Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-04-03
ECLI:NL:RBLIM:2026:3495
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Familie en jeugd Datum uitspraak: 3 april 2026 C/03/278317 / FA RK 20-1896Zaaknummer: C/03/278317 / FA RK 20-1896 De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake: [de moeder] , verzoekster, hierna te noemen: de moeder, wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres, advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd in Sittard, gemeente Sittard-Geleen, en: [de vader] , wederpartij, hierna te noemen: de vader, wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres, advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd in Roosendaal. Betreffende de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in deze zaak betrokken: de Raad voor de Kinderbescherming , regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad. Wederom gezien de stukken, waaronder de door deze rechtbank gegeven en op 10 juli 2020, 8 juni 2021, 11 januari 2022, 21 februari 2022, 8 augustus 2022, 31 oktober 2023 en 23 februari 2024 gegeven beschikkingen. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure na de beschikking van 23 februari 2024 blijkt uit: de brief van de moeder van 7 maart 2024, ingekomen 8 maart 2024; de brief van de raad van 10 juni 2024, ingekomen 11 juni 2024; de brief van de raad van 27 mei 2025, met als bijlage het raadsrapport van 26 mei 2025, ingekomen 28 mei 2025 de brief van de raad van 4 juni 2025 (klacht ingediend); de brief van de moeder van 5 juni 2025, ingekomen 6 juni 2025 (reactie op rapport); de e-mail van de rechtbank aan de raad van 28 november 2025 (informeren stand van zaken m.b.t. klacht); de reactie van de raad van 1 december 2025 (de klacht is afgerond en heeft geen gevolgen voor het uitgebrachte advies); het F9-formulier en de e-mail van de vader van 1 december 2025 (dat nog niet is beslist op de klachten); de brief met bijlagen van de vader van 3 december 2025 (uitstelverzoek en brieven van de kinderen); de e-mail van de raad van 4 december 2025 (de directeur van de raad heeft 1 december 2025 een beslissing genomen op de klacht van de vader); de e-mail van de rechtbank aan belanghebbenden van 5 december 2025 (de rechtbank zal tijdens de mondelinge behandeling van 8 december 2025 op het aanhoudingsverzoek van de vader beslissen); het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2025; het F8-formulier van de moeder van 12 december 2025; het F8-formulier van de vader van 15 december 2025; de e-mail van de rechtbank van 18 december 2025 (de mondelinge behandeling vindt plaats op 23 februari 2026); het F8-formulier van de vader van 19 december 2025 (uitstelverzoek); de e-mail van de rechtbank aan de vader van 5 januari 2026 (uitvraag naar klemmende redenen); de e-mail met een bijlage van de vader van 9 januari 2026 (motivering voor het uitstel); de e-mail van de rechtbank aan de vader van 12 januari 2026 (afwijzing verzoek uitstel, geen klemmende redenen); de e-mail met een bijlage van de raad van 11 februari 2026 (de brief van 1 december 2025 aan de vader waarin staat dat de klacht is afgehandeld (ongegrond verklaard) en de klachtbehandeling geen gevolgen heeft voor het door de raad uitgebrachte advies; de brief met bijlagen van de vader van 16 februari 2026 (verzoek aanhouding zitting); de e-mail van de rechtbank aan de vader 17 februari 2026 (verwijzing naar artikel 5.3. procesreglement G&O); de brief met bijlagen van de vader van 18 februari 2026 (verhinderdata); wrakingsverzoek ingediend door de kinderen op 18 februari 2026; de e-mail van de rechtbank aan de vader van 19 februari 2026 (i.v.m. wrakingsverzoek kinderen geen beslissi [minderjarige 1] heeft onrust doordat de moeder dingen doet die niet oké zijn. 2.2. [minderjarige 2] wil de moeder, gelet op de gebeurtenissen in het verleden, ook niet meer zien en wil geen contact meer met haar hebben. [minderjarige 2] wil ook niet meer dat de moeder gezag over hem heeft. Hij wil niets meer met haar te maken hebben. Nadat [minderjarige 2] met de raad had gesproken en had verteld waar hij hockeyde, stond de moeder er na een tijdje. Zijn vrienden hebben haar daar gezien. Hij heeft de moeder toen niet zelf gezien. Het gaat verder heel goed met [minderjarige 2] , op het gedoe met zijn moeder na. 3 De verdere beoordeling 3.1. Bij beschikking van 23 februari 2024 is de moeder in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aanvullende verzoek van de vader met betrekking tot het gezag. Verder heeft de rechtbank