Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-04-15
ECLI:NL:RBLIM:2026:3532
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/341018 / HA ZA 25-165 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van 1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 1] , te [plaats 1] , 2 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 2] , te [plaats 2] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [B.V. 1] en [B.V. 2] , advocaat: mr. D.B. Holthinrichs; tegen: 1. de rechtspersoon naar Belgisch recht GEENARD ELECTRO N.V. , te Lanaken (België),2. de rechtspersoon naar Belgisch recht KBC VERZEKERINGEN N.V. , te Leuven (België), gedaagde partijen, hierna samen te noemen: Geenard en KBC . advocaat: mr. J.J. van de Velde. 1 Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 74;- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie met producties 3 t/m 60; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de conclusie van antwoord in reconventie met producties 75 t/m 78; - productie 61 van Geenard en KBC (ingediend 24 december 2025); - producties 79 t/m 87 van [B.V. 1] (ingediend 30 december 2025); - productie 62 van Genaard en KBC (ingediend 12 januari 2026); - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 januari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [B.V. 1] is een beheersmaatschappij die het vastgoed beheert van het concern [B.V. 2] . Dat concern exploiteert een vijftal doe-het-zelfzaken. Binnen het concern exploiteert [B.V. 2] de winkel in de gemeente Landgraaf . 2.2. Voor de bouw van een nieuw winkelpand van [B.V. 2] in [plaats 2] heeft [B.V. 1] in september 2022 een aannemingsovereenkomst gesloten met Geenard . De werkzaamheden van Geenard zagen op het aanleggen van de elektrische installatie in dat pand. In de aannemingsovereenkomst is bepaald: in artikel 1.2 dat de UAV 2012 van toepassing is op de overeenkomst, tenzij daarvan in de aannemingsovereenkomst wordt afgeweken; in artikel 7.2 dat het werk uiterlijk opgeleverd wordt op 28 februari 2023; in artikel 7.4 dat [B.V. 1] bij een bouwtijdoverschrijding aanspraak heeft op een korting van € 500,00 per kalenderdag, met een maximum van € 50.000,00. in artikel 16.1 dat Nederlands recht van toepassing is; in artikel 16.2 dat alle geschillen die naar aanleiding van de aannemingsovereenkomst ontstaan tussen de aannemer en de opdrachtgever ter keuze van de opdrachtgever worden beslecht door de gewone rechter te Nederland, dan wel de Raad van Arbitrage voor de Bouw te Utrecht; 2.3. Geenard heeft bij de uitvoering van haar werkzaamheden gebruik gemaakt van een hoogwerker die haar eigendom is. Op 18 september 2023 heeft de heer [persoon 1] , hoofd gebouwenbeheer van [B.V. 1] , geconstateerd dat zuur uit de accu van die hoogwerker lekte op de vloer van het in aanbouw zijnde winkelpand. Het zuur is gedeeltelijk in de vloer getrokken en heeft daarin vlekken veroorzaakt. [B.V. 1] heeft Geenard vervolgens verzocht om direct contact op te nemen met de [firma], een bedrijf gespecialiseerd in betonvloerrenovatie, om de vloer zo snel mogelijk te laten schoonmaken en te herstellen. Geenard heeft toen geen gehoor gegeven aan dat verzoek. 2.4. Bij schrijven van 3 oktober 2023 heeft [B.V. 1] Geenard in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen veertien dagen nadien te zorgen voor herstel van onder andere de met accuzuur beschadigde vloer. Geenard heeft daarop niet gereageerd. 