Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-10
ECLI:NL:RBLIM:2026:3723
Civiel recht
Beschikking
7,294 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3723 text/xml public 2026-05-01T09:54:48 2026-04-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-10 C/03/344071 / FA RK 25-1635 Uitspraak Beschikking NL Maastricht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3723 text/html public 2026-05-01T09:54:39 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3723 Rechtbank Limburg , 10-04-2026 / C/03/344071 / FA RK 25-1635 Partnerbijdrage, grievend of wangedrag, behoefte en behoeftigheid. RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Maastricht Zaaknummer: C/03/344071 / FA RK 25-1635 Datum uitspraak: 10 april 2026 Beschikking nevenvoorziening echtscheiding in de zaak van: [de man] , hierna te noemen: de man, wonend in [plaats 1] , advocaat mr. I.J.L. Daemen-Demarteau, kantoorhoudend te Maastricht, en [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonend in [plaats 2] , verblijvend in de Dominicaanse Republiek, advocaat mr. R.A.C. Snel, kantoorhoudend te Heerlen. Wederom gezien de stukken, waaronder de beschikking van 2 februari 2026. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Bij beschikking van 2 februari 2026 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is bepaald dat er een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten aanzien van de partnerbijdrage. 1.2. De rechtbank neemt de volgende verdere stukken mee in de beoordeling: - het F9-formulier van 2 maart 2026 met een bijlage van de man. 1.3. De zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de man, bijgestaan door zijn advocaat; mr. Snel namens de vrouw. De vrouw is niet verschenen. Haar advocaat heeft meegedeeld dat de vrouw in de Dominicaanse Republiek verblijft. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is verzocht de vrouw digitaal te laten aansluiten, echter dat verzoek is afgewezen. 2 De verdere beoordeling 2.1. Het verzoek dat nog voorligt, is het verzoek van de vrouw een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 1.002,00 bruto per maand, met ingang van de beschikking. Grievend gedrag 2.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangevoerd dat het verzoek van de vrouw tot een partnerbijdrage moet worden afgewezen, zo begrijpt de rechtbank, vanwege zodanig grievend gedrag van de vrouw dat van de man niet kan worden gevergd dat hij een partnerbijdrage aan haar moet voldoen. In dit verband neemt de man het standpunt in dat de lotsverbondenheid tussen partijen niet langer bestaat zodat hij niet gehouden is tot het betalen van een partnerbijdrage. 2.3. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling aangevoerd dat de vrouw - de rechtbank begrijpt: zonder zijn toestemming - gebruik maakt van de woning en de auto van de man in de Dominicaanse Republiek en de vrouw tegen de man heeft gezegd dat zij er zal voor zorgen dat hij nooit meer naar de Dominicaanse Republiek kan gaan. Ook heeft de vrouw gezegd dat zij aangifte heeft gedaan tegen de man van misbruik van haar dochter. Dit betreft echter een valse aangifte. Dat de vrouw een dergelijke aangifte zou hebben gedaan, heeft de man veel pijn gedaan. Bovendien heeft de vrouw - de rechtbank begrijpt: zonder overleg en zonder overeenstemming met de man - allerlei spullen van de man uit de echtelijke woning gehaald en meegenomen en een bedrag van € 3.000,- van de en-of-rekening opgenomen. Ook weigert de vrouw de akte van berusting te tekenen, waardoor de echtscheiding nog steeds niet is gerealiseerd. De advocaat van de vrouw heeft naar voren gebracht dat zij van de vrouw heeft begrepen dat de dochter van de vrouw voornemens was aangifte te doen tegen de man, maar zij weet niet zeker of dat ook is gebeurd. 