Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-04-13
ECLI:NL:RBLIM:2026:3486
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/3671 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (gemachtigde: S. Chalh). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam derde-partij] uit [woonplaats] (derde-partij). (gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser gericht tegen de overlast die hij ervaart van het stookgedrag van de derde-partij. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van overmatige hinder. Het college heeft dit handhavingsverzoek afgewezen omdat het college vindt dat geen sprake is van een overtreding. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van overmatige hinder en daarmee geen sprake is van een overtreding. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 25 januari 2022 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Het college heeft deze aanvraag op 13 april 2023 afgewezen. 2.1. Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 1 november 2023 (het bestreden besluit) bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. De derde-partij heeft abusievelijk geen uitnodiging tot deelname aan het onderzoek ter zitting ontvangen en was om die reden niet aanwezig. 2.4. De rechtbank heeft het onderzoek op 2 december 2025 heropend om de derde-partij in de gelegenheid te stellen om of schriftelijk te reageren op hetgeen ter zitting is verhandeld of om de zaak opnieuw op zitting te brengen. De derde-partij heeft ervoor gekozen om schriftelijk te reageren. 2.5. Op 31 december 2025 heeft de derde-partij een aanvullend stuk ingediend. Het college heeft hierop gereageerd op 9 februari 2026. Eiser heeft hierop gereageerd op 6 februari 2026. 2.6. Partijen hebben desgevraagd niet aangegeven de zaak opnieuw op zitting te willen behandelen. De rechtbank heeft vervolgens op 11 maart 2026 het onderzoek gesloten en doet uitspraak zonder nadere zitting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 3. Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend bij het college, gericht tegen de overlast die hij ervaart van het stookgedrag van de derde-partij. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een toezichthouder van het college in de periode van 19 april 2022 tot en met 10 februari 2023 meerdere controles uitgevoerd. Daarnaast vond op 22 maart 2023 een onaangekondigd buurtonderzoek plaats en heeft de toezichthouder een controle uitgevoerd bij de derde-partij thuis. De waarnemingen van deze controles heeft de toezichthouder in een rapport opgenomen. De toezichthouder heeft geen overlast als gevolg van rookafvoer waargenomen tijdens de uitgevoerde controles. Omdat tijdens de controles geen overlast is waargenomen, is er volgens het college geen sprake van een overtreding waartegen gehandhaafd dient te worden. Nu er geen overtreding is geconstateerd, ontbreekt voor het college de grondslag om te handhaven tegen het stookgedrag van de derde-partij. Om die reden heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Beroepsgronden eiser 4. Eiser voert aan dat de door het college uitgevoerde controles naar rookoverlast niet representatief zijn geweest. Hij stelt dat tijdens deze controles geen onderzoek is gedaan naar de uitstoot van fijnstof, dat Verder blijkt nergens uit het dat het college de controles op voorhand heeft aangekondigd of dat de derde-partij zijn stookgedrag heeft aangepast aan de controles. Dat de controles alleen tijdens kantooruren zijn uitgevoerd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze controles alleen daarom niet representatief zijn. Daarnaast heeft het college een buurtonderzoek laten uitvoeren, waaruit evenmin naar voren is gekomen dat sprake is van overmatige hinder. Verder is bij een controle aan huis bij de derde-partij vastgesteld dat het gebruikte hout voldoende droog was voor een goede verbranding. De aard, inhoud en frequentie van de uitgevoerde controles geven naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aan de zorgvuldigheid van het bestreden besluit te twijfelen. De gemeente mocht uit de controles concluderen dat geen overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit aanwezig was. De gronden die eiser heeft aangevoerd in het kader van de zorgvuldigheid van het onderzoek slagen dan ook niet. Het onderzoek van eiser 9.1. De rechtbank overweegt verder dat de door eiser overgelegde notities, foto’s en resultaten van fijnstofmetingen onvoldoende zijn om aan te nemen dat het college ten onrechte geen overmatige hinder heeft aangenomen. Uit de foto’s van eiser blijkt weliswaar dat er rook uit de schoorsteen komt, maar het enkele feit dat rook zichtbaar is, betekent niet dat daarmee ook sprake is van overmatige hinder. Ook de door eiser uitgevoerde fijnstofmetingen leiden niet tot het oordeel dat sprake zou moeten zijn van overmatige hinder. Er bestaat geen wettelijk vastgestelde norm waaraan de hoeveelheid fijnstof in deze context kan worden getoetst. De door eiser gehanteerde WHO-norm hoefde voor het college geen aanleiding te vormen voor de toepassing van artikel 7.22 Bouwbesluit 2012. Bovendien staat niet vast dat de gemeten fijnstof daadwerkelijk afkomstig is van de houtkachel van de derde-partij. Om die reden leidt het onderzoek dat eiser heeft verricht niet tot het oordeel dat het college niet had kunnen concluderen dat geen sprake was van overmatige hinder. Deze beroepsgrond slaagt niet. Gezondheid 9.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen algemeen aanvaarde inzichten bestaan over beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook afkomstig van gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt. Het kan zijn dat de partner van eiser door haar gevoeligheid voor rook hinder ervaart van de rook van de houtkachel. Maar voor de toepassing van artikel 7:22 van het Bouwbesluit wordt getoetst aan objectieve hinder en niet aan gevoeligheid die een individu heeft voor rook of een bepaalde rooksoort. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn partner lijdt aan een medische aandoening, noch waaruit een causaal verband volgt tussen deze aandoening en de gestelde rookoverlast. Deze beroepsgrond slaagt niet. 10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het college geen overtreding heeft kunnen vaststellen en heeft het college mogen besluiten dat geen sprake is van overmatige hinder. Het college heeft dan ook in redelijkheid van handhavend optreden mogen afzien. De verzoeken van eiser 11. De rechtbank toets in deze procedure uitsluitend de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De vraag die de rechtbank in deze procedure dient te beantwoorden is of sprake is van een overtreding waartegen het college handhavend dient op te treden. De verzoeken die eiser in beroep aan de rechtbank heeft gedaan, die zien op het beperken van het stookgedrag van de derde-partij en het aanpassen van de schoorsteenpijp, vallen buiten deze toetst en kunnen daarom niet door de rechtbank worden beoordeeld. Overschrijden redelijke termijn 12. De derde-partij bij schrijven van 26 mei 2025 verzocht om een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. 13. In p