Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-14
ECLI:NL:RBLIM:2026:3498
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,986 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3498 text/xml public 2026-04-29T14:14:17 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-14 ROE 22/2796 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3498 text/html public 2026-04-29T14:14:11 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3498 Rechtbank Limburg , 14-04-2026 / ROE 22/2796 De rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep omdat het beroep zich richt tegen een brief van de commissie bezwaarschriften waarin eiser alleen geïnformeerd wordt dat de commissie geen advies zal uitbrengen. De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 22/2796 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L.) (gemachtigde: S.N.J. Kerkhoff). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over eisers verzoek aan het college om een aan zijn partner opgelegde last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. 1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat zij niet bevoegd is kennis te nemen van eisers beroep. Eiser heeft namelijk beroep ingesteld tegen een brief van de commissie bezwaarschriften. Deze brief is geen besluit waartegen beroep open staat. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeelt heeft. Procesverloop 2. Op 12 juni 2022 heeft het college eisers partner een last onder dwangsom opgelegd. Eisers partner heeft daartegen bezwaar gemaakt. Na afloop van de hoorzitting in bezwaar heeft eiser het college op 12 september 2022 verzocht de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. 2.1. Op 13 september 2022 heeft het college eiser laten weten dat het de last niet ambtshalve zal intrekken. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. De commissie bezwaarschriften heeft in een brief van 15 november 22 laten weten over dat bezwaar geen apart advies uit te brengen omdat het al een advies moest geven over het bezwaar tegen de last onder dwangsom. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van de commissie bezwaarschriften. Eiser heeft dat beroep later aangevuld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer ROE 22/2797. Eiser heeft bij aanvang van de zitting een wrakingsverzoek ingediend, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst. Dit wrakingsverzoek is op 4 september 2025 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 4 maart 2026 (gevoegd met zaak ROE 22/2797) voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. 2.4. Na zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst. De rechtbank doet in beide zaken apart uitspraak. Beoordeling door de rechtbank Standpunt van eiser 3. Voor zover hier van belang stelt eiser zich op het standpunt dat de rechtbank in deze zaak niet bevoegd is. Wanneer beroep wordt ingesteld tegen een besluit is de rechtbank bevoegd in het rechtsgebied waar eiser woont. Dat is in dit geval de rechtbank Gelderland omdat eiser in [woonplaats] woont. 3.1. Eiser heeft verder diverse inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de aan zijn partner opgelegde last onder dwangsom. Daarnaast heeft hij verzocht om compensatie voor hemzelf en voor zijn schoonzoon. Eiser stelt dat de compensatie gelijk moet zijn aan het sanctiebedrag vermenigvuldigd met het aantal dagen vanaf 11 oktober 1909, de dag waarop het nationale recht op dit punt had moeten overeenstemmen met het Europese recht maar dat volgens eiser niet doet. 3.2. Tot slot heeft eiser verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bevoegdheid 4. De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is, maar om een andere reden dan door eiser naar voren is gebracht. De rechtbank Limburg is in beginsel onafhankelijk van de woonplaats van eiser bevoegd om kennis te nemen van beroepen tegen besluiten van bestuursorganen van de gemeente Bergen (L). De brief van 15 november 2022 van de commissie bezwaarschriften is echter geen besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief is namelijk niet gericht op een publiekrechtelijk rechtsgevolg. In de brief staat geen besluit op eisers bezwaar tegen de weigering de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. De commissie bezwaarschriften informeert eiser in de brief er alleen over dat de commissie niet nog een keer advies zal uitbrengen omdat zij al advies uitbrengt over het bezwaar tegen de last onder dwangsom zelf. Omdat de brief geen besluit is staat daartegen geen beroep bij de bestuursrechter open. De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. 5. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroepschrift ter behandeling als bezwaar naar het college door te sturen. Tegen de brief van de commissie bezwaarschriften staat immers geen bezwaar open en tegen de weigering om de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken heeft eiser al bezwaar gemaakt. Voor het doorsturen van eisers beroep naar het college als ingebrekestelling omdat het college volgens eiser nog niet op zijn bezwaar heeft beslist, ontbreekt een grondslag. Verzoek om compensatie/schadevergoeding 6. Een belanghebbende kan de bestuursrechter op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb om een schadevergoeding verzoeken voor schade die hij heeft geleden naar aanleiding van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandelingen. 