2.4. Volgens vaste rechtspraak moet er sprake zijn van zodanig grievend gedrag dat het (gezien de bijzondere verhouding tussen partijen) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de alimentatiegerechtigde een bijdrage in zijn/haar levensonderhoud verlangt van de onderhoudsplichtige. Het is aan de feitenrechter om te bepalen wanneer sprake is van dergelijk gedrag. In het algemeen zal dat niet snel worden aangenomen. Zo kan de rechter ondanks gedragingen die voor de ander grievend zijn – alle andere, ook financiële, omstandigheden in aanmerking nemend – toch komen tot de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud. 2.5. De rechtbank overweegt dat in echtscheidingssituaties de emoties tussen partijen soms hoog kunnen oplopen, waardoor niet iedere vorm van wangedrag of grievend gedrag aanleiding is om de onderhoudsverplichting te matigen of beëindigen. Het is aan de alimentatieplichtige om feiten en omstandigheden te stellen die tot dat oordeel kunnen leiden. Daar is de man niet in geslaagd. Wat de man heeft aangevoerd is mogelijk door hem als grievend ervaren, maar is onvoldoende om tot de conclusie te leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw van de man nog een bijdrage in haar levensonderhoud verlangt. Daarbij weegt mee dat de man heeft verklaard dat hij na de inschrijving van de echtscheiding (3 maanden na de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken) van plan is af te reizen naar de Dominicaanse Republiek om daar orde op zaken te stellen en zijn woning en auto weer in bezit te nemen. Daaruit volgt dat de man zich door de acties van de vrouw niet laat weerhouden om af te reizen waarbij met name het definitief worden van de echtscheiding voor hem bepalend is omdat de vrouw dan volgens hem geen aanspraak meer kan maken op het gebruiken van zijn woning en auto. Verder weegt mee dat niet is gebleken dat er daadwerkelijk aangifte is gedaan tegen de man, dat hij de beschuldigingen verre van zich werpt en zich daardoor ook niet laat weerhouden om af te reizen naar de Dominicaanse Republiek. Kortom, het door de man gestelde gedrag van de vrouw is niet van zodanige aard en inhoud dat daaraan het label van “grievend” of “wangedrag” kan worden gehangen. 2.6. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de vrouw verder zal beoordelen aan de hand van de wettelijke maatstaven. De huwelijksgerelateerde behoefte 2.7. Partijen zijn het eens dat de huwelijksgerelateerde behoefte conform de Hof-norm wordt becijferd. Partijen verschillen van mening over het te hanteren peiljaar. Partijen zijn het wel eens dat de relatie in juli 2025 is beëindigd. De vrouw is van mening dat uitgegaan dient te worden van de inkomsten in 2024, omdat partijen in 2025 niet meer lang zouden hebben samengewoond. De man is van mening dat uitgegaan dient te worden van de inkomsten in 2025, aangezien in juli 2025 de relatie is beëindigd. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de vrouw per 1 december 2024 ontslag heeft genomen bij haar toenmalige werkgever (in Nederland) en partijen toen samen naar de Dominicaanse Republiek zijn gegaan, in eerste instantie voor een vakantie. De vrouw is toen eerder gegaan en de man is de eerste week van januari 2025 naar de Dominicaanse Republiek gegaan. De man is na drie weken naar Nederland teruggekomen en de vrouw is daar gebleven omdat partijen naar de Dominicaanse Republiek wilden emigreren en de vrouw daar een en ander al kon regelen. De man is vervolgens weer naar de Dominicaanse Republiek afgereisd en partijen zijn in mei 2025 samen terug naar Nederland gekomen om samen aan de relatie te werken. Dat is niet gelukt, waarna de relatie is beëindigd. 2.8. De rechtbank zal, nu uit de (onweersproken) weergave van de man volgt dat de relatie van partijen medio 2025 is beëindigd, voor het berekenen van de huwelijksgerelateerde behoefte uitgaan van de inkomsten in 2025. 2.9. De vrouw had in 2025 geen eigen inkomsten. Uit de door de man overgelegde loonstrook van juli 2025 van hem volgt een inkomen van € 1.866,67 bruto per maand. De man is directeur grootaandeelhouder (DGA) van [bedrijf 1] B.V. Uit de door de man overgelegde aangifte IB 2024 volgt dat de man in 2024 inkomsten uit loon had en opbrengsten uit het beschikbaar stellen van vermogensbestanddelen (huurinkomsten). Het resultaat hiervan bedroeg in 2024 € 2.777,- per jaar.