Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-17
ECLI:NL:RBLIM:2026:3539
Civiel recht
Rekestprocedure
6,472 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3539 text/xml public 2026-05-01T09:34:47 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-17 C/03/345171 / FA RK 25-1921 Uitspraak Rekestprocedure NL Maastricht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3539 text/html public 2026-05-01T09:34:17 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3539 Rechtbank Limburg , 17-03-2026 / C/03/345171 / FA RK 25-1921 Gezagsbeëindiging van de moeder van minderjarige. RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Maastricht Zaaknummer: C/03/345171 / FA RK 25-1921 Datum uitspraak: 17 maart 2026 Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging in de zaak van de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonend in [woonplaats] , maar thans verblijvende in Roemenië; [de pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder, wonend op een bij de rechtbank bekend adres; de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG , hierna te noemen: de GI, gevestigd in Roermond. De rechtbank heeft als informant uitgenodigd voor de zitting: [de vader] , hierna te noemen de vader, zonder bekende woon- of verblijfplaats. 1 Het verloop van de procedure 1.1 De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 september 2025; de brief van 11 februari 2026 van de GI, met bijlagen. 1.2 De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - een vertegenwoordigster van de Raad; - de pleegmoeder; - een vertegenwoordigster van de GI. De vader en de moeder zijn wel opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen. 2 De feiten 2.1 Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [minderjarige] verblijft sinds 3 augustus 2023 in een pleeggezin. 2.2 Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 augustus 2023 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, dus tot 2 november 2023. Daarnaast is bij voornoemde beschikking met ingang van 2 augustus 2023 een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een (crisis)pleeggezin voor de duur van twee weken verleend, dus tot 16 augustus 2023. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is nadien bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 augustus 2023 verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 2 november 2023. 2.3 [minderjarige] is vervolgens bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 oktober 2023 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 2 november 2023, dus tot 2 november 2024. Daarnaast is bij voornoemde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van zes maanden, met ingang van 2 november 2023, dus tot 2 mei 2024. De maatregelen zijn daarna telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 oktober 2025 tot 2 november 2026. 2.4 De GI heeft zich bij brief van 5 september 2025 bereid verklaard de voogdij te aanvaarden. 3 Het verzoek 3.1 De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2 De Raad heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op dit moment groeit [minderjarige] zodanig op dat hij ernstig wordt bedreigd in de ontwikkeling. De moeder is moeilijk tot niet bereikbaar en niet in staat om schriftelijk toestemming te verlenen, waardoor beslissingen in het belang van [minderjarige] moeilijk en nauwelijks gemaakt kunnen worden. [minderjarige] is bijna drie en er zal straks een school voor hem geregeld moeten worden. Ook zal hij een identiteitsbewijs moeten hebben. Daarnaast lukt het de ouders niet om openheid te geven over hun leefomstandigheden en opvoedkwaliteiten waardoor de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd kan worden. [minderjarige] verblijft daardoor al ruim twee jaar in een perspectief biedend pleeggezin. Waar [minderjarige] goed gehecht is aan pleegmoeder en zich mede daardoor veilig en leeftijdsadequaat kan ontwikkelen, lukt het [minderjarige] niet om een band op te bouwen met zijn ouders, omdat de ouders onregelmatig en minimaal de omgang met [minderjarige] nakomen. Sinds april 2025 hebben er geen fysieke contact momenten meer plaatsgevonden. [minderjarige] heeft recht op duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. 3.3 De moeder is niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen, doordat het de ouders al twee jaar niet lukt openheid te geven over hun leefomstandigheden en opvoedkwaliteiten. Er zijn alleen maar meer onduidelijkheden ontstaan. Daardoor is er geen zicht op de mogelijkheden van de ouders en hebben ouders geen zicht op wat [minderjarige] nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen.. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is al geruime tijd overschreden. 3.4 In het belang van [minderjarige] moet de GI de voogdij over hem krijgen, omdat de ouders geen openheid geven over hun leefomstandigheden en de Raad de indruk heeft dat er sprake kan zijn van uitbuiting. Daarnaast heeft de vader meermaals gedreigd [minderjarige] mee te nemen naar Roemenië. Daardoor is het van belang dat de verblijfplek van [minderjarige] geheim blijft voor de ouders. De Raad is van mening dat de veiligheid van [minderjarige] beter gewaarborgd kan blijven als de voogdij over [minderjarige] bij de GI komt te liggen in plaats van dat de voogdij bij de pleegmoeder komt te liggen. Daarnaast wil de pleegmoeder (nog) geenvoogdij over [minderjarige] . 4 De standpunten 4.1 De moeder is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. 4.2 De pleegmoeder stemt in met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder. De pleegmoeder heeft slechts sporadisch contact met de ouders en er is al geruime tijd geen contact meer tussen [minderjarige] en de ouders. Met [minderjarige] gaat het goed en de pleegmoeder doet haar best om de ouders erbij te betrekken. De moeder is bekend als een heel warm persoon en de pleegmoeder heeft het gevoel dat het niet de eigen keuze van de moeder is om niet betrokken te zijn. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de omgevingsfactoren waarmee de ouders te maken hebben. 4.3 De GI geeft aan dat er veel inspanning is verricht om de ouders erbij te betrekken, maar dat is niet gelukt. Onduidelijk is waar de ouders nu verblijven en in welk circuit zij zich bevinden. Het is belangrijk dat alle zaken (onder andere de zorgverzekering) voor [minderjarige] geregeld kunnen worden. Zodra alles goed geregeld is voor [minderjarige] , zal weer geprobeerd worden om in contact te komen met de ouders. Het vermoeden is dat de ouders zich in een zorgelijke situatie bevinden. 5 De beoordeling 5.1 De moeder heeft de Roemeense nationaliteit en de nationaliteit van [minderjarige] is onbekend. Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De rechtbank is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland gelegen is. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op het verzoek van toepassing. 5.2 Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien: a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3539 text/xml public 2026-05-01T09:34:47 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-17 C/03/345171 / FA RK 25-1921 Uitspraak Rekestprocedure NL Maastricht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3539 text/html public 2026-05-01T09:34:17 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3539 Rechtbank Limburg , 17-03-2026 / C/03/345171 / FA RK 25-1921 Gezagsbeëindiging van de moeder van minderjarige. RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Maastricht Zaaknummer: C/03/345171 / FA RK 25-1921 Datum uitspraak: 17 maart 2026 Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging in de zaak van de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonend in [woonplaats] , maar thans verblijvende in Roemenië; [de pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder, wonend op een bij de rechtbank bekend adres; de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG , hierna te noemen: de GI, gevestigd in Roermond. De rechtbank heeft als informant uitgenodigd voor de zitting: [de vader] , hierna te noemen de vader, zonder bekende woon- of verblijfplaats. 1 Het verloop van de procedure 1.1 De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 september 2025; de brief van 11 februari 2026 van de GI, met bijlagen. 1.2 De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - een vertegenwoordigster van de Raad; - de pleegmoeder; - een vertegenwoordigster van de GI. De vader en de moeder zijn wel opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen. 2 De feiten 2.1 Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [minderjarige] verblijft sinds 3 augustus 2023 in een pleeggezin. 2.2 Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 augustus 2023 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, dus tot 2 november 2023. Daarnaast is bij voornoemde beschikking met ingang van 2 augustus 2023 een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een (crisis)pleeggezin voor de duur van twee weken verleend, dus tot 16 augustus 2023. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is nadien bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 augustus 2023 verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 2 november 2023. 