Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-29
ECLI:NL:RBLIM:2026:3629
Civiel recht; Goederenrecht
Bodemzaak
7,844 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3629 text/xml public 2026-05-19T14:02:30 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-29 C/03/330056 HA ZA 24/204 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Goederenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3629 text/html public 2026-05-19T14:02:02 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3629 Rechtbank Limburg , 29-04-2026 / C/03/330056 HA ZA 24/204 Eindvonnis na deskundigenbericht. Vordering tot verwijdering ijzeren hekwerk wordt toegewezen. Vorderingen in conventie en reconventie ten aanzien van de afwatering van het tuinhuis worden afgewezen. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/330056 / HA ZA 24-204 Vonnis van 29 april 2026 in de zaak van 1 [persoon 1] , 2. [persoon 2] , beiden wonende te [plaats] , eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie, hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [partij 1] , advocaat: mr. M.M.H.J. Rompelberg, tegen [partij 2] , wonende te [plaats] , gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, hierna te noemen: [partij 2] , advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 maart 2025, - het relaas van bevindingen (hierna: “het deskundigenbericht”) uitgevoerd door de heer [deskundige] , landmeter specialist grensreconstructie van het kadaster (hierna: “de deskundige”), door de rechtbank ontvangen op 22 augustus 2025, - de conclusie na deskundigenbericht van 1 oktober 2025 van [partij 1] , - de conclusie na deskundigenbericht van 1 oktober 2025 van [partij 2] , - de brief van de rechtbank 22 oktober 2025, - het B-16 formulier namens [partij 1] van 5 november 2025, waarin mr. Rompelberg mededeelt dat geen behoefte bestaat aan een nieuwe mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling In conventie Wat is er aan het deskundigenbericht vooraf gegaan? 2.1. Bij tussenvonnis van 8 januari 2025 heeft de rechtbank bepaald dat eerst de ligging van de erfgrens moet worden vastgesteld om te kunnen beoordelen of [partij 2] onrechtmatig gebruik maakt van (delen van) het perceel van [partij 1] . 2.2. Op 11 juni 2025 heeft de deskundige een grensreconstructie uitgevoerd. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de perceelgrens, aangegeven met een rode stippellijn, en het aanwezige ijzeren hekwerk (vgl. rechtsoverweging 2.7 van het tussenvonnis van 8 januari 2025), taps toe lopen. Het ijzeren hekwerk staat volledig op het perceel van [partij 1] . Ter hoogte van de straatzijde bevindt het ijzeren hekwerk zich op 23 centimeter van de perceelgrens en aan het eind op 6 centimeter daarvan. Uit het deskundigenbericht blijkt voorts dat de dakrand van het tuinhuis van [partij 2] bij meetpunt 14 precies op de perceelgrens aansluit (in de woorden van [partij 1] ), althans daartegen aanschuurt (in de woorden van [partij 2] ) en bij meetpunt 15 op 3 cm van de perceelgrens gesitueerd is. Het ijzeren hekwerk 2.3. Tussen partijen is niet in geschil (vgl. rechtsoverweging 2.5 van het tussenvonnis van 8 januari 2025) dat zij de afspraak hebben gemaakt dat een beukenhaag op het perceel van [partij 1] werd geplaatst, op circa 15-20 cm van de erfgrens, zodat [partij 2] de ontstane extra ruimte kon gebruiken om gemakkelijker in en uit zijn auto te stappen. In september 2020 heeft [partij 1] een (houten) afrastering geplaatst en nadien een beukenhaag geplant. Het ijzeren hekwerk is in juni 2023 geplaatst. 2.4. De deskundige heeft, zoals hiervoor uiteengezet, vastgesteld dat het ijzeren hekwerk zich volledig op het perceel van [partij 1] bevindt. Om die reden gaat de rechtbank voorbij aan de primaire stelling van [partij 2] , inhoudende dat het ijzeren hekwerk op het aan hem in eigendom behorende perceel zou staan (vgl. randnummer 6 bij conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie (hierna: “CvA/CvE”)). De plaatsing van het ijzeren hekwerk op het perceel van [partij 1] is daarmee in beginsel onrechtmatig, tenzij – zoals [partij 2] betoogt – partijen daarover een afspraak hebben gemaakt, die (onder meer) inhoudt dat [partij 1] daarvoor aan [partij 2] toestemming heeft gegeven. 