2.5. Op verzoek van [B.V. 1] heeft [firma] onderzocht hoe de vloer het beste kon worden hersteld en welke kosten daaraan verbonden zijn. In een e-mail van 16 oktober 2023 laat [firma] weten dat ze geprobeerd heeft de vloer oppervlakkig schoon te slijpen, maar dat dit geen voldoende resultaat heeft opgeleverd. Volgens [firma] zal er diep geslepen moeten worden. Omdat bij diep slijpen een “lappendeken” ontstaat, heeft [firma] een offerte opgesteld voor de behandeling van de hele vloer. De offerte bedraagt De door [firma] voorgestelde wijze van herstel houdt volgens hem immers een verbetering in en strookt niet met het functionele karakter van de vloer. [deskundige 1] concludeert in zijn rapport dat de betonvloer op verschillende plaatsten oppervlakkig is beschadigd door meerdere oorzaken. [deskundige 1] acht het aanbod van Concrete Masters de meest passende behandeling. Na evaluatie ter plaatse en rekening houdend met het gevraagde en het volgens hem zeer geringe kleurverschil dat na de behandeling op basis van de door Concrete Masters geadviseerde methode nog aanwezig zou zijn, is hij van mening dat de schade in redelijkheid kan worden begroot op € 35.400,00. 2.19. Op 28 maart 2024 heeft Geenard [B.V. 1] in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Oost-Brabant en in die procedure betaling gevorderd van twee facturen. Bij vonnis van 22 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Geenard toegewezen. 2.20. In het kader van een arbitrageprocedure bij de Raad van Arbitrage heeft [B.V. 1] op 1 mei 2024 een spoedplaatsopneming gevraagd, die op 7 mei 2024 heeft plaatsgevonden. 2.21. [B.V. 1] heeft op 5 juni 2024 aan [deskundige 2] als deskundige opdracht verstrekt tot het uitbrengen van een advies over de kwaliteit van de installatie van de laagspanningsinstallatie zoals gerealiseerd door Geenard in het winkelpand van [B.V. 1] . De heer [persoon 2] van [deskundige 2] heeft op 18 juli 2024 een rapport uitgebracht. Uit het antwoord op vraag 7 in dit rapport volgt dat [persoon 2] zich aansluit bij de bevindingen van [installatiebedrijf] over de werkzaamheden die uitgevoerd moeten worden om gebreken te herstellen en bij de omvang van de herstelkosten. 2.22. Geenard heeft het werk niet ter oplevering aangeboden. 2.23. Het winkelpand is op 1 december 2024 door [B.V. 1] opgeleverd en verhuurd aan [B.V. 2] . 3 Het geschil In conventie De vorderingen van [B.V. 1] 3.1. vordert, na wijziging van haar eis , dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Ten aanzien van Geenard I. voor recht verklaart dat Geenard toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en aansprakelijk is voor de geleden schade, waaronder onder meer begrepen de schade aan de betonvloer, de schade door bouwvertraging en het uitblijven van oplevering, de kosten om het werk door een derde te laten herstellen en voltooien en de overige geleden gevolgschade; Ten aanzien van KBC II. voor recht verklaart dat KBC onder de aansprakelijkheidsverzekering van Geenard is gehouden om de schade van [B.V. 1] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst, voornoemd onder I., te vergoeden aan [B.V. 1] ; Ten aanzien van zowel Geenard en KBC Geenard en KBC hoofdelijk veroordeelt tot: III. betaling aan [B.V. 1] , des de een betalende de ander zij gekweten, van een bedrag van € 2.070.199,00, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 juli 2024 althans vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; IV. vergoeding van de overige door [B.V. 1] geleden en nog te lijden schade als voornoemd onder I., nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; V. betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 57.966,96, althans € 27.455,36; VI. betaling van de proceskosten, waaronder het salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten voor zover Geenard en KBC niet vrijwillig betalen binnen veertien dagen vonnis; 3.2. Het onder III gevorderde bedrag van € 2.070.199,00 bestaat uit de volgende posten: € 225.400,00 ex btw aan schade betonvloer; € 172.000,00 ex btw aan herstelkosten conform offerte [installatiebedrijf] ; € 282.500,00 ex btw aan kosten afronding werk conform offerte [installatiebedrijf] ; € 1.320.000,00 ex btw aan gederfde huurinkomsten; € 50.000,00 aan boete voor bouwtijdoverschrijding; € 3.274,50 aan huurkosten stroomaggregaat; € 9.645,60 aan misgelopen opbrengst teruglevering PV-installatie februari t/m april 2024; € 3.094,57 aan misgelopen opbrengst teruglevering PV-inst 1] en Geenard in artikel 16.1 van de aannemingsovereenkomst een keuze voor Nederlands recht zijn overeengekomen en artikel 3 lid 1 Rome I een rechtskeuze toelaat, is op hun rechtsverhouding Nederlands recht van toepassing. De rechtsverhouding in conventie [B.V. 2] - Geenard 4.5. De rechtsverhouding tussen [B.V. 2] en Geenard wordt beheerst door de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (verder te noemen: Rome II). Deze verordening is materieel (artikel 1 Rome II), formeel (artikel 2 Rome II) en temporeel (artikel 31 Rome II) van toepassing. 