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3723 text/xml public 2026-05-01T09:54:48 2026-04-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-10 C/03/344071 / FA RK 25-1635 Uitspraak Beschikking NL Maastricht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3723 text/html public 2026-05-01T09:54:39 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3723 Rechtbank Limburg , 10-04-2026 / C/03/344071 / FA RK 25-1635 Partnerbijdrage, grievend of wangedrag, behoefte en behoeftigheid. RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Maastricht Zaaknummer: C/03/344071 / FA RK 25-1635 Datum uitspraak: 10 april 2026 Beschikking nevenvoorziening echtscheiding in de zaak van: [de man] , hierna te noemen: de man, wonend in [plaats 1] , advocaat mr. I.J.L. Daemen-Demarteau, kantoorhoudend te Maastricht, en [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonend in [plaats 2] , verblijvend in de Dominicaanse Republiek, advocaat mr. R.A.C. Snel, kantoorhoudend te Heerlen. Wederom gezien de stukken, waaronder de beschikking van 2 februari 2026. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Bij beschikking van 2 februari 2026 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is bepaald dat er een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten aanzien van de partnerbijdrage. 1.2. De rechtbank neemt de volgende verdere stukken mee in de beoordeling: - het F9-formulier van 2 maart 2026 met een bijlage van de man. 1.3. De zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de man, bijgestaan door zijn advocaat; mr. Snel namens de vrouw. De vrouw is niet verschenen. Haar advocaat heeft meegedeeld dat de vrouw in de Dominicaanse Republiek verblijft. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is verzocht de vrouw digitaal te laten aansluiten, echter dat verzoek is afgewezen. 2 De verdere beoordeling 2.1. Het verzoek dat nog voorligt, is het verzoek van de vrouw een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 1.002,00 bruto per maand, met ingang van de beschikking. Grievend gedrag 2.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangevoerd dat het verzoek van de vrouw tot een partnerbijdrage moet worden afgewezen, zo begrijpt de rechtbank, vanwege zodanig grievend gedrag van de vrouw dat van de man niet kan worden gevergd dat hij een partnerbijdrage aan haar moet voldoen. In dit verband neemt de man het standpunt in dat de lotsverbondenheid tussen partijen niet langer bestaat zodat hij niet gehouden is tot het betalen van een partnerbijdrage. 2.3. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling aangevoerd dat de vrouw - de rechtbank begrijpt: zonder zijn toestemming - gebruik maakt van de woning en de auto van de man in de Dominicaanse Republiek en de vrouw tegen de man heeft gezegd dat zij er zal voor zorgen dat hij nooit meer naar de Dominicaanse Republiek kan gaan. Ook heeft de vrouw gezegd dat zij aangifte heeft gedaan tegen de man van misbruik van haar dochter. Dit betreft echter een valse aangifte. Dat de vrouw een dergelijke aangifte zou hebben gedaan, heeft de man veel pijn gedaan. Bovendien heeft de vrouw - de rechtbank begrijpt: zonder overleg en zonder overeenstemming met de man - allerlei spullen van de man uit de echtelijke woning gehaald en meegenomen en een bedrag van € 3.000,- van de en-of-rekening opgenomen. Ook weigert de vrouw de akte van berusting te tekenen, waardoor de echtscheiding nog steeds niet is gerealiseerd. De advocaat van de vrouw heeft naar voren gebracht dat zij van de vrouw heeft begrepen dat de dochter van de vrouw voornemens was aangifte te doen tegen de man, maar zij weet niet zeker of dat ook is gebeurd. 