2.5. In de processtukken spitst de discussie tussen partijen zich (met name) toe op het antwoord op de vraag welke voorwaarden [partij 1] aan die toestemming heeft verbonden. Bij brief van 14 juni 2023 (productie 6 bij dagvaarding) heeft [partij 1] aan [partij 2] bericht dat hij bereid is een stalen hekwerk op zijn grond toe te staan, indien (a) de daarop betrekking hebbende strook grond eigendom van [partij 1] zal blijven en verjaring daarop nimmer van toepassing zal worden, (b) de afrastering ca. 1 meter hoog zal worden en zal bestaan uit stalen palen met een spijlenhekwerk, (c) bij eerste aanzegging zonder opgave van reden [partij 2] gehouden is de hekwerken en de palen, inclusief fundering, te verwijderen en (d) [partij 2] , bij verhuizing, gehouden is de hekwerken en de palen, inclusief fundering, te verwijderen. Uit randnummer 12 van de CvA/CvE blijkt dat [partij 2] heeft ingestemd met de voorwaarden, zoals hiervoor verwoord onder (a), (b) en (d). [partij 2] stelt dat voorwaarde (c), niet is besproken en zeker niet is afgesproken. 2.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij 2] onvoldoende gemotiveerd betwist dat voorwaarde (c) tussen partijen overeengekomen is. [partij 2] schrijft immers over die voorwaarde in zijn brief van 20 juni 2023 (productie 7 bij dagvaarding), in reactie op de brief van 14 juni 2023 van [partij 2] : “Deze “clausule” is bij nader inzien ongepast en kan te pas en te onpas gebruikt worden als spreekwoordelijke stok achter de deur. U (bedoeld is: [partij 1] , toevoeging rechtbank) zei immers tegen mij “dat u echt niet van plan was om dit kleine strookje grond tussentijds op te eisen, waarom moet deze bepaling dan toch in dit document opgenomen worden?” Uit deze passage leidt de rechtbank af dat partijen wel over deze voorwaarde hebben gesproken en dat [partij 2] daar aanvankelijk ook mee ingestemd heeft, maar dat hij daar achteraf kennelijk op terug wilde komen. Als juist zou zijn, zoals [partij 2] in de CvA/CvE stelt, dat in het geheel niet over voorwaarde (c) is gesproken, dan had het op zijn minst op zijn weg gelegen om toe te lichten hoe, vanuit dat perspectief, deze passage dan wel moet worden uitgelegd. Dat heeft [partij 2] nagelaten. Om die reden neemt de rechtbank als vaststaand aan dat onderdeel van de door [partij 1] verleende toestemming tot het plaatsen van het hekwerk op zijn grond was dat [partij 2] op zijn beurt gehouden was om zonder opgaaf van redenen bij eerste aanzegging door [partij 1] het ijzeren hekwerk ook weer te verwijderen. 2.7. De advocaat van [partij 1] heeft bij brief van 12 oktober 2023 (productie 8 bij dagvaarding) [partij 2] gesommeerd om het hekwerk uiterlijk op 1 januari 2024 te verwijderen. Nu [partij 2] aan die sommatie niet voldaan heeft, handelt hij onrechtmatig jegens [partij 1] . Dat betekent dat het gevorderde onder I zal worden toegewezen. Dat betekent tevens dat het gevorderde onder II zal worden toegewezen, voor zover deze vordering betrekking heeft op het ijzeren hekwerk. De rechtbank zal [partij 2] veroordelen om het hekwerk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te verwijderen. De rechtbank zal de door [partij 1] gevorderde dwangsom matigen en maximeren, op de wijze zoals in het dictum bepaald zal worden. Het gebruik van de strook grond 2.8. Het gevorderde onder II ziet ook op beëindiging van het gebruik van een strook grond door [partij 2] , waarvan de rechtbank aanneemt dat [partij 1] daarmee (thans) de strook grond gelegen tussen het ijzeren hekwerk en de door de deskundige aangewezen perceelgrens bedoelt. De rechtbank is van oordeel dat partijen over die strook grond een afspraak hebben gemaakt, die inhoudt dat [partij 2] (in ieder geval op zijn minst een deel van) die strook grond mocht gebruiken om gemakkelijk in en uit zijn auto te stappen (zie hiervoor rechtsoverweging 2.3). 2.9. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of [partij 1] gerechtigd is dat gebruik te beëindigen.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3629 text/xml public 2026-05-19T14:02:30 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-29 C/03/330056 HA ZA 24/204 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Goederenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3629 text/html public 2026-05-19T14:02:02 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3629 Rechtbank Limburg , 29-04-2026 / C/03/330056 HA ZA 24/204 Eindvonnis na deskundigenbericht. Vordering tot verwijdering ijzeren hekwerk wordt toegewezen. Vorderingen in conventie en reconventie ten aanzien van de afwatering van het tuinhuis worden afgewezen. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/330056 / HA ZA 24-204 Vonnis van 29 april 2026 in de zaak van 1 [persoon 1] , 2. [persoon 2] , beiden wonende te [plaats] , eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie, hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [partij 1] , advocaat: mr. M.M.H.J. Rompelberg, tegen [partij 2] , wonende te [plaats] , gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, hierna te noemen: [partij 2] , advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 maart 2025, - het relaas van bevindingen (hierna: “het deskundigenbericht”) uitgevoerd door de heer [deskundige] , landmeter specialist grensreconstructie van het kadaster (hierna: “de deskundige”), door de rechtbank ontvangen op 22 augustus 2025, - de conclusie na deskundigenbericht van 1 oktober 2025 van [partij 1] , - de conclusie na deskundigenbericht van 1 oktober 2025 van [partij 2] , - de brief van de rechtbank 22 oktober 2025, - het B-16 formulier namens [partij 1] van 5 november 2025, waarin mr. Rompelberg mededeelt dat geen behoefte bestaat aan een nieuwe mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling In conventie Wat is er aan het deskundigenbericht vooraf gegaan? 2.1. Bij tussenvonnis van 8 januari 2025 heeft de rechtbank bepaald dat eerst de ligging van de erfgrens moet worden vastgesteld om te kunnen beoordelen of [partij 2] onrechtmatig gebruik maakt van (delen van) het perceel van [partij 1] . 2.2. Op 11 juni 2025 heeft de deskundige een grensreconstructie uitgevoerd. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de perceelgrens, aangegeven met een rode stippellijn, en het aanwezige ijzeren hekwerk (vgl. rechtsoverweging 2.7 van het tussenvonnis van 8 januari 2025), taps toe lopen. Het ijzeren hekwerk staat volledig op het perceel van [partij 1] . Ter hoogte van de straatzijde bevindt het ijzeren hekwerk zich op 23 centimeter van de perceelgrens en aan het eind op 6 centimeter daarvan. Uit het deskundigenbericht blijkt voorts dat de dakrand van het tuinhuis van [partij 2] bij meetpunt 14 precies op de perceelgrens aansluit (in de woorden van [partij 1] ), althans daartegen aanschuurt (in de woorden van [partij 2] ) en bij meetpunt 15 op 3 cm van de perceelgrens gesitueerd is. Het ijzeren hekwerk 2.3. Tussen partijen is niet in geschil (vgl. rechtsoverweging 2.5 van het tussenvonnis van 8 januari 2025) dat zij de afspraak hebben gemaakt dat een beukenhaag op het perceel van [partij 1] werd geplaatst, op circa 15-20 cm van de erfgrens, zodat [partij 2] de ontstane extra ruimte kon gebruiken om gemakkelijker in en uit zijn auto te stappen. In september 2020 heeft [partij 1] een (houten) afrastering geplaatst en nadien een beukenhaag geplant. Het ijzeren hekwerk is in juni 2023 geplaatst. 2.4. De deskundige heeft, zoals hiervoor uiteengezet, vastgesteld dat het ijzeren hekwerk zich volledig op het perceel van [partij 1] bevindt. Om die reden gaat de rechtbank voorbij aan de primaire stelling van [partij 2] , inhoudende dat het ijzeren hekwerk op het aan hem in eigendom behorende perceel zou staan (vgl. randnummer 6 bij conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie (hierna: “CvA/CvE”)). De plaatsing van het ijzeren hekwerk op het perceel van [partij 1] is daarmee in beginsel onrechtmatig, tenzij – zoals [partij 2] betoogt – partijen daarover een afspraak hebben gemaakt, die (onder meer) inhoudt dat [partij 1] daarvoor aan [partij 2] toestemming heeft gegeven. 