4.6. Omdat de schade als gevolg van de beweerdelijk door Geenard jegens [B.V. 2] gepleegde onrechtmatige daad in Nederland wordt geleden, is op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Rome II Nederlands recht van toepassing. De rechtsverhouding in conventie [B.V. 1] en [B.V. 2] - KBC 4.7. Door KBC is niet betwist dat op de verzekeringsovereenkomst tussen haar en Geenard Belgisch recht van toepassing is. 4.8. Op grond van het bepaalde in artikel 18 Rome II heeft degene die schade heeft geleden een rechtstreekse vordering op de verzekeraar van de aansprakelijke partij, indien het op de niet-contractuele verbintenis toepasselijke recht of het op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke recht hierin voorziet. Dat laatste is hier het geval, nu door [B.V. 1] onbetwist is gesteld dat op grond van het bepaalde in artikel 150 van de (Belgische) Wet van 4 april 2014 betreffende verzekeringen de benadeelde partij een rechtstreekse vordering heeft op de verzekeraar. Op de rechtsverhouding tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] enerzijds en KBC anderzijds is dus Belgisch recht van toepassing. De rechtsverhouding in reconventie van Geenard en KBC - [B.V. 1] en [B.V. 2] 4.9. Deze rechtsverhouding wordt beheerst door de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (verder te noemen: Rome II). Deze verordening is materieel (artikel 1 Rome II), formeel (artikel 2 Rome II) en temporeel (artikel 31 Rome II) van toepassing. 4.10. Gelet op artikel 10 lid 1 Rome II is gezien de samenhang van de vordering in reconventie met de vordering in conventie in de rechtsrelatie [B.V. 1] - Geenard Nederlands recht van toepassing op de vordering in reconventie. In conventie A: De vorderingen van [B.V. 1] ten aanzien van Geenard De betonvloer Vordering I 4.11. Geenard heeft tijdens de mondelinge behandeling de aansprakelijkheid voor de lekkage van het accuzuur uit haar hoogwerker en de als gevolg daarvan opgetreden schade aan de vloer van het nieuwe winkelpand van [B.V. 1] erkend. Omdat [B.V. 1] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat Geenard toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, dient te worden vastgesteld of de aansprakelijkheid contractueel van aard is, zoals [B.V. 1] stelt. 4.12. [B.V. 1] heeft aangevoerd dat er sprake is van een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 BW ten aanzien van een nevenverbintenis van aannemingsovereenkomst met als inhoud dat bij de uitvoering van die overeenkomst geen schade aan [B.V. 1] berokkend mag worden. 4.13. De rechtbank overweegt als volgt. De hoofdverbintenis die uit de aannemingsovereenkomst voortvloeit, bestaat daarin dat Geenard een deugdelijke elektrische installatie moet aanbrengen in het nieuwe winkelpand van [B.V. 1] . De daarmee verband houdende nevenverbintenis houdt in dat Geenard bij de uitvoering van die installatiewerkzaamheden geen schade zal toebrengen aan de eigendommen van [B.V. 1] . Vaststaat dat Geenard schade berokkend heeft aan de eigendom van [B.V. 1] , doordat de door haar gebruikte hoogwerker accuzuur lekte op de vloer. Dat betekent dat zij toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van deze nevenverbintenis (artikel 6:74 BW). Omdat Geenard bij het uitvoeren van de werkzaamhed 1] stelt dat zij schade geleden heeft als gevolg van het feit dat het pand niet op 1 december 2023 opgeleverd is door Geenard zoals partijen hadden afgesproken, maar pas op 1 december 2024. Als gevolg daarvan heeft [B.V. 1] het pand niet per 1 december 2023 kunnen verhuren aan [B.V. 2] . De schade aan gemiste huurinkomsten over de periode 1 december 2023 tot 1 december 2024 berekent [B.V. 1] op € 1.320.000,00 (€ 110.000,00 exclusief btw per maand x 12 maanden). [B.V. 1] maakt daarnaast aanspraak op de contractuele boete voor overschrijding van de bouwtijd van € 50.000,00. 