2.4. Volgens vaste rechtspraak moet er sprake zijn van zodanig grievend gedrag dat het (gezien de bijzondere verhouding tussen partijen) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de alimentatiegerechtigde een bijdrage in zijn/haar levensonderhoud verlangt van de onderhoudsplichtige. Het is aan de feitenrechter om te bepalen wanneer sprake is van dergelijk gedrag. In het algemeen zal dat niet snel worden aangenomen. Zo kan de rechter ondanks gedragingen die voor de ander grievend zijn – alle andere, ook financiële, omstandigheden in aanmerking nemend – toch komen tot de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud. 2.5. De rechtbank overweegt dat in echtscheidingssituaties de emoties tussen partijen soms hoog kunnen oplopen, waardoor niet iedere vorm van wangedrag of grievend gedrag aanleiding is om de onderhoudsverplichting te matigen of beëindigen. Het is aan de alimentatieplichtige om feiten en omstandigheden te stellen die tot dat oordeel kunnen leiden. Daar is de man niet in geslaagd. Wat de man heeft aangevoerd is mogelijk door hem als grievend ervaren, maar is onvoldoende om tot de conclusie te leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw van de man nog een bijdrage in haar levensonderhoud verlangt. Daarbij weegt mee dat de man heeft verklaard dat hij na de inschrijving van de echtscheiding (3 maanden na de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken) van plan is af te reizen naar de Dominicaanse Republiek om daar orde op zaken te stellen en zijn woning en auto weer in bezit te nemen. Daaruit volgt dat de man zich door de acties van de vrouw niet laat weerhouden om af te reizen waarbij met name het definitief worden van de echtscheiding voor hem bepalend is omdat de vrouw dan volgens hem geen aanspraak meer kan maken op het gebruiken van zijn woning en auto. Verder weegt mee dat niet is gebleken dat er daadwerkelijk aangifte is gedaan tegen de man, dat hij de beschuldigingen verre van zich werpt en zich daardoor ook niet laat weerhouden om af te reizen naar de Dominicaanse Republiek. Kortom, het door de man gestelde gedrag van de vrouw is niet van zodanige aard en inhoud dat daaraan het label van “grievend” of “wangedrag” kan worden gehangen. 2.6. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de vrouw verder zal beoordelen aan de hand van de wettelijke maatstaven. De huwelijksgerelateerde behoefte 2.7. Partijen zijn het eens dat de huwelijksgerelateerde behoefte conform de Hof-norm wordt becijferd. Partijen verschillen van mening over het te hanteren peiljaar. Partijen zijn het wel eens dat de relatie in juli 2025 is beëindigd. De vrouw is van mening dat uitgegaan dient te worden van de inkomsten in 2024, omdat partijen in 2025 niet meer lang zouden hebben samengewoond. De man is van mening dat uitgegaan dient te worden van de inkomsten in 2025, aangezien in juli 2025 de relatie is beëindigd. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de vrouw per 1 december 2024 ontslag heeft genomen bij haar toenmalige werkgever (in Nederland) en partijen toen samen naar de Dominicaanse Republiek zijn gegaan, in eerste instantie voor een vakantie. De vrouw is toen eerder gegaan en de man is de eerste week van januari 2025 naar de Dominicaanse Republiek gegaan. De man is na drie weken naar Nederland teruggekomen en de vrouw is daar gebleven omdat partijen naar de Dominicaanse Republiek wilden emigreren en de vrouw daar een en ander al kon regelen. De man is vervolgens weer naar de Dominicaanse Republiek afgereisd en partijen zijn in mei 2025 samen terug naar Nederland gekomen om samen aan de relatie te werken. Dat is niet gelukt, waarna de relatie is beëindigd. 2.8. De rechtbank zal, nu uit de (onweersproken) weergave van de man volgt dat de relatie van partijen medio 2025 is beëindigd, voor het berekenen van de huwelijksgerelateerde behoefte uitgaan van de inkomsten in 2025. 2.9. De vrouw had in 2025 geen eigen inkomsten. Uit de door de man overgelegde loonstrook van juli 2025 van hem volgt een inkomen van € 1.866,67 bruto per maand. De man is directeur grootaandeelhouder (DGA) van [bedrijf 1] B.V. Uit de door de man overgelegde aangifte IB 2024 volgt dat de man in 2024 inkomsten uit loon had en opbrengsten uit het beschikbaar stellen van vermogensbestanddelen (huurinkomsten). Het resultaat hiervan bedroeg in 2024 € 2.777,- per jaar.