7. De rechtbank begrijpt eisers vordering tot compensatie (ook) als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat geen van de gevallen in artikel 8:88 van de Awb zich in dit geval voordoet en wijst het verzoek daarom af. Omdat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van eisers beroep doet zij geen uitspraak over de rechtmatigheid van de weigering van het college om de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. Er is daarmee geen sprake van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandeling als gevolg waarvan eiser schade heeft geleden. Daarnaast kan eiser op grond van artikel 8:88 van de Awb geen schadevergoeding verzoeken voor zijn schoonzoon. Het moet gaan om schade die eiser zelf geleden heeft. De rechtbank – bestuursrechter – is niet bevoegd eiser op een andere grondslag de gevraagde compensatie toe te kennen. Eiser kan zich daarvoor tot de burgerlijk rechter wenden. Schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn 8. Eiser heeft een vergoeding verzocht op grond van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 9. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat de redelijke termijn is overschreden als de procedure te lang duurt. In principe geldt voor de bezwaar- en beroepsfase samen een termijn van twee jaar. Een schadevergoeding wegens overschrijding van die redelijke termijn betreft een vergoeding van immateriële schade door spanning en frustratie door de lange duur van de procedure. 10. In het onderhavige geval heeft eiser een beroep ingesteld tegen een brief van de commissie bezwaarschriften terwijl tegen die brief geen rechtsmiddel openstaat. In dit geval was er ook redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat tegen deze brief geen beroep openstaat omdat eiser daarin slechts in kennis wordt gesteld dat de commissie bezwaarschriften geen nader advies zal uitbrengen. Eiser is er ook in het verweerschrift van januari 2023 al op gewezen dat de brief van de commissie bezwaarschriften geen besluit is waartegen bezwaar en beroep openstaat en is er op 17 november 2022 op gewezen dat wel beroep kon worden ingesteld tegen de beslissing op bezwaar ten aanzien van de last onder dwangsom die aan zijn partner is opgelegd.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3498 text/xml public 2026-04-29T14:14:17 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-14 ROE 22/2796 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3498 text/html public 2026-04-29T14:14:11 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3498 Rechtbank Limburg , 14-04-2026 / ROE 22/2796 De rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep omdat het beroep zich richt tegen een brief van de commissie bezwaarschriften waarin eiser alleen geïnformeerd wordt dat de commissie geen advies zal uitbrengen. De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 22/2796 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L.) (gemachtigde: S.N.J. Kerkhoff). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over eisers verzoek aan het college om een aan zijn partner opgelegde last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. 1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat zij niet bevoegd is kennis te nemen van eisers beroep. Eiser heeft namelijk beroep ingesteld tegen een brief van de commissie bezwaarschriften. Deze brief is geen besluit waartegen beroep open staat. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeelt heeft. Procesverloop 2. Op 12 juni 2022 heeft het college eisers partner een last onder dwangsom opgelegd. Eisers partner heeft daartegen bezwaar gemaakt. Na afloop van de hoorzitting in bezwaar heeft eiser het college op 12 september 2022 verzocht de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. 2.1. Op 13 september 2022 heeft het college eiser laten weten dat het de last niet ambtshalve zal intrekken. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. De commissie bezwaarschriften heeft in een brief van 15 november 22 laten weten over dat bezwaar geen apart advies uit te brengen omdat het al een advies moest geven over het bezwaar tegen de last onder dwangsom. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van de commissie bezwaarschriften. Eiser heeft dat beroep later aangevuld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer ROE 22/2797. Eiser heeft bij aanvang van de zitting een wrakingsverzoek ingediend, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst. Dit wrakingsverzoek is op 4 september 2025 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 4 maart 2026 (gevoegd met zaak ROE 22/2797) voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. 