Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-10
ECLI:NL:RBLIM:2026:3403
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,134 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3403 text/xml public 2026-04-17T10:36:49 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-10 ROE 24/4856 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3403 text/html public 2026-04-17T10:36:05 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3403 Rechtbank Limburg , 10-04-2026 / ROE 24/4856 College heeft een vergunning mogen verlenen vergunning voor de aanleg van een sportkooi (bouwen van het bouwwerk en voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan). De vergunning is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het college mocht de resultaten uit het akoestisch onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. Ook is de vergunning niet in strijd met redelijke eisen van welstand, het gemeentelijke beleid en heeft het college een zorgvuldige belangenafweging gemaakt. Beroep ongegrond. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 24/4856 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. L.M.A. Schrieder), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (gemachtigden: mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg en K. Munnichs). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: gemeente Maastricht (vergunninghouder) (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Eiser woont aan de [adres] in [woonplaats] , een dorp gelegen in [plaats] . Het college heeft aan vergunninghouder een vergunning verleend voor de aanleg van een sportkooi op het parkeerterrein naast het pand [adres] . Eiser is het daar niet mee eens en voert hiertegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning heeft mogen verlenen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 20 maart 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het verbouwen van een bouwwerk’ en ‘het handelen in strijd met het bestemmingsplan’ . Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.1. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 14 oktober 2024 (het bestreden besluit) bij de vergunningverlening gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Vergunninghouder is op zitting vertegenwoordigd door [gemachtigde] . Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De vergunningaanvraag is ingediend voor 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Waar gaat de zaak over? 4. Het college heeft op 5 december 2019 een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een al aangelegde sportkooi op het parkeerterrein gelegen naast de woning van eiser. De vergunning had uitsluitend betrekking op de bouwactiviteit . Tegen deze verleende vergunning heeft eiser bezwaar gemaakt en vervolgens ook beroep ingesteld. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft het college hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 20 februari 2024 geoordeeld dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat voor de sportkooi ook een omgevingsvergunning vereist is voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan . Naar aanleiding van die uitspraak heeft het college aan vergunninghouder een nieuwe vergunning verleend, zowel voor het bouwen van het bouwwerk als voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. 5. Eiser stelt dat het besluit tot vergunningverlening niet in stand kan blijven. De vergunning is in strijd met een goede ruimtelijke ordening, omdat de sportkooi leidt tot geluidsoverlast, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, in strijd is met het gemeentelijk beleid zoals vastgelegd in het ‘Handboek openbare ruimte’ en geen rekening is gehouden met de belangen van eiser. Ook stelt eiser dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een alternatieve locatie van de sportkooi. Omvang van het geding 6. De rechtbank overweegt dat in deze procedure uitsluitend de verlening van de vergunning voor de sportkooi ter beoordeling voorligt. Het is aan de rechtbank om te oordelen of het college deze vergunning heeft mogen verlenen. Alleen beroepsgronden die direct betrekking hebben op de vergunningverlening voor de sportkooi worden in de beoordeling betrokken. Gronden die betrekking hebben op andere aspecten, zoals de lichtmasten op het parkeerterrein, het al dan niet instellen van cameratoezicht of de vraag of voldoende wordt gehandhaafd op de parkeerplaats, vallen buiten het bereik van deze procedure en worden daarom niet meegenomen bij de beoordeling van het bestreden besluit. Heeft het college mogen concluderen dat de verleende vergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening? Mocht het college uitgaan van het akoestisch onderzoeksrapport van Bureau Kragten? 