2.5. In de processtukken spitst de discussie tussen partijen zich (met name) toe op het antwoord op de vraag welke voorwaarden [partij 1] aan die toestemming heeft verbonden. Bij brief van 14 juni 2023 (productie 6 bij dagvaarding) heeft [partij 1] aan [partij 2] bericht dat hij bereid is een stalen hekwerk op zijn grond toe te staan, indien (a) de daarop betrekking hebbende strook grond eigendom van [partij 1] zal blijven en verjaring daarop nimmer van toepassing zal worden, (b) de afrastering ca. 1 meter hoog zal worden en zal bestaan uit stalen palen met een spijlenhekwerk, (c) bij eerste aanzegging zonder opgave van reden [partij 2] gehouden is de hekwerken en de palen, inclusief fundering, te verwijderen en (d) [partij 2] , bij verhuizing, gehouden is de hekwerken en de palen, inclusief fundering, te verwijderen. Uit randnummer 12 van de CvA/CvE blijkt dat [partij 2] heeft ingestemd met de voorwaarden, zoals hiervoor verwoord onder (a), (b) en (d). [partij 2] stelt dat voorwaarde (c), niet is besproken en zeker niet is afgesproken. 2.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij 2] onvoldoende gemotiveerd betwist dat voorwaarde (c) tussen partijen overeengekomen is. [partij 2] schrijft immers over die voorwaarde in zijn brief van 20 juni 2023 (productie 7 bij dagvaarding), in reactie op de brief van 14 juni 2023 van [partij 2] : “Deze “clausule” is bij nader inzien ongepast en kan te pas en te onpas gebruikt worden als spreekwoordelijke stok achter de deur. U (bedoeld is: [partij 1] , toevoeging rechtbank) zei immers tegen mij “dat u echt niet van plan was om dit kleine strookje grond tussentijds op te eisen, waarom moet deze bepaling dan toch in dit document opgenomen worden?” Uit deze passage leidt de rechtbank af dat partijen wel over deze voorwaarde hebben gesproken en dat [partij 2] daar aanvankelijk ook mee ingestemd heeft, maar dat hij daar achteraf kennelijk op terug wilde komen. Als juist zou zijn, zoals [partij 2] in de CvA/CvE stelt, dat in het geheel niet over voorwaarde (c) is gesproken, dan had het op zijn minst op zijn weg gelegen om toe te lichten hoe, vanuit dat perspectief, deze passage dan wel moet worden uitgelegd. Dat heeft [partij 2] nagelaten. Om die reden neemt de rechtbank als vaststaand aan dat onderdeel van de door [partij 1] verleende toestemming tot het plaatsen van het hekwerk op zijn grond was dat [partij 2] op zijn beurt gehouden was om zonder opgaaf van redenen bij eerste aanzegging door [partij 1] het ijzeren hekwerk ook weer te verwijderen. 2.7. De advocaat van [partij 1] heeft bij brief van 12 oktober 2023 (productie 8 bij dagvaarding) [partij 2] gesommeerd om het hekwerk uiterlijk op 1 januari 2024 te verwijderen. Nu [partij 2] aan die sommatie niet voldaan heeft, handelt hij onrechtmatig jegens [partij 1] . Dat betekent dat het gevorderde onder I zal worden toegewezen. Dat betekent tevens dat het gevorderde onder II zal worden toegewezen, voor zover deze vordering betrekking heeft op het ijzeren hekwerk. De rechtbank zal [partij 2] veroordelen om het hekwerk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te verwijderen. De rechtbank zal de door [partij 1] gevorderde dwangsom matigen en maximeren, op de wijze zoals in het dictum bepaald zal worden. Het gebruik van de strook grond 2.8. Het gevorderde onder II ziet ook op beëindiging van het gebruik van een strook grond door [partij 2] , waarvan de rechtbank aanneemt dat [partij 1] daarmee (thans) de strook grond gelegen tussen het ijzeren hekwerk en de door de deskundige aangewezen perceelgrens bedoelt. De rechtbank is van oordeel dat partijen over die strook grond een afspraak hebben gemaakt, die inhoudt dat [partij 2] (in ieder geval op zijn minst een deel van) die strook grond mocht gebruiken om gemakkelijk in en uit zijn auto te stappen (zie hiervoor rechtsoverweging 2.3). 2.9. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of [partij 1] gerechtigd is dat gebruik te beëindigen.