2.4. Na zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst. De rechtbank doet in beide zaken apart uitspraak. Beoordeling door de rechtbank Standpunt van eiser 3. Voor zover hier van belang stelt eiser zich op het standpunt dat de rechtbank in deze zaak niet bevoegd is. Wanneer beroep wordt ingesteld tegen een besluit is de rechtbank bevoegd in het rechtsgebied waar eiser woont. Dat is in dit geval de rechtbank Gelderland omdat eiser in [woonplaats] woont. 3.1. Eiser heeft verder diverse inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de aan zijn partner opgelegde last onder dwangsom. Daarnaast heeft hij verzocht om compensatie voor hemzelf en voor zijn schoonzoon. Eiser stelt dat de compensatie gelijk moet zijn aan het sanctiebedrag vermenigvuldigd met het aantal dagen vanaf 11 oktober 1909, de dag waarop het nationale recht op dit punt had moeten overeenstemmen met het Europese recht maar dat volgens eiser niet doet. 3.2. Tot slot heeft eiser verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bevoegdheid 4. De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is, maar om een andere reden dan door eiser naar voren is gebracht. De rechtbank Limburg is in beginsel onafhankelijk van de woonplaats van eiser bevoegd om kennis te nemen van beroepen tegen besluiten van bestuursorganen van de gemeente Bergen (L). De brief van 15 november 2022 van de commissie bezwaarschriften is echter geen besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief is namelijk niet gericht op een publiekrechtelijk rechtsgevolg. In de brief staat geen besluit op eisers bezwaar tegen de weigering de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. De commissie bezwaarschriften informeert eiser in de brief er alleen over dat de commissie niet nog een keer advies zal uitbrengen omdat zij al advies uitbrengt over het bezwaar tegen de last onder dwangsom zelf. Omdat de brief geen besluit is staat daartegen geen beroep bij de bestuursrechter open. De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. 5. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroepschrift ter behandeling als bezwaar naar het college door te sturen. Tegen de brief van de commissie bezwaarschriften staat immers geen bezwaar open en tegen de weigering om de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken heeft eiser al bezwaar gemaakt. Voor het doorsturen van eisers beroep naar het college als ingebrekestelling omdat het college volgens eiser nog niet op zijn bezwaar heeft beslist, ontbreekt een grondslag. Verzoek om compensatie/schadevergoeding 6. Een belanghebbende kan de bestuursrechter op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb om een schadevergoeding verzoeken voor schade die hij heeft geleden naar aanleiding van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandelingen. 7. De rechtbank begrijpt eisers vordering tot compensatie (ook) als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat geen van de gevallen in artikel 8:88 van de Awb zich in dit geval voordoet en wijst het verzoek daarom af. Omdat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van eisers beroep doet zij geen uitspraak over de rechtmatigheid van de weigering van het college om de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. Er is daarmee geen sprake van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandeling als gevolg waarvan eiser schade heeft geleden. Daarnaast kan eiser op grond van artikel 8:88 van de Awb geen schadevergoeding verzoeken voor zijn schoonzoon. Het moet gaan om schade die eiser zelf geleden heeft. De rechtbank – bestuursrechter – is niet bevoegd eiser op een andere grondslag de gevraagde compensatie toe te kennen. Eiser kan zich daarvoor tot de burgerlijk rechter wenden. Schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn 8. Eiser heeft een vergoeding verzocht op grond van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 9. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat de redelijke termijn is overschreden als de procedure te lang duurt. In principe geldt voor de bezwaar- en beroepsfase samen een termijn van twee jaar. Een schadevergoeding wegens overschrijding van die redelijke termijn betreft een vergoeding van immateriële schade door spanning en frustratie door de lange duur van de procedure. 10. In het onderhavige geval heeft eiser een beroep ingesteld tegen een brief van de commissie bezwaarschriften terwijl tegen die brief geen rechtsmiddel openstaat. In dit geval was er ook redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat tegen deze brief geen beroep openstaat omdat eiser daarin slechts in kennis wordt gesteld dat de commissie bezwaarschriften geen nader advies zal uitbrengen. Eiser is er ook in het verweerschrift van januari 2023 al op gewezen dat de brief van de commissie bezwaarschriften geen besluit is waartegen bezwaar en beroep openstaat en is er op 17 november 2022 op gewezen dat wel beroep kon worden ingesteld tegen de beslissing op bezwaar ten aanzien van de last onder dwangsom die aan zijn partner is opgelegd.