Volledig
De man heeft onweersproken gesteld dat deze huurinkomsten al jaren gelijk zijn, zodat de rechtbank van deze inkomsten ook in 2025 zal uitgaan. De vraag is dan nog of de man dividend heeft ontvangen uit de vennootschap. Uit de aangifte IB 2024, volgt dat hiervan geen sprake was in 2024. Uit de door de man overgelegde winst- en verliesrekening 2024 van [bedrijf 1] B.V. volgt een resultaat (winst) van € 6.358,12. De man heeft gesteld dat hij, gelet op zijn leeftijd, al een tijd geleden gestart is met het afbouwen van zijn werkzaamheden. Gelet op de onweersproken stelling van de man dat hij enkel zijn salaris ontving, zal de rechtbank bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte geen rekening houden met dividend uitkeringen, nu hiervan ook niet is gebleken. Temeer nu niet is aangevoerd dat de man zich die dividenduitkering in redelijkheid had kunnen en moeten toekennen. De vrouw heeft vraagtekens gesteld bij de hoogte van het inkomen van de man omdat partijen tijdens het huwelijk “goed” leefden, waarbij zij geregeld gingen uiteten en ook (meermaals per jaar) op vakantie gingen. De man heeft hier tegenin gebracht dat in de periode dat de vrouw inkomen had, haar inkomen werd besteed aan “leuke dingen”, zoals uiteten en dergelijke. Zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, is niet aan te nemen dat de man andere dan wel meer inkomsten heeft gehad, zodat de rechtbank voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte uitgaat van de navolgende gegevens. De rechtbank houdt rekening met het inkomen van de man van € 1.866,67 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Nu de man DGA is en deze niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen en geen vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw krijgt, wordt onder post 117a in de berekening rekening gehouden met de “op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW”. De rechtbank houdt verder ook in 2025 rekening met de premies voor periodieke uitkeringen van € 2.569,- zoals die waren in 2024 en uit de aangifte IB 2024 blijkt. Ook houdt de rechtbank rekening met de huurinkomsten (na aftrek van de kosten) van € 2.777,- per jaar (post 102 in de berekening). Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, bedroeg het netto besteedbaar inkomen van de man in 2025 € 1.920,- per maand. Dit betreft dan eveneens het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2025. 2.10. De rechtbank verwijst naar de hieronder opgenomen berekening I (tarieven 2025-2). 2.11. Partijen hebben geen minderjarige kinderen, zodat geen rekening wordt gehouden met de aftrek van kosten kinderen. De rechtbank berekent de netto behoefte van de vrouw in 2025 dan conform de Hof-norm op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (€ 1.920,- per maand), hetgeen in 2025 neerkomt € 1.152,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 komt dat neer op (afgerond) € 1.205,- netto per maand. Aanvullende behoefte 2.12. De vrouw heeft gesteld dat zij op dit moment geen eigen inkomsten heeft, in Nederland, noch in de Dominicaanse Republiek. Zij wordt op dit moment door haar familie financieel ondersteunt. De advocaat van de vrouw heeft naar voren gebracht dat de vrouw niet heeft gesolliciteerd in de Dominicaanse Republiek. Of de vrouw in Nederland heeft gesolliciteerd weet de advocaat niet, maar de vrouw heeft op dit moment geen financiële ruimte om de terugreis naar Nederland te maken. 2.13. De man heeft gesteld dat de vrouw op 28 oktober 2024 ontslag heeft genomen bij haar toenmalige werkgever [bedrijf 2] BV per 1 december 2024. De vrouw had hier een parttimedienstverband. Haar inkomsten uit dit dienstverband over 2024 bedroegen volgens de aangifte IB 2024 € 25.907,- bruto. Dit heeft betrekking op de periode tot en met november 2024. De man stelt dat de vrouw op zijn minst een verdiencapaciteit heeft bij een parttime dienstverband van minimaal € 2.067,- netto per maand (het inkomen dat zij in 2024 genereerde). Zij zou ook in staat moeten zijn om fulltime te werken. 