Volledig
Met [partij 1] is de rechtbank van oordeel dat deze gebruiksovereenkomst kwalificeert als een duurovereenkomst, die door opzegging beëindigd kan worden. [partij 1] heeft daarbij een redelijke opzegtermijn van meer dan twee kalendermaanden gehanteerd. Weliswaar heeft [partij 2] de mogelijkheid tot beëindiging betwist, maar hij heeft die betwisting slechts in heel algemene bewoordingen onderbouwd. De enkele stelling dat een dergelijke gebruiksovereenkomst naar zijn aard meerdere decennia zou moeten gelden, is onvoldoende concreet en daar gaat de rechtbank dan ook aan voorbij. Dat betekent dat de rechtbank vordering II, ook voor zover zij betrekking heeft op de strook grond, toe zal wijzen, met inachtneming van het hiervoor onder rechtsoverweging 2.7 ten aanzien van de gevorderde dwangsom overwogene. De afwatering 2.10. Uit het deskundigenbericht is niet gebleken dat de dakrand van het tuinhuis van [partij 2] zich, ten tijde van de grensconstructie, boven het perceel van [partij 1] bevindt. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin gebleken dat sprake is van een grensoverschrijdende afwatering (vgl. randnummer 26 van de dagvaarding). Weliswaar voert [partij 1] aan dat sprake zou zijn van afwatering op zijn perceel ter plaatse van het grootste gedeelte van het dak van het tuinhuis, maar ook dat blijkt niet uit het deskundigenbericht en wordt door [partij 2] gemotiveerd betwist. Uit het deskundigenbericht blijkt slechts dat de dakrand bij meetpunt 14 tegen de perceelgrens aanschuurt en zich bij meetpunt 15 op drie centimeter van de perceelgrens bevindt. Meer nog, uit de reactie van de advocaat van [partij 1] aan het kadaster (productie 15 bij conclusie na deskundigenbericht van [partij 2] ) blijkt dat [partij 1] zelf zich op het standpunt stelt dat de deskundige niet heeft vastgesteld en ook niet kan vaststellen dat sprake is van grensoverschrijdende afwatering. Beeldmateriaal, waarop bijvoorbeeld zichtbaar is dat het dak van het tuinhuis daadwerkelijk op het perceel van [partij 1] afwatert, ontbreekt, althans is niet in deze procedure overgelegd. Onder deze omstandigheden heeft [partij 1] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet onderbouwd dat sprake is van grensoverschrijdende afwatering. Dat betekent dat het gevorderde onder III moet worden afgewezen. Buitengerechtelijke kosten 2.11. [partij 1] vordert betaling ter zake de buitengerechtelijke kosten van een bedrag van € 925,00. [partij 2] heeft daar geen afzonderlijke betwisting tegen gericht, anders dan dat die vordering moet worden afgewezen, omdat de hoofdvorderingen in zijn visie zouden moeten worden afgewezen. 2.12. De rechtbank is van oordeel dat de hierna toe te wijzen vordering niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) valt. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] voldoende gesteld en onderbouwd heeft dat hij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Bovendien zijn de gestelde kosten in redelijkheid gemaakt. Er zijn meerdere brieven gestuurd, waarin ook inhoudelijke standpunten zijn gewisseld. Het door [partij 1] gevorderde bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals in het dictum bepaald. In (voorwaardelijke) reconventie 2.13. In voorwaardelijke reconventie heeft [partij 2] , samengevat, gevorderd dat de beukenhaag wordt verwijderd en aan hem wordt toegestaan een dakgoot aan te brengen. De door [partij 2] daaraan gekoppelde voorwaarde houdt in dat deze vorderingen alleen beoordeeld moeten worden, indien tussen partijen geen overeenkomst is gesloten met een inhoud, zoals door [partij 