7. Eiser voert aan dat het college niet mocht uitgaan van het akoestisch onderzoeksrapport van 18 november 2020, uitgevoerd door Bureau Kragten (Kragten), bij de beoordeling van de sportkooi. Volgens eiser is de rapportage die van het onderzoek is opgemaakt alleen gebaseerd op berekeningen en zijn er geen geluidsmetingen op locatie gedaan. Ook voert eiser aan dat hij overlast ervaart van het gebruik van de sportkooi op de momenten dat deze buiten de openingstijden wordt gebruikt (tussen 22.00 – 08.00 uur). Voor de uren tussen 22.00 en 08.00 zijn geen berekeningen gemaakt bij het akoestisch onderzoek. Ook vindt eiser dat het akoestisch onderzoek niet volledig is voor deze zaak, omdat het onderzoek is verricht voor een handhavingszaak. Volgens eiser wordt in een handhavingszaak minder breed gekeken naar de gevolgen van geluid dan bij een onderzoek dat gericht is op de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Tot slot wijst eiser op het door hem ingebrachte rapport van Peutz van 15 januari 2021, waarin staat dat zonder geluidsmetingen op locatie niet kan worden vastgesteld of sprake is van (on)aanvaardbare geluidshinder. 8. De rechtbank overweegt dat het college bij zijn besluitvorming over aanvragen die in strijd zijn met het bestemmingsplan beleidsruimte heeft. Als het college besluit dat de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan het ervoor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of het college met de motivering van het bestreden besluit bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. 8.1. Uit het akoestisch onderzoeksrapport, opgesteld door Krachten, volgt dat de sportkooi in zowel de dagperiode (07.00 – 19.00 uur) als de avondperiode (19.00 – 23.00 uur) aan de geldende geluidsnormen voldoet. Uit het rapport volgt namelijk dat zowel het maximaal geluidsniveau als het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau binnen de richtwaarden blijven die daarvoor gelden en daardoor sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Dit rapport heeft het college ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3403 text/xml public 2026-04-17T10:36:49 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-10 ROE 24/4856 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3403 text/html public 2026-04-17T10:36:05 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3403 Rechtbank Limburg , 10-04-2026 / ROE 24/4856 College heeft een vergunning mogen verlenen vergunning voor de aanleg van een sportkooi (bouwen van het bouwwerk en voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan). De vergunning is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het college mocht de resultaten uit het akoestisch onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. Ook is de vergunning niet in strijd met redelijke eisen van welstand, het gemeentelijke beleid en heeft het college een zorgvuldige belangenafweging gemaakt. Beroep ongegrond. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 24/4856 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. L.M.A. Schrieder), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (gemachtigden: mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg en K. Munnichs). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: gemeente Maastricht (vergunninghouder) (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Eiser woont aan de [adres] in [woonplaats] , een dorp gelegen in [plaats] . Het college heeft aan vergunninghouder een vergunning verleend voor de aanleg van een sportkooi op het parkeerterrein naast het pand [adres] . Eiser is het daar niet mee eens en voert hiertegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning heeft mogen verlenen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 20 maart 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het verbouwen van een bouwwerk’ en ‘het handelen in strijd met het bestemmingsplan’ . Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.1. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 14 oktober 2024 (het bestreden besluit) bij de vergunningverlening gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Vergunninghouder is op zitting vertegenwoordigd door [gemachtigde] . Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De vergunningaanvraag is ingediend voor 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Waar gaat de zaak over? 4. Het college heeft op 5 december 2019 een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een al aangelegde sportkooi op het parkeerterrein gelegen naast de woning van eiser. De vergunning had uitsluitend betrekking op de bouwactiviteit . Tegen deze verleende vergunning heeft eiser bezwaar gemaakt en vervolgens ook beroep ingesteld. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft het college hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 20 februari 2024 geoordeeld dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat voor de sportkooi ook een omgevingsvergunning vereist is voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan . Naar aanleiding van die uitspraak heeft het college aan vergunninghouder een nieuwe vergunning verleend, zowel voor het bouwen van het bouwwerk als voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. 5. Eiser stelt dat het besluit tot vergunningverlening niet in stand kan blijven. De vergunning is in strijd met een goede ruimtelijke ordening, omdat de sportkooi leidt tot geluidsoverlast, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, in strijd is met het gemeentelijk beleid zoals vastgelegd in het ‘Handboek openbare ruimte’ en geen rekening is gehouden met de belangen van eiser. Ook stelt eiser dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een alternatieve locatie van de sportkooi. Omvang van het geding 6. De rechtbank overweegt dat in deze procedure uitsluitend de verlening van de vergunning voor de sportkooi ter beoordeling voorligt. Het is aan de rechtbank om te oordelen of het college deze vergunning heeft mogen verlenen. Alleen beroepsgronden die direct betrekking hebben op de vergunningverlening voor de sportkooi worden in de beoordeling betrokken. Gronden die betrekking hebben op andere aspecten, zoals de lichtmasten op het parkeerterrein, het al dan niet instellen van cameratoezicht of de vraag of voldoende wordt gehandhaafd op de parkeerplaats, vallen buiten het bereik van deze procedure en worden daarom niet meegenomen bij de beoordeling van het bestreden besluit. Heeft het college mogen concluderen dat de verleende vergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening? Mocht het college uitgaan van het akoestisch onderzoeksrapport van Bureau Kragten? 7. Eiser voert aan dat het college niet mocht uitgaan van het akoestisch onderzoeksrapport van 18 november 2020, uitgevoerd door Bureau Kragten (Kragten), bij de beoordeling van de sportkooi. Volgens eiser is de rapportage die van het onderzoek is opgemaakt alleen gebaseerd op berekeningen en zijn er geen geluidsmetingen op locatie gedaan. Ook voert eiser aan dat hij overlast ervaart van het gebruik van de sportkooi op de momenten dat deze buiten de openingstijden wordt gebruikt (tussen 22.00 – 08.00 uur). Voor de uren tussen 22.00 en 08.00 zijn geen berekeningen gemaakt bij het akoestisch onderzoek. Ook vindt eiser dat het akoestisch onderzoek niet volledig is voor deze zaak, omdat het onderzoek is verricht voor een handhavingszaak. Volgens eiser wordt in een handhavingszaak minder breed gekeken naar de gevolgen van geluid dan bij een onderzoek dat gericht is op de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Tot slot wijst eiser op het door hem ingebrachte rapport van Peutz van 15 januari 2021, waarin staat dat zonder geluidsmetingen op locatie niet kan worden vastgesteld of sprake is van (on)aanvaardbare geluidshinder. 8. De rechtbank overweegt dat het college bij zijn besluitvorming over aanvragen die in strijd zijn met het bestemmingsplan beleidsruimte heeft. Als het college besluit dat de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan het ervoor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of het college met de motivering van het bestreden besluit bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. 8.1. Uit het akoestisch onderzoeksrapport, opgesteld door Krachten, volgt dat de sportkooi in zowel de dagperiode (07.00 – 19.00 uur) als de avondperiode (19.00 – 23.00 uur) aan de geldende geluidsnormen voldoet. Uit het rapport volgt namelijk dat zowel het maximaal geluidsniveau als het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau binnen de richtwaarden blijven die daarvoor gelden en daardoor sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Dit rapport heeft het college ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.
Volledig