2.3 [minderjarige] is vervolgens bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 oktober 2023 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 2 november 2023, dus tot 2 november 2024. Daarnaast is bij voornoemde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van zes maanden, met ingang van 2 november 2023, dus tot 2 mei 2024. De maatregelen zijn daarna telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 oktober 2025 tot 2 november 2026. 2.4 De GI heeft zich bij brief van 5 september 2025 bereid verklaard de voogdij te aanvaarden. 3 Het verzoek 3.1 De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2 De Raad heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op dit moment groeit [minderjarige] zodanig op dat hij ernstig wordt bedreigd in de ontwikkeling. De moeder is moeilijk tot niet bereikbaar en niet in staat om schriftelijk toestemming te verlenen, waardoor beslissingen in het belang van [minderjarige] moeilijk en nauwelijks gemaakt kunnen worden. [minderjarige] is bijna drie en er zal straks een school voor hem geregeld moeten worden. Ook zal hij een identiteitsbewijs moeten hebben. Daarnaast lukt het de ouders niet om openheid te geven over hun leefomstandigheden en opvoedkwaliteiten waardoor de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd kan worden. [minderjarige] verblijft daardoor al ruim twee jaar in een perspectief biedend pleeggezin. Waar [minderjarige] goed gehecht is aan pleegmoeder en zich mede daardoor veilig en leeftijdsadequaat kan ontwikkelen, lukt het [minderjarige] niet om een band op te bouwen met zijn ouders, omdat de ouders onregelmatig en minimaal de omgang met [minderjarige] nakomen. Sinds april 2025 hebben er geen fysieke contact momenten meer plaatsgevonden. [minderjarige] heeft recht op duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. 3.3 De moeder is niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen, doordat het de ouders al twee jaar niet lukt openheid te geven over hun leefomstandigheden en opvoedkwaliteiten. Er zijn alleen maar meer onduidelijkheden ontstaan. Daardoor is er geen zicht op de mogelijkheden van de ouders en hebben ouders geen zicht op wat [minderjarige] nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen.. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is al geruime tijd overschreden. 3.4 In het belang van [minderjarige] moet de GI de voogdij over hem krijgen, omdat de ouders geen openheid geven over hun leefomstandigheden en de Raad de indruk heeft dat er sprake kan zijn van uitbuiting. Daarnaast heeft de vader meermaals gedreigd [minderjarige] mee te nemen naar Roemenië. Daardoor is het van belang dat de verblijfplek van [minderjarige] geheim blijft voor de ouders. De Raad is van mening dat de veiligheid van [minderjarige] beter gewaarborgd kan blijven als de voogdij over [minderjarige] bij de GI komt te liggen in plaats van dat de voogdij bij de pleegmoeder komt te liggen. Daarnaast wil de pleegmoeder (nog) geenvoogdij over [minderjarige] . 4 De standpunten 4.1 De moeder is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. 4.2 De pleegmoeder stemt in met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder. De pleegmoeder heeft slechts sporadisch contact met de ouders en er is al geruime tijd geen contact meer tussen [minderjarige] en de ouders. Met [minderjarige] gaat het goed en de pleegmoeder doet haar best om de ouders erbij te betrekken. De moeder is bekend als een heel warm persoon en de pleegmoeder heeft het gevoel dat het niet de eigen keuze van de moeder is om niet betrokken te zijn. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de omgevingsfactoren waarmee de ouders te maken hebben. 4.3 De GI geeft aan dat er veel inspanning is verricht om de ouders erbij te betrekken, maar dat is niet gelukt. Onduidelijk is waar de ouders nu verblijven en in welk circuit zij zich bevinden. Het is belangrijk dat alle zaken (onder andere de zorgverzekering) voor [minderjarige] geregeld kunnen worden. Zodra alles goed geregeld is voor [minderjarige] , zal weer geprobeerd worden om in contact te komen met de ouders. Het vermoeden is dat de ouders zich in een zorgelijke situatie bevinden. 5 De beoordeling 5.1 De moeder heeft de Roemeense nationaliteit en de nationaliteit van [minderjarige] is onbekend. Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De rechtbank is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland gelegen is. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op het verzoek van toepassing. 5.2 Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien: a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt.