2] onder randnummer 10 en 11 van de CvA/CvE is betoogd. De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een andere inhoud heeft (namelijk een overeenkomst, waarvan voorwaarde c wel deel uitmaakt) dan door [partij 2] is betoogd, zodat de voorwaarde is vervuld en deze reconventionele vorderingen moeten worden beoordeeld. De beukenhaag 2.14. Tussen partijen is niet in geschil dat de beukenhaag in de verboden zone staat (vgl. onder meer randnummer 4 van de conclusie na deskundigenbericht van [partij 1] ). Dat betekent dat er in beginsel sprake is van een onrechtmatige situatie, waarvan [partij 2] opheffing kan vorderen. 2.15. [partij 1] heeft echter, onder andere, aangevoerd dat [partij 2] toestemming heeft gegeven voor het plaatsen van de beukenhaag. Hij doet daarmee een beroep op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 5:42 lid 1 BW. De rechtbank volgt [partij 1] in dat standpunt. [partij 2] heeft immers onder randnummer 7 van de CvA/CvE zelf erkend dat hij van het planten van de beukenhaag geen punt maakte, toen partijen met elkaar bespraken dat de beukenhaag in de verboden zone zou worden geplaatst. De rechtbank leest daarin de toestemming van [partij 2] tot het planten van de beukenhaag in de verboden zone. Weliswaar heeft [partij 2] betoogd dat die toestemming in een zeker verband stond met gebruiksafspraken over de strook grond, maar aan die stelling heeft [partij 2] onvoldoende concrete invulling gegeven en zij is ook door [partij 1] betwist. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat de toestemming tot het plaatsen van de beukenhaag door [partij 2] is verleend en daarom moet de vordering tot verwijdering worden afgewezen. Het aanbrengen van de dakgoot 2.16. [partij 2] vordert voorts dat [partij 1] wordt veroordeeld om alle noodzakelijke toestemming te verlenen om een dakgoot met een breedte van 60 mm aan het dak van het tuinhuis te plaatsen en die dakgoot te gehengen en te gedogen. [partij 1] betwist die vordering. 2.17. De rechtbank merkt allereerst op dat de plaatsing van een dakgoot met een breedte van 60 mm wel degelijk betekent, zo volgt immers uit het deskundigenbericht, dat de dakgoot boven het perceel van [partij 1] zal hangen. In zoverre volgt de rechtbank het primaire standpunt van [partij 2] niet. Ook het subsidiaire standpunt van [partij 2] , namelijk dat [partij 1] met het onthouden van toestemming, misbruik van recht maakt, volgt de rechtbank niet. Weliswaar voert [partij 2] aan dat de dakgoot hoogstens enkele centimeters zal overhangen en dat [partij 1] veel grond bezit, maar dat maakt niet dat hij om die reden het overhangen van de dakgoot maar moet dulden. Dat geldt te meer, nu niet gebleken is dat het aanbrengen van een dakgoot volledig boven het eigen perceel van [partij 2] (bijvoorbeeld door het inkorten van het dak) technisch onmogelijk of zeer lastig te realiseren is. Ook deze vordering zal de rechtbank daarom afwijzen. In conventie en in reconventie De Proceskosten 2.18. De rechtbank ziet aanleiding om, nu beide partijen in enige mate in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van de partijen de eigen proceskosten en dus ook de helft van de kosten van het deskundigenbericht draagt. Nu [partij 1] de kosten van de deskundige reeds volledig heeft voldaan, dient [partij 2] de helft van deze kosten, zijnde een bedrag van € 270,00, aan [partij 1] terug te betalen. 3 De beslissing De rechtbank In conventie 3.1. verklaart voor recht dat [partij 2] onrechtmatig gebruikt maakt van een deel van het perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] , 3.2.