4.23. De rechtbank overweegt dat voor de vorderingen van [B.V. 1] , die gegrond zijn op bouwvertraging, relevant is wat tussen partijen is overeengekomen over de datum van oplevering van het werk door Geenard . 4.24. [B.V. 1] stelt dat volgens de aannemingsovereenkomst Geenard het werk op 28 februari 2023 diende op te leveren, maar dat deze datum in overleg is verschoven. Partijen zijn in oktober 2023 overeengekomen dat Geenard haar werkzaamheden op 1 december 2023 zou opleveren. Dat laatste neemt volgens [B.V. 1] niet weg dat Geenard op 28 februari 2023 automatisch in verzuim verkeerde, nu zij niet om een verlenging van de oplevertermijn op grond van artikel 8 lid 4 UAV 2012 heeft verzocht. 4.25. Volgens Geenard hebben partijen de oorspronkelijke contractuele opleverdatum van 28 februari 2023 direct na het sluiten van de overeenkomst losgelaten, omdat andere aannemers nog niet klaar waren met hun werk. Er is geen nieuwe opleverdatum afgesproken. Volgens Geenard hebben partijen in oktober 2023 een gesprek gevoerd, maar zij betwist toen te hebben toegezegd vóór 1 december 2023 klaar te zijn met haar werk. 4.26. De rechtbank verwerpt de stelling van [B.V. 1] dat het verzuim per 28 februari 2023 was ingetreden op grond van paragraaf 8 lid 4 UAV 2012, omdat er geen schriftelijke verlenging van de bouwtermijn is gevraagd door Geenard . Partijen hebben samen in overleg 28 februari 2023 als opleverdatum laten vallen. Daardoor is paragraaf 8 lid 4 UAV 2012, dat een regeling biedt voor verlenging van de oplevertijd hetzij op verzoek van de opdrachtgever hetzij op verzoek van de opdrachtnemer, niet meer van toepassing. Van verzuim van rechtswege als gevolg van paragraaf 8 lid 4 UAV 2012 per 28 februari 2023 is daarom geen sprake. 4.27. [B.V. 1] baseert haar vordering op de stelling dat 1 december 2023 de nieuwe, definitieve, tussen partijen overeengekomen opleverdatum is. De rechtbank constateert dat in de overgelegde correspondentie in oktober 2023 niet wordt gerept over een nieuwe opleverdatum, terwijl [B.V. 1] wel vraagt wanneer Geenard klaar is met het werk. Daardoor is niet komen vast te staan dat partijen 1 december 2023 als nieuwe opleverdatum zijn overeengekomen in plaats van de aanvankelijk overeengekomen datum van 28 februari 2023. Dat Geenard op 1 december 2023 automatisch in verzuim is geraakt, is daarom evenmin gebleken. 4.28. Dat de advocaat van Geenard in de kortgedingprocedure tussen partijen volgens zijn spreekaantekeningen heeft verklaard dat: “(…) partijen slechts waren overeengekomen dat de werkzaamheden per 1 december zouden worden opgeleverd. ”, leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitlating is niet te beschouwen als een gerechtelijke erkenning door Geenard , want Geenard heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het een verklaring betreft die is gebaseerd op een verkeerde uitleg van de advocaat van Geenard van hetgeen partijen zijn overeengekomen (of: hebben afgesproken over beëindigen werkzaamheden vanwege de stellingbouw). 4.29. Slotsom: er is niet gebleken dat partijen 1 december 2023 als nieuwe fatale oplevertermijn zijn overeengekomen, en dat Geenard op die dag in verzuim is geraakt met haar verplichting tot oplevering. Dat betekent dat Geenard niet aansprakelijk is voor het feit dat [B.V. 1] met ingang van die datum niet het winkelpand aan [B.V. 2] ter beschikking kon stellen ter uitvoering van de met deze gesloten huurovereenkomst. De vord Nu uit het hierboven overwogene volgt dat die vorderingen moeten worden afgewezen, moet ook de vordering ter zake de kosten van deskundige [persoon 2] tot vaststelling daarvan worden afgewezen. 