Volledig
5.3 Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel en, omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige, beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. 5.4 De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen. 5.5 De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is gelegen in het gebrek aan contact met zijn ouders en het onvermogen van de ouders om [minderjarige] de juiste zorg te bieden. [minderjarige] verblijft al vanaf drie maanden na zijn geboorte in een perspectief biedend pleeggezin waarin hij veilig opgroeit en gestimuleerd wordt in zijn ontwikkeling. [minderjarige] is inmiddels gehecht aan de pleegmoeder en voor hem is het belangrijk dat hij duidelijkheid heeft over zijn perspectief en dat hij weet dat hij mag opgroeien in het pleeggezin. Doordat de moeder moeilijk tot niet bereikbaar is en niet in staat is om schriftelijk toestemming te verlenen, kunnen beslissingen die in het belang van [minderjarige] nodig zijn, moeilijk en nauwelijks gemaakt worden. Daarnaast lukt het de ouders niet openheid te geven over hun leefomstandigheden en opvoedkwaliteiten waardoor er geen zicht is op hun mogelijkheden. Op het aanbod van de GI om hulp in te schakelen voor de ouders, zijn de ouders niet ingegaan. 5.6 De rechtbank is verder van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] inmiddels is verstreken. De ouders verblijven in Roemenië en onduidelijk is of en wanneer ze zullen terug keren naar Nederland. Het lukt de ouders al twee jaar niet openheid te geven over hun leefomstandigheden en opvoedkwaliteiten en het is niet waarschijnlijk dat het de ouders zal lukken daar binnen afzienbare tijd verandering in te brengen. De rechtbank acht de moeder niet in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding voor [minderjarige] binnen een voor hem aanvaardbaar te achten termijn te dragen. 5.7 De rechtbank benadrukt dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet in de weg staat aan de mogelijkheid van contactherstel tussen [minderjarige] en de ouders. De rechtbank ziet daartoe ook mogelijkheden. De pleegmoeder heeft aangegeven dat ze haar best doet om contact met de ouders te hebben en dat zij de moeder kent als een warm persoon. Wel dient bij een contactherstel het belang en de behoefte van [minderjarige] voorop te staan. 5.8 Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De Raad stelt gemotiveerd voor om de GI tot voogd te benoemen. De GI heeft verklaard dat te willen doen. De pleegmoeder wil (nog) geen voogdij over [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat de GI met de voogdij moet worden belast. 5.9 De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1 beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 2002 in [geboorteplaats 2] , Roemenië, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] ; 6.2 benoemt Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg , gevestigd in Roermond, tot voogd over genoemde minderjarige; 6.3 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Geerman (voorzitter), mr. Van Uum en mr. Bregonje, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026, in aanwezigheid van Smeets als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK. Artikel 1:275, eerste lid, BW.
Volledig
5.3 Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel en, omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige, beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. 5.4 De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen. 5.5 De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is gelegen in het gebrek aan contact met zijn ouders en het onvermogen van de ouders om [minderjarige] de juiste zorg te bieden. [minderjarige] verblijft al vanaf drie maanden na zijn geboorte in een perspectief biedend pleeggezin waarin hij veilig opgroeit en gestimuleerd wordt in zijn ontwikkeling. [minderjarige] is inmiddels gehecht aan de pleegmoeder en voor hem is het belangrijk dat hij duidelijkheid heeft over zijn perspectief en dat hij weet dat hij mag opgroeien in het pleeggezin. Doordat de moeder moeilijk tot niet bereikbaar is en niet in staat is om schriftelijk toestemming te verlenen, kunnen beslissingen die in het belang van [minderjarige] nodig zijn, moeilijk en nauwelijks gemaakt worden. Daarnaast lukt het de ouders niet openheid te geven over hun leefomstandigheden en opvoedkwaliteiten waardoor er geen zicht is op hun mogelijkheden. Op het aanbod van de GI om hulp in te schakelen voor de ouders, zijn de ouders niet ingegaan. 5.6 De rechtbank is verder van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] inmiddels is verstreken. De ouders verblijven in Roemenië en onduidelijk is of en wanneer ze zullen terug keren naar Nederland. Het lukt de ouders al twee jaar niet openheid te geven over hun leefomstandigheden en opvoedkwaliteiten en het is niet waarschijnlijk dat het de ouders zal lukken daar binnen afzienbare tijd verandering in te brengen. De rechtbank acht de moeder niet in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding voor [minderjarige] binnen een voor hem aanvaardbaar te achten termijn te dragen. 5.7 De rechtbank benadrukt dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet in de weg staat aan de mogelijkheid van contactherstel tussen [minderjarige] en de ouders. De rechtbank ziet daartoe ook mogelijkheden. De pleegmoeder heeft aangegeven dat ze haar best doet om contact met de ouders te hebben en dat zij de moeder kent als een warm persoon. Wel dient bij een contactherstel het belang en de behoefte van [minderjarige] voorop te staan. 5.8 Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De Raad stelt gemotiveerd voor om de GI tot voogd te benoemen. De GI heeft verklaard dat te willen doen. De pleegmoeder wil (nog) geen voogdij over [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat de GI met de voogdij moet worden belast. 5.9 De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1 beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 2002 in [geboorteplaats 2] , Roemenië, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] ; 6.2 benoemt Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg , gevestigd in Roermond, tot voogd over genoemde minderjarige; 6.3 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Geerman (voorzitter), mr. Van Uum en mr. Bregonje, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026, in aanwezigheid van Smeets als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK. Artikel 1:275, eerste lid, BW.