Volledig
Met [partij 1] is de rechtbank van oordeel dat deze gebruiksovereenkomst kwalificeert als een duurovereenkomst, die door opzegging beëindigd kan worden. [partij 1] heeft daarbij een redelijke opzegtermijn van meer dan twee kalendermaanden gehanteerd. Weliswaar heeft [partij 2] de mogelijkheid tot beëindiging betwist, maar hij heeft die betwisting slechts in heel algemene bewoordingen onderbouwd. De enkele stelling dat een dergelijke gebruiksovereenkomst naar zijn aard meerdere decennia zou moeten gelden, is onvoldoende concreet en daar gaat de rechtbank dan ook aan voorbij. Dat betekent dat de rechtbank vordering II, ook voor zover zij betrekking heeft op de strook grond, toe zal wijzen, met inachtneming van het hiervoor onder rechtsoverweging 2.7 ten aanzien van de gevorderde dwangsom overwogene. De afwatering 2.10. Uit het deskundigenbericht is niet gebleken dat de dakrand van het tuinhuis van [partij 2] zich, ten tijde van de grensconstructie, boven het perceel van [partij 1] bevindt. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin gebleken dat sprake is van een grensoverschrijdende afwatering (vgl. randnummer 26 van de dagvaarding). Weliswaar voert [partij 1] aan dat sprake zou zijn van afwatering op zijn perceel ter plaatse van het grootste gedeelte van het dak van het tuinhuis, maar ook dat blijkt niet uit het deskundigenbericht en wordt door [partij 2] gemotiveerd betwist. Uit het deskundigenbericht blijkt slechts dat de dakrand bij meetpunt 14 tegen de perceelgrens aanschuurt en zich bij meetpunt 15 op drie centimeter van de perceelgrens bevindt. Meer nog, uit de reactie van de advocaat van [partij 1] aan het kadaster (productie 15 bij conclusie na deskundigenbericht van [partij 2] ) blijkt dat [partij 1] zelf zich op het standpunt stelt dat de deskundige niet heeft vastgesteld en ook niet kan vaststellen dat sprake is van grensoverschrijdende afwatering. Beeldmateriaal, waarop bijvoorbeeld zichtbaar is dat het dak van het tuinhuis daadwerkelijk op het perceel van [partij 1] afwatert, ontbreekt, althans is niet in deze procedure overgelegd. Onder deze omstandigheden heeft [partij 1] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet onderbouwd dat sprake is van grensoverschrijdende afwatering. Dat betekent dat het gevorderde onder III moet worden afgewezen. Buitengerechtelijke kosten 2.11. [partij 1] vordert betaling ter zake de buitengerechtelijke kosten van een bedrag van € 925,00. [partij 2] heeft daar geen afzonderlijke betwisting tegen gericht, anders dan dat die vordering moet worden afgewezen, omdat de hoofdvorderingen in zijn visie zouden moeten worden afgewezen. 2.12. De rechtbank is van oordeel dat de hierna toe te wijzen vordering niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) valt. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] voldoende gesteld en onderbouwd heeft dat hij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Bovendien zijn de gestelde kosten in redelijkheid gemaakt. Er zijn meerdere brieven gestuurd, waarin ook inhoudelijke standpunten zijn gewisseld. Het door [partij 1] gevorderde bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals in het dictum bepaald. In (voorwaardelijke) reconventie 2.13. In voorwaardelijke reconventie heeft [partij 2] , samengevat, gevorderd dat de beukenhaag wordt verwijderd en aan hem wordt toegestaan een dakgoot aan te brengen. De door [partij 2] daaraan gekoppelde voorwaarde houdt in dat deze vorderingen alleen beoordeeld moeten worden, indien tussen partijen geen overeenkomst is gesloten met een inhoud, zoals door [partij 