de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld. De raad is verzocht onderzoek te verrichten naar en de rechtbank te informeren en te adviseren over de navolgende vragen: - bestaat er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij (voortduring van het) gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders of is wijziging inhoudende beëindiging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk?; - is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (bij gezamenlijk gezag) c.q. een omgangsregeling (bij beëindiging van het gezamenlijk gezag) tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun belang en zo ja: hoe dient de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling qua vorm en frequentie in het belang van de kinderen te worden vormgegeven? In afwachting van het raadsrapport is iedere verdere beslissing pro forma aangehouden. 3.2. De moeder heeft bij brief van 7 maart 2024 verweer gevoerd tegen het aanvullende verzoek van de vader (tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de kinderen) en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. 3.3. Bij brief van 10 juni 2024 heeft de raad laten weten dat zij van de vader hebben vernomen dat hij hoger beroep wilde instellen tegen de beschikking van 23 februari 2024 en de vader (en de kinderen) om die reden geen medewerking wilden verlenen aan het raadsonderzoek, zodat de raad het onderzoek in afwachting van het hoger beroep wilde opschorten. 3.4. In het raadsrapport van 26 mei 2025 heeft de raad (voor zover in deze procedure relevant) de rechtbank geadviseerd het verzoek van de vader hem alleen met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten, af te wijzen en het gezamenlijk gezag in stand te laten. Verder heeft de raad geadviseerd om op dit moment geen contact tussen de moeder en de kinderen vast te stellen. 3.5. De moeder heeft bij brief van 5 juni 2025 als reactie op het raadsrapport verwezen naar haar reactie op het concept raadsrapport, zoals opgenomen in het raadsrapport. De moeder vraagt (in afwachting van de beslissing op het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen) haar verzoek tot begeleide omgang aan te houden in afwachting van de ontwikkelingen in het kader van de eventuele ondertoezichtstelling. 3.6. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak op 8 december 2025 (waar enkel de onderhavige zaak aan de orde was) is de verdere behandeling - op verzoek van de vader - aangehouden omdat de vader in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling (zaaknummer 342186) een verweerschrift naar aanleiding van het raadsrapport heeft ingediend, maar dit niet had ingediend in de onderhavige procedure. De vader ging ervan uit dat de rechtbank – hoewel de procedure met betrekking tot het verzoek tot ondertoezichtstelling (op dat moment nog) niet gelijktijdig behandeld werd - ook in de onderhavige zaak kennis had genomen van het verweerschrift. De rechtbank heeft vervolgens de verdere behandeling van de onderhavige zaak aangehouden, zodat de vader via zijn advocaat het verweerschrift alsnog in d Haar wens is dat er uiteindelijk wel contactherstel tussen haar en de kinderen mogelijk is en de kinderen ook een ander beeld van haar krijgen. De vader informeert de moeder al jaren niet. Het behoud van het gezamenlijk gezag maakt het voor de moeder mogelijk dat zij dan in ieder geval toch nog wat geïnformeerd kan blijven over de kinderen, doordat zij dan rechtstreeks informatie via instanties kan verkrijgen. 3.13. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het voor de gezagskwestie van belang is dat er duidelijkheid komt over de zorgverzekering van de kinderen. De vader heeft vervolgens desgevraagd toegezegd dat hij de stukken waaruit blijkt dat de kinderen, zoals hij verklaart, al jaren bij hem verzekerd zijn voor de ziektekosten, binnen een week naar de moeder zal sturen met een afschrift naar de rechtbank. De rechtbank heeft deze stukken niet ontvangen. 3.14. Bij beschikking van 18 maart 2026 heeft de rechtbank het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen afgewezen . Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van die ernstige ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is niet wordt geaccepteerd, heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op de houding van met name de vader, maar ook de kinderen, waarbij zij een groot wantrouwen hebben tegen iedereen die (volgens hen) (wellicht) een andere visie heeft dan zijzelf en in dat verband steeds in een strijdmodus zitten, in dit geval (zelfs) het dwingende karakter van de ondertoezichtstelling, niet zal kunnen bijdragen aan het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Gezag Wettelijk kader 3.15. Op grond van artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251, tweede lid, 251b, eerste lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde lid, of 277, eerste lid, op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt. 3.16. Lid 2 verklaart artikel 1:251 eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing, op grond waarvan de rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Wijziging van omstandigheden 3.17. De rechtbank dient eerst te beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden. De onderhavige procedure is gestart op 28 mei 2020. Op dat moment was de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder en was er sprake van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) tussen de vader en de kinderen. In het kader van het op dat moment voorliggende verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen, heeft de rechtbank reeds overwogen (ten aanzien van het toen voorliggende verzoek) dat sprake was van een wijziging van omstandigheden, nu al jarenlang sprake was van een complexe en zeer zorgelijke situatie, waarbij de kinderen werden blootgesteld aan veel spanningen en conflicten tussen de ouders. De rechtbank is van oordeel dat deze wijziging van omstandigheden ook nu nog relevant is voor het thans voorliggende verzoek (wijziging gezag). Bij beschikking van 21 februari 2022 is bovendien het hoofdverblijf van de kinderen gewijzigd naar de vader, aangezien zij sinds juli 2020 bij de vader verblijven. Sindsdien hebben de kinderen geen contact meer met de moeder. Uit het voorgaande volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat de weg openligt voor een beo Uit het raadsrapport volgt namelijk dat de school van de kinderen tijdens het raadsonderzoek heeft meegedeeld dat de vader op school heeft verteld dat enkel hij de gezaghebbende ouder was van de kinderen. De vader heeft vervolgens een bericht van zijn advocaat aan school overlegd, waaruit diende te blijken dat de vader alleen over het gezag beschikte en dat moeder toestemming zou geven voor de aanmelding van de kinderen op school. Volgens de school waren er echter vragen over de authenticiteit van het bericht dat de vader aan school heeft overgelegd. Tijdens een gesprek met de moeder heeft de moeder ook aangegeven niet te weten dat de kinderen op [naam school] zaten. 3.25. Uit de stukken volgt dat de vader gezagsbeslissingen (zoveel mogelijk) alleen neemt en als een instantie toch de toestemming van moeder wenst, de vader het hier niet mee eens is en de samenwerking dan niet voortzet. Uit het raadsrapport volgt dat de vader via Team Jeugd ondersteuning voor de kinderen had aangevraagd. Dit verzoek zou toegekend worden, maar omdat de moeder ook het gezag heeft, diende de moeder ook haar toestemming te verlenen voor de inzet van hulpverlening. De vader was het daar niet mee eens en wilde niet dat de moeder betrokken zou worden. Team Jeugd heeft als gevolg daarvan de zorg niet kunnen toekennen. Tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 heeft de vader vervolgens gesteld dat de moeder voorwaarden zou hebben gesteld, alvorens haar toestemming te verlenen, waaronder dat zij bij de gesprekken (met de kinderen) aanwezig wilde zijn, hetgeen de vader niet in het belang van de kinderen vond. De moeder heeft dit betwist en heeft bovendien verklaard dat zij wel toestemming voor hulpverlening voor de kinderen zal geven als dit de kinderen helpt. 3.26. Verder volgt uit het raadsrapport dat de vader (onder andere) bij de raad heeft verklaard “ dat tijdens een eerdere zitting door de rechter is bepaald dat moeder uitgekleed gezag heeft, daar zij geen contact meer had met de kinderen en dit ook niet in hun belang was ” . De vader heeft deze stelling op geen enkele manier onderbouwd. Evenmin heeft de vader duidelijk gemaakt tijdens welke zitting dit dan zou zijn bepaald en in welke beschikking dit zou zijn opgenomen, nu de rechtbank van een dergelijke uitspraak in het geheel niet is gebleken. 3.27. In het verweerschrift van de vader dat hij in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling heeft ingediend en waarvan de rechtbank, zoals hierboven overwogen, ambtshalve kennis van heeft genomen, stelt de vader: “ Moeder stelt in haar reactie (de rechtbank: op het raadsrapport) dat ik zou hebben gezegd dat zij “uitgekleed gezag” heeft, en dat dit volgens haar advocaat niet klopt. Los van de vraag of zij dit juridisch heeft laten toetsen, betreft dit geen beschuldiging maar een feitelijke constatering. “Uitgekleed gezag” is een erkend begrip in de rechtspraak en verwijst naar een gezagspositie die enkel nog op papier bestaat. Dat is hier het geval: moeder oefent geen gezag uit, communiceert niet, en is afwezig in alle beslismomenten ”. 