Het college mag in beginsel op dit deskundigenrapport afgaan, wanneer het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenrapport behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien een derde-belanghebbende een rapport van een andere deskundige heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het rapport gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. De rechtbank oordeelt niet zelf of onaanvaardbare geluidshinder plaatsvindt, maar beoordeelt of het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen onaanvaardbare geluidsoverlast plaatsvindt. 8.2. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college de resultaten uit het akoestisch onderzoek van Kragten aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. Het akoestisch onderzoek is specifiek gericht op het inzichtelijk maken van de geluidsemissie van de sportkooi naar de directe omgeving. Daarmee is het onderzoek geschikt om te beoordelen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee een goede ruimtelijke ordening. Er is geen reden om aan te nemen dat dit onderzoek, enkel omdat eiser stelt dat het oorspronkelijk is opgesteld in het kader van een handhavingsverzoek, niet volledig is voor deze beoordeling. Wat eiser verder aanvoert, waaronder het tegenrapport van Peutz, geeft ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het rapport gevolgde redenering of de aansluiting van de conclusies daarop. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het rapport van Peutz niet volgt dat Kragten de berekeningen onzorgvuldig of onjuist heeft uitgevoerd. Ook betwist Peutz niet dat de gehanteerde rekenmethode of de waarden onjuist zijn, maar wijst er slechts op dat metingen ter plaatse mogelijk een betrouwbaarder en representatiever beeld zouden geven dan enkel berekeningen. De enkele stelling dat metingen betrouwbaarder zijn dan berekeningen, zonder nadere onderbouwing, is niet voldoende voor het oordeel dat dit advies ondeugdelijk zou zijn. Dat de gemaakte berekeningen niet overeenkomen met de subjectieve beleving van eiser, betekent niet dat die berekeningen onjuist zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Kragten ook inhoudelijk heeft gereageerd op de contra-expertise van Peutz. Daarbij heeft Kragten de opmerkingen van Peutz expliciet meegenomen en in zijn reactie toegelicht waarom, ondanks de door Peutz gemaakte kanttekeningen, geen sprake is van een overschrijding van de geluidsnormen en dus hethet woon- en leefklimaat aanvaardbaar kan worden geacht. Tot slot hoefde het college geen metingen te laten uitvoeren na 22.00 uur, nu de vergunning het gebruik van de sportkooi na dat tijdstip verbiedt. Mocht eiser na 22.00 uur toch overlast ervaren, dan is dat een kwestie van handhaving. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is de sportkooi in strijd met de redelijke eisen van welstand? 9. Eiser betoogt dat de sportkooi in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daartoe voert eiser aan dat de welstandscommissie bij haar beoordeling niet alleen had moeten kijken naar het uiterlijk van het bouwwerk en de inpassing daarvan in de omgeving, maar ook expliciet naar de geluidsabsorberende werking van het gekozen materiaal. Nu de welstandscommissie dit niet heeft gedaan is eiser van mening dat de welstandscommissie haar taak te beperkt heeft opgevat en dat het college het advies van de commissie daarom niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. 10. De rechtbank oordeelt dat de welstandscommissie op basis van de criteria uit de gemeentelijke welstandsnota toetst of het gekozen materiaal past binnen het straatbeeld en de omgeving. Het is niet de taak van de welstandscommissie om te beoordelen of het materiaal geluidsabsorberende eigenschappen heeft. Daarmee beperkt de rol van de welstandscommissie zich tot het beoordelen van het uiterlijk en de inpassing van het bouwwerk in de omgeving. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is de sportkooi in strijd met het gemeentelijk beleid? 11. Eiser stelt dat de verleende vergunning in strijd is met het gemeentelijk beleid, te weten het ‘Handboek openbare ruimte’. Volgens eiser bepaalt dit beleid dat een speeltoestel voor jonge kinderen niet direct naast een speelplek voor oudere kinderen mag staan. Nu de sportkooi, die volgens eiser is bedoeld voor jonge kinderen, naast een ontmoetingsplek voor oudere kinderen is geplaatst, is dit in strijd met het beleid. Daarnaast voert eiser aan dat er geen veilige oversteekplaats aanwezig is om de sportkooi te bereiken terwijl het beleid dit wel vereist. 12. Uit artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser. 13. De rechtbank overweegt dat het ‘Handboek openbare ruimte’ primair is bedoeld ter bescherming van spelende kinderen en andere gebruikers van de speelvoorzieningen. Het belang van eiser is gelegen in de bescherming van zijn woon- en leefklimaat en niet in het belang dat dit gemeentelijke beleid beoogt te beschermen, te weten de veiligheid voor mensen die gebruik maken van de speelvoorzieningen. Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat de beroepsgrond van eiser dat de verleende vergunning in strijd is met het beleid ‘Handboek openbare ruimte’ niet kan leiden tot vernietiging van de omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft het college een zorgvuldige belangenafweging gemaakt? 14. Eiser voert aan dat zijn belang als omwonende niet zorgvuldig is meegenomen bij de besluitvorming. Hij vindt dat het college zijn persoonlijke situatie en de gevolgen die het besluit voor hem heeft onvoldoende heeft betrokken bij de belangenafweging. 15. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college de beslissing op bezwaar heeft uitgesteld om samen met eiser te kijken naar mogelijke oplossingen. Namens het college zijn medewerkers op locatie geweest om te inventariseren welke overlast eiser ervaart. Het college heeft onderzoek gedaan naar mogelijke oplossingen om de door eiser ervaren overlast weg te nemen en de uitkomsten hiervan heeft het college met eiser gedeeld. Hierbij heeft het college aangegeven dat het algemeen belang van het behoud van de sportkooi zwaarder weegt dan het belang van eiser bij verwijdering van de sportkooi. Bij de beoordeling van deze belangen heeft het college betrokken dat het dorp ver is gelegen van andere sportvoorzieningen in Maastricht. Om die reden wordt de sportkooi gebruikt door kinderen uit de buurt, die anders weinig mogelijkheden hebben om in de eigen omgeving te spelen. Daarmee is de sportkooi een waardevolle voorziening in het kader van de leefbaarheid in de omgeving. Ook voor de nabijgelegen basisschool is dit een waardevolle voorziening voor bijvoorbeeld beweegprogramma’s. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit volgt dat het college de belangen van eiser wel degelijk heeft meegenomen in haar besluitvorming. Dat het besluit uiteindelijk niet in het voordeel van eiser is uitgevallen, betekent niet dat zijn belangen niet zorgvuldig zijn meegewogen. 16. De rechtbank is van oordeel dat, gezien het bovenstaande, het college in redelijkheid heeft mogen concluderen dat de verleende omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Volledig
Het college mag in beginsel op dit deskundigenrapport afgaan, wanneer het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenrapport behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien een derde-belanghebbende een rapport van een andere deskundige heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het rapport gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. De rechtbank oordeelt niet zelf of onaanvaardbare geluidshinder plaatsvindt, maar beoordeelt of het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen onaanvaardbare geluidsoverlast plaatsvindt. 8.2. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college de resultaten uit het akoestisch onderzoek van Kragten aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. Het akoestisch onderzoek is specifiek gericht op het inzichtelijk maken van de geluidsemissie van de sportkooi naar de directe omgeving. Daarmee is het onderzoek geschikt om te beoordelen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee een goede ruimtelijke ordening. Er is geen reden om aan te nemen dat dit onderzoek, enkel omdat eiser stelt dat het oorspronkelijk is opgesteld in het kader van een handhavingsverzoek, niet volledig is voor deze beoordeling. Wat eiser verder aanvoert, waaronder het tegenrapport van Peutz, geeft ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het rapport gevolgde redenering of de aansluiting van de conclusies daarop. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het rapport van Peutz niet volgt dat Kragten de berekeningen onzorgvuldig of onjuist heeft uitgevoerd. Ook betwist Peutz niet dat de gehanteerde rekenmethode of de waarden onjuist zijn, maar wijst er slechts op dat metingen ter plaatse mogelijk een betrouwbaarder en representatiever beeld zouden geven dan enkel berekeningen. De enkele stelling dat metingen betrouwbaarder zijn dan berekeningen, zonder nadere onderbouwing, is niet voldoende voor het oordeel dat dit advies ondeugdelijk zou zijn. Dat de gemaakte berekeningen niet overeenkomen met de subjectieve beleving van eiser, betekent niet dat die berekeningen onjuist zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Kragten ook inhoudelijk heeft gereageerd op de contra-expertise van Peutz. Daarbij heeft Kragten de opmerkingen van Peutz expliciet meegenomen en in zijn reactie toegelicht waarom, ondanks de door Peutz gemaakte kanttekeningen, geen sprake is van een overschrijding van de geluidsnormen en dus hethet woon- en leefklimaat aanvaardbaar kan worden geacht. Tot slot hoefde het college geen metingen te laten uitvoeren na 22.00 uur, nu de vergunning het gebruik van de sportkooi na dat tijdstip verbiedt. Mocht eiser na 22.00 uur toch overlast ervaren, dan is dat een kwestie van handhaving. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is de sportkooi in strijd met de redelijke eisen van welstand? 9. Eiser betoogt dat de sportkooi in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daartoe voert eiser aan dat de welstandscommissie bij haar beoordeling niet alleen had moeten kijken naar het uiterlijk van het bouwwerk en de inpassing daarvan in de omgeving, maar ook expliciet naar de geluidsabsorberende werking van het gekozen materiaal. Nu de welstandscommissie dit niet heeft gedaan is eiser van mening dat de welstandscommissie haar taak te beperkt heeft opgevat en dat het college het advies van de commissie daarom niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. 10. De rechtbank oordeelt dat de welstandscommissie op basis van de criteria uit de gemeentelijke welstandsnota toetst of het gekozen materiaal past binnen het straatbeeld en de omgeving. Het is niet de taak van de welstandscommissie om te beoordelen of het materiaal geluidsabsorberende eigenschappen heeft. Daarmee beperkt de rol van de welstandscommissie zich tot het beoordelen van het uiterlijk en de inpassing van het bouwwerk in de omgeving. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is de sportkooi in strijd met het gemeentelijk beleid? 11. Eiser stelt dat de verleende vergunning in strijd is met het gemeentelijk beleid, te weten het ‘Handboek openbare ruimte’. Volgens eiser bepaalt dit beleid dat een speeltoestel voor jonge kinderen niet direct naast een speelplek voor oudere kinderen mag staan. Nu de sportkooi, die volgens eiser is bedoeld voor jonge kinderen, naast een ontmoetingsplek voor oudere kinderen is geplaatst, is dit in strijd met het beleid. Daarnaast voert eiser aan dat er geen veilige oversteekplaats aanwezig is om de sportkooi te bereiken terwijl het beleid dit wel vereist. 12. Uit artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser. 13. De rechtbank overweegt dat het ‘Handboek openbare ruimte’ primair is bedoeld ter bescherming van spelende kinderen en andere gebruikers van de speelvoorzieningen. Het belang van eiser is gelegen in de bescherming van zijn woon- en leefklimaat en niet in het belang dat dit gemeentelijke beleid beoogt te beschermen, te weten de veiligheid voor mensen die gebruik maken van de speelvoorzieningen. Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat de beroepsgrond van eiser dat de verleende vergunning in strijd is met het beleid ‘Handboek openbare ruimte’ niet kan leiden tot vernietiging van de omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft het college een zorgvuldige belangenafweging gemaakt? 14. Eiser voert aan dat zijn belang als omwonende niet zorgvuldig is meegenomen bij de besluitvorming. Hij vindt dat het college zijn persoonlijke situatie en de gevolgen die het besluit voor hem heeft onvoldoende heeft betrokken bij de belangenafweging. 15. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college de beslissing op bezwaar heeft uitgesteld om samen met eiser te kijken naar mogelijke oplossingen. Namens het college zijn medewerkers op locatie geweest om te inventariseren welke overlast eiser ervaart. Het college heeft onderzoek gedaan naar mogelijke oplossingen om de door eiser ervaren overlast weg te nemen en de uitkomsten hiervan heeft het college met eiser gedeeld. Hierbij heeft het college aangegeven dat het algemeen belang van het behoud van de sportkooi zwaarder weegt dan het belang van eiser bij verwijdering van de sportkooi. Bij de beoordeling van deze belangen heeft het college betrokken dat het dorp ver is gelegen van andere sportvoorzieningen in Maastricht. Om die reden wordt de sportkooi gebruikt door kinderen uit de buurt, die anders weinig mogelijkheden hebben om in de eigen omgeving te spelen. Daarmee is de sportkooi een waardevolle voorziening in het kader van de leefbaarheid in de omgeving. Ook voor de nabijgelegen basisschool is dit een waardevolle voorziening voor bijvoorbeeld beweegprogramma’s. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit volgt dat het college de belangen van eiser wel degelijk heeft meegenomen in haar besluitvorming. Dat het besluit uiteindelijk niet in het voordeel van eiser is uitgevallen, betekent niet dat zijn belangen niet zorgvuldig zijn meegewogen. 16. De rechtbank is van oordeel dat, gezien het bovenstaande, het college in redelijkheid heeft mogen concluderen dat de verleende omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.