2] onder randnummer 10 en 11 van de CvA/CvE is betoogd. De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een andere inhoud heeft (namelijk een overeenkomst, waarvan voorwaarde c wel deel uitmaakt) dan door [partij 2] is betoogd, zodat de voorwaarde is vervuld en deze reconventionele vorderingen moeten worden beoordeeld. De beukenhaag 2.14. Tussen partijen is niet in geschil dat de beukenhaag in de verboden zone staat (vgl. onder meer randnummer 4 van de conclusie na deskundigenbericht van [partij 1] ). Dat betekent dat er in beginsel sprake is van een onrechtmatige situatie, waarvan [partij 2] opheffing kan vorderen. 2.15. [partij 1] heeft echter, onder andere, aangevoerd dat [partij 2] toestemming heeft gegeven voor het plaatsen van de beukenhaag. Hij doet daarmee een beroep op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 5:42 lid 1 BW. De rechtbank volgt [partij 1] in dat standpunt. [partij 2] heeft immers onder randnummer 7 van de CvA/CvE zelf erkend dat hij van het planten van de beukenhaag geen punt maakte, toen partijen met elkaar bespraken dat de beukenhaag in de verboden zone zou worden geplaatst. De rechtbank leest daarin de toestemming van [partij 2] tot het planten van de beukenhaag in de verboden zone. Weliswaar heeft [partij 2] betoogd dat die toestemming in een zeker verband stond met gebruiksafspraken over de strook grond, maar aan die stelling heeft [partij 2] onvoldoende concrete invulling gegeven en zij is ook door [partij 1] betwist. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat de toestemming tot het plaatsen van de beukenhaag door [partij 2] is verleend en daarom moet de vordering tot verwijdering worden afgewezen. Het aanbrengen van de dakgoot 2.16. [partij 2] vordert voorts dat [partij 1] wordt veroordeeld om alle noodzakelijke toestemming te verlenen om een dakgoot met een breedte van 60 mm aan het dak van het tuinhuis te plaatsen en die dakgoot te gehengen en te gedogen. [partij 1] betwist die vordering. 2.17. De rechtbank merkt allereerst op dat de plaatsing van een dakgoot met een breedte van 60 mm wel degelijk betekent, zo volgt immers uit het deskundigenbericht, dat de dakgoot boven het perceel van [partij 1] zal hangen. In zoverre volgt de rechtbank het primaire standpunt van [partij 2] niet. Ook het subsidiaire standpunt van [partij 2] , namelijk dat [partij 1] met het onthouden van toestemming, misbruik van recht maakt, volgt de rechtbank niet. Weliswaar voert [partij 2] aan dat de dakgoot hoogstens enkele centimeters zal overhangen en dat [partij 1] veel grond bezit, maar dat maakt niet dat hij om die reden het overhangen van de dakgoot maar moet dulden. Dat geldt te meer, nu niet gebleken is dat het aanbrengen van een dakgoot volledig boven het eigen perceel van [partij 2] (bijvoorbeeld door het inkorten van het dak) technisch onmogelijk of zeer lastig te realiseren is. Ook deze vordering zal de rechtbank daarom afwijzen. In conventie en in reconventie De Proceskosten 2.18. De rechtbank ziet aanleiding om, nu beide partijen in enige mate in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van de partijen de eigen proceskosten en dus ook de helft van de kosten van het deskundigenbericht draagt. Nu [partij 1] de kosten van de deskundige reeds volledig heeft voldaan, dient [partij 2] de helft van deze kosten, zijnde een bedrag van € 270,00, aan [partij 1] terug te betalen. 3 De beslissing De rechtbank In conventie 3.1. verklaart voor recht dat [partij 2] onrechtmatig gebruikt maakt van een deel van het perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] , 3.2.