3.28. De vader is echter degene die als verzorgende ouder van de kinderen contact met de moeder dient op te nemen voorafgaand aan het nemen van gezagsbeslissingen, of op zijn minst dient te zoeken, om overleg te voeren over gezagsbeslissingen. De vader weigert echter ieder contact met de moeder, betrekt haar niet bij het nemen van gezagsbeslissingen en probeert te omzeilen dat de toestemming van de moeder nodig is. Op deze manier wordt het de moeder - door de vader - onmogelijk gemaakt haar gezag uit te oefenen. 3.29. De vader informeert de moeder ook niet over de kinderen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 gesteld dat de rechtbank in een beschikking van 21 februari 2021 (nadien noemt de vader als jaartal 2022) onder rechtsoverweging 5.1.7. zou hebben bepaald dat hij de moeder zou moeten inlichten over sociale aangelegenheden en school, tenzij het belang van de kinderen zic Nu de ouders geen overeenstemming kunnen bereiken bij wie de kinderen meeverzekerd dienen te zijn, er geen sprake is van onderling vertrouwen en communicatie tussen de ouders en de vader de moeder ook niet betrekt of informeert over de kinderen, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij verzekerd zijn bij de ouder waar zij hun hoofdverblijf hebben, namelijk de vader. De vader dient er dan ook voor zorg te dragen dat de kinderen per direct bij hem op de zorgverzekeringspolis worden meeverzekerd voor ziektekosten. In verband met privacygevoelige informatie van de vader zal de rechtbank niet bepalen dat de vader (een kopie) van de zorgverzekeringspolis van hem waaruit blijkt dat de kinderen meeverzekerd zijn aan de moeder dient over te leggen. Wel zal de rechtbank bepalen dat de vader de moeder onmiddellijk schriftelijk het polisnummer en de naam van zijn zorgverzekeringsmaatschappij dient te verstrekken waarbij de kinderen bij de vader zijn meeverzekerd, met vermelding van de ingangsdatum, zodat de moeder dit aan haar zorgverzekering kan doorgeven .” 3.35. Tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 heeft de moeder aangevoerd dat de kinderen nog steeds op haar zorgverzekeringspolis staan. De moeder heeft de door de rechtbank genoemde stukken/gegevens die de vader aan haar zou over leggen nooit ontvangen. Aangezien kinderen bij (één van) de gezaghebbende ouder(s) verzekerd dienen te zijn voor de ziektekosten, heeft de rechtbank de vader hierover bevraagd. De vader heeft desgevraagd meegedeeld dat de kinderen al jaren bij hem verzekerd zijn voor ziektekosten. De vader heeft toegezegd de gegevens waaruit volgt dat de kinderen inderdaad bij de vader zijn (mee)verzekerd diezelfde week in te dienen. De vader is vervolgens (ook via het familiejournaal) in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 16 maart 2026 de stukken in te dienen, hetgeen echter niet is gebeurd. Ten tijde van deze beschikking zijn de stukken nog steeds niet ingediend. De rechtbank heeft dan ook niet kunnen vaststellen dat de kinderen “al jaren” of in ieder geval op dit moment bij de vader voor ziektekosten zijn verzekerd. Of de stelling van de vader over de vergoeding van de bril hiermee samenhangt is, nog los ervan dat niet is gebleken dat de moeder dit zou hebben tegengewerkt, niet duidelijk geworden. 3.36. Ook is anderszins niet gebleken dat de moeder sinds 2020 niet zou hebben meegewerkt aan gezagsbeslissingen. 3.37. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de ouders beslissingen van enig belang over de kinderen niet in gezamenlijk overleg kunnen nemen, nu dat overleg (volledig) ontbreekt. Ook wordt duidelijk dat de ouders evenmin in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Dat wordt ook nog eens duidelijk door de opstelling van de vader tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 waar hij heeft verklaard: “ Ik ga nooit met de moeder samenwerken. Al staan er 50 mensen naast. Ik ga dat niet doen.” . Ook eerder ingezette hulpverlening, waaronder een jarenlange ondertoezichtstelling van de kinderen (van 2017 tot 2022) heeft hierin geen verbetering kunnen aanbrengen. Daar staat tegenover dat, zoals hiervoor reeds overwogen is, niet is gebleken dat de moeder (de laatste jaren) gezagsbeslissingen zou blokkeren en zij heeft ook verklaard mee te willen werken aan gezagsbeslissingen als dat in het belang van de kinderen is. De vader weigert echter zijn ouderlijke plicht zoals neergelegd in 1:247 BW uit te voeren, zodat de moeder niet eens de gelegenheid krijgt mee te werken. 