2.14. Op de vrouw rust de verplichting zich in te spannen om zoveel mogelijk in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien. Gelet op deze inspanningsverplichting is de rechtbank van oordeel dat de vrouw op geen enkele wijze heeft onderbouwd of zelfs maar aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat zou zijn om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Evenmin is gebleken van inspanningen van de vrouw om eigen inkomsten te genereren. De rechtbank betrekt hierbij dat, volgens de loonstroken van de vrouw in 2024, de vrouw sinds 2021 werkzaam was bij dezelfde werkgever en zij in 2024 over de periode januari tot en met november 2024 een inkomen genoot van € 25.907,- bruto. De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw verwacht kan en mag worden dat zij een soortgelijk inkomen kan genereren. De rechtbank zal dan ook uitgaan van een (fictieve) verdiencapaciteit van de vrouw. Het inkomen van de vrouw conform de aangifte IB 2024, zou eigenlijk geëxtrapoleerd moeten worden naar jaarbasis, nu dit bedrag betrekking heeft op 11 maanden. Echter zelfs uitgaande van een bruto jaarloon van € 25.907,-, bedraagt (rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 2.089,- per maand. Welk bedrag hoger is dan de hierboven becijferde huwelijksgerelateerde behoefte per 2026 van € 1.205,- netto per maand. Dat betekent dat er geen sprake is van een aanvullende behoefte van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud, zodat de rechtbank niet toekomt aan een draagkrachtberekening van de man en de rechtbank het verzoek van de vrouw dan ook zal afwijzen. 2.15. De rechtbank verwijst naar de hieronder opgenomen berekening II (tarieven 2026-1). 3 De beslissing 3.1. wijst het verzoek van de vrouw af. Deze beschikking is gegeven door mr. Frénay, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Graus, griffier op 10 april 2026. Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: - de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Volledig
De man heeft onweersproken gesteld dat deze huurinkomsten al jaren gelijk zijn, zodat de rechtbank van deze inkomsten ook in 2025 zal uitgaan. De vraag is dan nog of de man dividend heeft ontvangen uit de vennootschap. Uit de aangifte IB 2024, volgt dat hiervan geen sprake was in 2024. Uit de door de man overgelegde winst- en verliesrekening 2024 van [bedrijf 1] B.V. volgt een resultaat (winst) van € 6.358,12. De man heeft gesteld dat hij, gelet op zijn leeftijd, al een tijd geleden gestart is met het afbouwen van zijn werkzaamheden. Gelet op de onweersproken stelling van de man dat hij enkel zijn salaris ontving, zal de rechtbank bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte geen rekening houden met dividend uitkeringen, nu hiervan ook niet is gebleken. Temeer nu niet is aangevoerd dat de man zich die dividenduitkering in redelijkheid had kunnen en moeten toekennen. De vrouw heeft vraagtekens gesteld bij de hoogte van het inkomen van de man omdat partijen tijdens het huwelijk “goed” leefden, waarbij zij geregeld gingen uiteten en ook (meermaals per jaar) op vakantie gingen. De man heeft hier tegenin gebracht dat in de periode dat de vrouw inkomen had, haar inkomen werd besteed aan “leuke dingen”, zoals uiteten en dergelijke. Zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, is niet aan te nemen dat de man andere dan wel meer inkomsten heeft gehad, zodat de rechtbank voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte uitgaat van de navolgende gegevens. De rechtbank houdt rekening met het inkomen van de man van € 1.866,67 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Nu de man DGA is en deze niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen en geen vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw krijgt, wordt onder post 117a in de berekening rekening gehouden met de “op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW”. De rechtbank houdt verder ook in 2025 rekening met de premies voor periodieke uitkeringen van € 2.569,- zoals die waren in 2024 en uit de aangifte IB 2024 blijkt. Ook houdt de rechtbank rekening met de huurinkomsten (na aftrek van de kosten) van € 2.777,- per jaar (post 102 in de berekening). Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, bedroeg het netto besteedbaar inkomen van de man in 2025 € 1.920,- per maand. Dit betreft dan eveneens het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2025. 2.10. De rechtbank verwijst naar de hieronder opgenomen berekening I (tarieven 2025-2). 2.11. Partijen hebben geen minderjarige kinderen, zodat geen rekening wordt gehouden met de aftrek van kosten kinderen. De rechtbank berekent de netto behoefte van de vrouw in 2025 dan conform de Hof-norm op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (€ 1.920,- per maand), hetgeen in 2025 neerkomt € 1.152,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 komt dat neer op (afgerond) € 1.205,- netto per maand. Aanvullende behoefte 2.12. De vrouw heeft gesteld dat zij op dit moment geen eigen inkomsten heeft, in Nederland, noch in de Dominicaanse Republiek. Zij wordt op dit moment door haar familie financieel ondersteunt. De advocaat van de vrouw heeft naar voren gebracht dat de vrouw niet heeft gesolliciteerd in de Dominicaanse Republiek. Of de vrouw in Nederland heeft gesolliciteerd weet de advocaat niet, maar de vrouw heeft op dit moment geen financiële ruimte om de terugreis naar Nederland te maken. 2.13. De man heeft gesteld dat de vrouw op 28 oktober 2024 ontslag heeft genomen bij haar toenmalige werkgever [bedrijf 2] BV per 1 december 2024. De vrouw had hier een parttimedienstverband. Haar inkomsten uit dit dienstverband over 2024 bedroegen volgens de aangifte IB 2024 € 25.907,- bruto. Dit heeft betrekking op de periode tot en met november 2024. De man stelt dat de vrouw op zijn minst een verdiencapaciteit heeft bij een parttime dienstverband van minimaal € 2.067,- netto per maand (het inkomen dat zij in 2024 genereerde). Zij zou ook in staat moeten zijn om fulltime te werken. 2.14. Op de vrouw rust de verplichting zich in te spannen om zoveel mogelijk in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien. Gelet op deze inspanningsverplichting is de rechtbank van oordeel dat de vrouw op geen enkele wijze heeft onderbouwd of zelfs maar aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat zou zijn om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Evenmin is gebleken van inspanningen van de vrouw om eigen inkomsten te genereren. De rechtbank betrekt hierbij dat, volgens de loonstroken van de vrouw in 2024, de vrouw sinds 2021 werkzaam was bij dezelfde werkgever en zij in 2024 over de periode januari tot en met november 2024 een inkomen genoot van € 25.907,- bruto. De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw verwacht kan en mag worden dat zij een soortgelijk inkomen kan genereren. De rechtbank zal dan ook uitgaan van een (fictieve) verdiencapaciteit van de vrouw. Het inkomen van de vrouw conform de aangifte IB 2024, zou eigenlijk geëxtrapoleerd moeten worden naar jaarbasis, nu dit bedrag betrekking heeft op 11 maanden. Echter zelfs uitgaande van een bruto jaarloon van € 25.907,-, bedraagt (rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 2.089,- per maand. Welk bedrag hoger is dan de hierboven becijferde huwelijksgerelateerde behoefte per 2026 van € 1.205,- netto per maand. Dat betekent dat er geen sprake is van een aanvullende behoefte van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud, zodat de rechtbank niet toekomt aan een draagkrachtberekening van de man en de rechtbank het verzoek van de vrouw dan ook zal afwijzen. 2.15. De rechtbank verwijst naar de hieronder opgenomen berekening II (tarieven 2026-1). 3 De beslissing 3.1. wijst het verzoek van de vrouw af. Deze beschikking is gegeven door mr. Frénay, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Graus, griffier op 10 april 2026. Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: - de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.