4.41. De vordering ter zake van de kosten van de legal opinion van [persoon 3] (€ 4.237,62) wordt afgewezen, omdat deze kosten moeten worden geacht te vallen onder de advocaatkosten waarvoor een vergoeding via een kostenveroordeling volgens het liquidatietarief wordt toegekend. 4.42. De kosten in verband met de procedure bij de Raad van Arbitrage (€ 9.028,75) moeten worden afgewezen, omdat deze verband houden met de vordering tot het afmaken van het aangenomen werk en niet zien op de incasso van een schadevergoedingsvordering. 4.43. De juridische kosten moeten eveneens worden afgewezen. Ook deze kosten zien niet op de kosten gemaakt in verband met de incasso van een geldvordering, maar op de kosten gemaakt in verband met sommaties tot herstel van de vloer. B: De vorderingen van [B.V. 1] ten aanzien van KBC Vordering II 4.44. Uit het recht dat van toepassing is op de vorderingen vloeit voort dat de benadeelde een rechtstreekse vordering heeft op KBC , als aansprakelijkheidsverzekeraar van Geenard . Daaruit volgt dat in zoverre [B.V. 1] een vordering heeft op Geenard , zij ook een vergoeding heeft op KBC . 4.45. Eerder in dit vonnis is overwogen dat [B.V. 1] een vordering heeft op Geenard . Dat betekent dat de vordering onder II voor toewijzing gereed ligt. C: De vorderingen van [B.V. 1] ten aanzien van Geenard en KBC (hoofdelijk) Vordering III 4.46. Gelet op wat eerder in dit vonnis is overwogen over de post herstelkosten van de betonvloer, zal de rechtbank de vordering tot hoofdelijke veroordeling van Geenard en KBC tot betaling van € 35.400,00 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal deze vordering worden afgewezen. Vordering IV 4.47. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.38 zal deze vordering worden afgewezen. Vordering V 4.48. Eerder is in dit vonnis in relatie tot Geenard geoordeeld dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten voor partijdeskundige [adviseur] van € 1.250,00 toewijsbaar zijn. KBC zal met Geenard hoofdelijk tot betaling van dit bedrag veroordeeld worden. Voor het overige zal deze vordering worden afgewezen. D: De vorderingen van [B.V. 2] ten aanzien van Geenard 4.49. Eerder in dit vonnis is overwogen dat niet is komen vast te staan dat [B.V. 1] en Geenard zijn overeengekomen dat Geenard haar werkzaamheden op 1 december 2023 zou opleveren. Verder is overwogen dat [B.V. 1] Geenard niet in staat heeft gesteld haar werkzaamheden af te maken en dat Geenard niet met ingang van 1 december 2023 in verzuim is jegens [B.V. 1] . Geenard heeft derhalve niet onrechtmatig jegens [B.V. 2] gehandeld doordat het werk op 1 december 2023 niet af was en [B.V. 2] het winkelpand met ingang van die datum niet heeft kunnen huren van [B.V. 1] . 4.50. Slotsom: de vorderingen van [B.V. 2] onder A, C en D moeten worden afgewezen. E: De vorderingen van [B.V. 2] ten aanzien van KBC 4.51. Omdat de vorderingen van [B.V. 2] ten aanzien van Geenard zijn afgewezen, moeten ook de vorderingen van [B.V. 2] op KBC , als aansprakelijkheidsverzekeraar van Geenard , worden afgewezen. 4.52. Slotsom: de vorderingen onder B, C en D worden afgewezen. In reconventie 4.53. Geenard en KBC hebben op 15 april 2025 onder protest en voorbehoud van alle rechten € 125.000,-- overgemaakt op de derdenrekening van de advocaat van [B.V. 1] . 4.54. In conventie is geoordeeld dat Geenard en KBC hoofdelijk veroordeeld zullen worden tot betaling van € 35.400,00 in verband met de schade aan de betonvloer en tot betaling van € 1.250,00 aan kosten voor partijdeskundige [adviseur] . Dat betekent dat Geenard en KBC onverschuldigd hebben betaald € 125.000,00 - € 35.400,00 - € 1.250,00 = € 88.350,00. De rechtbank zal dit bedrag in reconventie toewijzen, te vermeerderen met de wetteli