3.38. Onder rechtsoverweging 3.19. is overwogen dat het ook van belang is dat de ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake. De vader betrekt de kinderen steeds opnieuw in de strijd, waarbij de kinderen de vader als hun voorbeeld zien en zij De rechtbank is van oordeel dat dat schadelijk is voor in ieder geval de identiteitsontwikkeling van de kinderen. 3.42. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader tot wijziging van het gezamenlijk gezag in die zin dat hij alleen wordt belast met het gezag over de kinderen, dient te worden afgewezen om op die manier het recht op family life tussen de moeder en de kinderen toch te kunnen verwezenlijken. 3.43. Het voorgaande betekent dat hetgeen de rechtbank in de beschikking van 21 februari 2022 heeft overwogen over de informatieplicht van de vader, dan ook nog steeds geldt. Zorgregeling 3.44. Nu de rechtbank het gezamenlijk gezag in stand laat is op het verzoek van de moeder tot vaststelling van een (begeleide) contactregeling artikel 1:253a BW van toepassing. 3.45. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in de beschikking van 21 februari 2022 (in de onderhavige procedure) hierover reeds heeft overwogen onder rechtsoverweging 5.2. Het door de rechtbank bij beschikking van 21 februari 2022 bepaalde onderzoek door het NIFP, waarbij onder meer gekeken zou moeten worden naar de mogelijkheden van contactherstel tussen de moeder en de kinderen en waarvoor de ouders hun medewerking hebben toegezegd, heeft weliswaar plaatsgevonden, maar de vader heeft gebruik gemaakt van het blokkeringsrecht (namens hemzelf en de kinderen), waardoor de rechtbank van dit onderzoek geen kennis van heeft kunnen nemen. Dat de vader delen van het rapport (waar hij zich wel in kan vinden) heeft overgelegd, maakt dat niet anders. Nu de deskundigen niet het volledige definitieve rapport hebben (kunnen) overleggen, zijn de door de vader overgelegde delen van het conceptrapport buiten beschouwing gelaten. In het raadsrapport van 26 mei 2025 heeft de raad geconcludeerd dat de kinderen op geen enkele manier zullen meewerken aan contactherstel met moeder. De afkeer naar de moeder is zo groot dat het forceren van contact zal leiden tot veel onrust bij de kinderen en mogelijk zelfs een nóg negatiever beeld. De raad ziet dat de vader hen hierin niet zal motiveren, waarbij de vader van mening is dat de moeder geen enkele positie mag hebben in het leven van de kinderen en geen enkele ruimte krijgt om invulling te geven aan haar ouderrol (bijvoorbeeld door haar gezag te ondermijnen). De raad acht het op dit moment niet in het belang van de kinderen om een verdeling van zorg- en opvoedtaken tussen ouders vast te stellen. 3.46. De rechtbank stelt voorop dat uit het raadsrapport niet gebleken is van (contra)-indicaties voor opvoeding en verzorging van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder. 3.47. Uit hetgeen in de beschikking van 21 februari 2022 reeds is overwogen wordt duidelijk dat er geen verandering is gekomen in de opstelling van de vader en de kinderen, waarbij zij de moeder afwijzen, geen rol voor haar zien in hun leven en de kinderen geen contact met haar willen. Tijdens de (jarenlange) ondertoezichtstelling van de kinderen, is het evenmin gelukt om een opening te creëren om te kunnen komen tot contactherstel. De rechtbank acht het (nog steeds) zeer zorgelijk dat de kinderen al sinds 2020 geen contact hebben met de moeder, dit ook niet wensen en in deze opvatting zelfs lijken te verharden, terwijl de kinderen op het moment van het laatste contact met de moeder 10 en 8 jaar waren. De rechtbank is van oordeel dat het niet hebben van (onbelast) contact met de beide ouders, maar ook de verharding in de opvatting van de kinderen (terwijl zij al jaren geen contact meer met de moeder hebben) schadelijk is voor hun sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling. Uit de stukken, hetgeen tijdens de mondelinge behandelingen naar voren is gebracht en hetgeen door de kinderen tijdens het kindgesprek is aangevoerd, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de kinderen al jaren een zeer negatief beeld van de moeder hebben, zij alles wat de moeder doet of zegt negatief interpreteren en er geen ruimte bij hen is om het uiterst negatieve