuldigd aan [verkoper] . De gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen per 3 mei 2024 aangezien vanaf deze dag de betalingstermijn was verstreken en betaling is uitgebleven. Vordering 4 in conventie (buitengerechtelijke incassokosten) 2.9. [verkoper] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.375,-. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [verkoper] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en zij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Bovendien is het gevorderde bedrag in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit. De vordering tot betaling van deze kosten slaagt jegens [koper 2] en [koper 3] . Uit de laatste zin van randnummer 3.1.2. van de antwoordakte van [verkoper] begrijpt dat rechtbank dat [verkoper] niet langer hoofdelijke betaling van de buitengerechtelijke kosten vordert. De rechtbank zal daarom over de bij dagvaarding gevorderde ‘hoofdelijkheid’ niet meer oordelen. Proceskosten in conventie en in reconventie 2.10. [koper 2] en [koper 3] zijn zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3742 text/xml public 2026-05-15T13:02:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-22 C/03/333909 / HA ZA 24-370 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3742 text/html public 2026-05-15T13:02:42 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3742 Rechtbank Limburg , 22-04-2026 / C/03/333909 / HA ZA 24-370 De rechtbank beoordeelt de stukken die twee van de gedaagden in conventie naar aanleiding van het tussenvonnis van 12 november 2025 (ECLI:NL:RBLIM:2025:13211) in het geding hebben gebracht en wijst eindvonnis. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/333909 / HA ZA 24-370 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van de vennootschap naar Belgisch recht [verkoper] B.V. , gevestigd te [plaats 1] (België), eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [verkoper] , advocaat: mr. A.A.M. Goossens te Eindhoven, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [koper 1] B.V. , gevestigd te [plaats 2] , hierna te noemen: [koper 1] B.V. , 2. [koper 2] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen: [koper 2] , 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [koper 3] B.V. , gevestigd te [plaats 3] , hierna te noemen: [koper 3] B.V. , 4. [koper 4] , wonende te [plaats 3] , hierna te noemen: [koper 3] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, allen hierna samen te noemen: [kopers] , advocaat: mr. R.R.J.W. Delsing te Maastricht. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis van 12 november 2025, - de akte van [kopers] van 24 december 2025, - de antwoordakte van [verkoper] van 21 januari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie 2.1. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de feiten, de overwegingen en de beslissingen in het tussenvonnis van 12 november 2025 (hierna: het tussenvonnis). Vordering 3 in conventie (betaling koopsom) 2.2. In het tussenvonnis heeft de rechtbank [koper 2] en [koper 3] in rov. 4.34. in de gelegenheid gesteld om met stukken aan te tonen (bijvoorbeeld met bankoverboekingen) dat het bedrag van € 60.000,- betaald is door of ten behoeve van [koper 3] . [koper 2] en [koper 3] hebben vervolgens een akte genomen en [verkoper] heeft hierop bij antwoordakte gereageerd. Verzoek [verkoper] terugkomen op beslissing 2.3. [verkoper] heeft de rechtbank bij antwoordakte verzocht om terug te komen op de beslissing in rov. 4.34. in het tussenvonnis waarbij [koper 2] en [koper 3] in de gelegenheid zijn gesteld om een akte te nemen omtrent de betaling van € 60.000,-. Zij stelt dat de bewijsopdracht berust op een onjuiste juridische en/of feitelijke grondslag. 2.4. De rechtbank wijst dat verzoek af en licht dit oordeel als volgt toe. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [koper 3] voor het eerst de stelling ingenomen dat (alleen) hij het bedrag van € 60.000,- aan [verkoper] heeft betaald. Als reactie heeft [verkoper] toen enkel opgemerkt dat het voor haar niet duidelijk was wie het bedrag van € 60.000,- had betaald, omdat het was voldaan via Marimi Holding B.V. [verkoper] heeft toen niet gewezen op de inhoud van haar productie 12 en de relevantie daarvan. Tegen die achtergrond berust de beslissing van de rechtbank in rov. 4.34. van het tussenvonnis om [koper 2] en [koper 3] een akte te laten nemen omtrent de betaling van € 60.000,- niet op een onjuiste juridische en/of feitelijke grondslag. Ook is geen sprake van schending van de goede procesorde, omdat [verkoper] niet is geschaad in haar belangen om zich te verweren. De rechtbank komt daarom niet terug op het oordeel zoals verwoord in rov. 4.34. Is aangetoond dat het bedrag van € 60.000,- betaald is door of ten behoeve van [koper 3] ? 2.5. [koper 3] en [koper 2] hebben bij akte van 24 december 2025 twee bijlagen (A en B) overgelegd zonder verdere nadere toelichting. Als bijlage A is een bankafschrift overgelegd van Marimi Holding B.V. waaruit een overboeking blijkt op 26 februari 2024 van € 60.000,- van Marimi Holding B.V. naar [verkoper] B.V. met de omschrijving “ Aankoop 1e deel aandelen in de Marimi bedrijven door [bedrijf] BV io en [koper 3] BV io conform overeenkomst levering van aandelen ”. [koper 3] heeft in bijlage B bij deze akte toegelicht dat hij het bedrag vanaf zijn persoonlijke bankrekening in twee delen heeft overgeboekt naar Marimi Handel en Advies B.V., waarna Marimi Handel en Advies B.V. het volgens hem heeft doorgestort naar [verkoper] . De reden voor deze indirecte betaalconstructie licht [koper 3] als volgt toe: “ De reden waarom ik het niet rechtstreeks naar [verkoper] heb overgemaakt was dat de eerdere afspraak met de andere aandeelhouder was dat hun het zouden betalen en ik het zou afbetalen. ” 2.6. Bij antwoordakte heeft [verkoper] betwist dat het geld alleen afkomstig is van [koper 3] , aangezien in de omschrijving van de bankoverschrijving is opgenomen dat het ziet op de aankoop van het eerste deel door zowel [bedrijf] B.V. i.o. als [koper 3] B.V. i.o. Gelet op die omschrijving en het bepaalde in artikel 6:43 lid 1 BW is het volgens [verkoper] evident dat het bedrag van € 60.000,- namens zowel [koper 2] als [koper 3] is voldaan. 2.7. De rechtbank kan uit de stukken die voorhanden zijn niet afleiden dat het bedrag van € 60.000,- door of alleen ten behoeve van [koper 3] is betaald. Weliswaar lijkt uit bijlage B te volgen dat [koper 3] op 19 februari 2024 een bedrag van € 20.000,- en op 26 februari 2024 een bedrag van € 40.000,- heeft overgemaakt naar Marimi Handel & Advies B.V., maar uit niets blijkt deze bedragen betrekking hebben op het bedrag van € 60.000,- dat Marimi Holding B.V. op 26 februari 2024 heeft overgemaakt naar [verkoper] . Een bewijs van overboeking van € 60.000,- van Marimi Handel & Advies B.V. naar Marimi Holding B.V. ontbreekt. Het valt niet te controleren ten titel waarvan [koper 3] de voornoemde bedragen aan Marimi Handel & Advies B.V. heeft overgeboekt. De slotsom is dat [koper 3] zijn stelling dat het bedrag van € 60.000,- door hem of (alleen) ten behoeve van hem is betaald onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom aannemen dat het bedrag van € 60.000,- betaald is door [koper 2] en [koper 3] samen, ieder voor een gelijk deel. 2.8. Het voorgaande betekent dat vordering 3 in conventie ten aanzien van [koper 2] en [koper 3] zal worden toegewezen. Omdat de gevorderde hoofdelijkheid bij het tussenvonnis is afgewezen, zijn [koper 2] en [koper 3] samen (ieder voor de helft) het resterende bedrag van € 60.000,- verschuldigd aan [verkoper] . De gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen per 3 mei 2024 aangezien vanaf deze dag de betalingstermijn was verstreken en betaling is uitgebleven. Vordering 4 in conventie (buitengerechtelijke incassokosten) 2.9. [verkoper] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.375,-. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [verkoper] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en zij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Bovendien is het gevorderde bedrag in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit. De vordering tot betaling van deze kosten slaagt jegens [koper 2] en [koper 3] . Uit de laatste zin van randnummer 3.1.2. van de antwoordakte van [verkoper] begrijpt dat rechtbank dat [verkoper] niet langer hoofdelijke betaling van de buitengerechtelijke kosten vordert. De rechtbank zal daarom over de bij dagvaarding gevorderde ‘hoofdelijkheid’ niet meer oordelen. Proceskosten in conventie en in reconventie 2.10. [koper 2] en [koper 3] zijn zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.