Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-08
ECLI:NL:RBLIM:2026:3303
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,044 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3303 text/xml public 2026-04-08T15:00:11 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-08 03.035732.24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3303 text/html public 2026-04-08T12:02:36 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3303 Rechtbank Limburg , 08-04-2026 / 03.035732.24 Vrijspraak voor het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Vrijspraak voor het voorhanden hebben van een pistool. Onvoldoende bewijs om buiten gerede twijfel te kunnen vaststellen dat de verdachte de feitelijke macht had over en de wetenschap had van de drugs, alsmede het pistool. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03.035732.24 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 8 april 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1964, wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.A.R. Di Antonio, advocaat te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 maart 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: in de periode van 28 september 2022 tot en met 28 september 2023, al dan niet samen met anderen, ongeveer 862,29 gram cocaïne en/of 8282 gram MDMA en/of 2866,71 gram metamfetamine en/of 280,4 gram amfetamine en/of 1199,07 gram ketamine heeft geproduceerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad. Feit 2: in de periode van 28 september 2022 tot en met 28 september 2023, al dan niet samen met anderen, een pistool voorhanden heeft gehad. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan bewijs. De aanwezigheid van het DNA van de verdachte op een gripzakje met cocaïne en op een pistool is onvoldoende om te concluderen dat hij beschikkingsmacht had over de drugs en het wapen en om tot een bewezenverklaring van de feiten te komen. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat ketamine niet op lijst I van de Opiumwet staat, noch is aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van die wet zodat alleen al om die reden partiële vrijspraak dient te volgen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar een sleutel had van het pand, maar niet van de kluis waarin de verdovende middelen en het vuurwapen zijn aangetroffen. De verdachte wist niet wat er in de kluis lag en had evenmin de beschikkingsmacht over de inhoud van die kluis. Aangezien de verdachte vaak in het pand kwam, kan zijn DNA door secundaire overdracht zijn overgebracht. In elk geval heeft de verdachte de voorwerpen waarop zijn DNA is aangetroffen niet vastgehad. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De feiten 1 en 2 waarvan de verdachte wordt beschuldigd kunnen niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Deze vrijspraken worden hieronder gemotiveerd. Feit 1 De rechtbank stelt voorop dat de strafbaarstelling van ketamine niet in de Opiumwet is geregeld en niet tot een bewezenverklaring kan leiden. Voor het verwijt aangaande de andere verdovende middelen is het volgende van belang. Naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de handel in verdovende middelen door de verdachte [medeverdachte] vanuit zijn pand aan de [adres 2] te Heerlen. Op 28 september 2023 heeft de politie dit pand onder observatie genomen en gezien dat de verdachte de voordeur met een sleutel opende en het pand is binnengegaan. Nadat de verdachte even later het pand had verlaten, is de politie binnengetreden ter inbeslagneming van verdovende middelen. In de kelder van het pand trof de politie een tabletteerlocatie aan en op de begane grond stond een grote kluis die met een sleutel van de aldaar aanwezige verdachte [medeverdachte] werd geopend. In de kluis werden de in de tenlastelegging opgenomen verdovende middelen, met uitzondering van de amfetamine, en het vuurwapen aangetroffen. De amfetamine werd in een diepvries gevonden. Uit onderzoek bleek het DNA van de verdachte aanwezig in een mengprofiel op een gripzakje met cocaïne en in een mengprofiel van de binnenkant van de loop van een pistool. Het DNA van de verdachte werd ook aangetroffen op de binnenzijde en in het filter van een tweetal mondkapjes die in de kelder aan de muur hingen en op de binnen- en buitenzijde van latexhandschoenen die eveneens in de kelder op een werkbank lagen. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de verdachte beschikte over een eigen sleutel van de voordeur van het pand en dat hij daar regelmatig kwam. De verklaring van de verdachte dat het pand een soort ontmoetingsplaats was waar hij handel dreef door spullen aan andere bezoekers te verkopen, komt niet onaannemelijk voor gezien de veelvoud aan dozen met nieuwe spullen die op de begane grond van het pand stonden. De verdachte heeft verklaard dat een onbekende man hem 3 à 4 maanden voor de politie-inval heeft gevraagd of hij raad wist met een machine in de kelder. De verdachte schrok toen hij zag dat het een tabletteermachine betrof maar heeft, na enig aandringen, een mondmasker opgezet en handschoenen aangetrokken om de machine te bekijken. Hij zag meteen dat de machine stuk was (ook de politie constateerde dat de machine was vastgelopen) maar is er diezelfde dag nog een keer naar gaan kijken en heeft toen wederom een mondmasker gedragen. Daarna zou hij nooit meer in de kelder zijn geweest. Wel zou hij de eigenaar van het pand op de hoogte hebben gebracht van wat hij in de kelder had gezien. Uit het dossier blijkt dat de eigenaar de kelder ter beschikking heeft gesteld voor een ‘pillendraaierij’ en dat hij per geproduceerde pil betaald zou worden. Hoewel de verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van zijn DNA op het mondmasker en de handschoenen in de kelder bedenkelijk is, kan de rechtbank deze niet als ongeloofwaardig ter zijde schuiven. De rechtbank is daarom van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte zich (samen met anderen) schuldig heeft gemaakt aan de productie van verdovende middelen. Heeft de verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig gehad? Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het opzettelijk ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet noodzakelijk dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen en de verdachte wetenschap heeft van die verdovende middelen of van de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid daarvan. Wanneer sprake is van ‘feitelijke macht’ is niet eenduidig in regels te vatten. Van belang is vooral dat de verdachte op een bepaalde manier feitelijke zeggenschap heeft over de middelen. Niet is gebleken dat de verdachte beschikte over een kluissleutel, noch dat hij toegang had tot de kluis. Ook anderszins zijn er geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de kluis of in de diepvries. De rechtbank is daarom, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om buiten gerede twijfel te kunnen vaststellen dat de verdachte de feitelijke macht had over en de wetenschap had van die harddrugs. Het enkele feit dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op één gripzakje met cocaïne – waarbij bovendien onduidelijk is of dit aan de binnen- of aan de buitenzijde van het gripzakje was – is daarvoor onvoldoende. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het samen met anderen opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3303 text/xml public 2026-04-08T15:00:11 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-08 03.035732.24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3303 text/html public 2026-04-08T12:02:36 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3303 Rechtbank Limburg , 08-04-2026 / 03.035732.24 Vrijspraak voor het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Vrijspraak voor het voorhanden hebben van een pistool. Onvoldoende bewijs om buiten gerede twijfel te kunnen vaststellen dat de verdachte de feitelijke macht had over en de wetenschap had van de drugs, alsmede het pistool. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03.035732.24 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 8 april 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1964, wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.A.R. Di Antonio, advocaat te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 maart 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: in de periode van 28 september 2022 tot en met 28 september 2023, al dan niet samen met anderen, ongeveer 862,29 gram cocaïne en/of 8282 gram MDMA en/of 2866,71 gram metamfetamine en/of 280,4 gram amfetamine en/of 1199,07 gram ketamine heeft geproduceerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad. Feit 2: in de periode van 28 september 2022 tot en met 28 september 2023, al dan niet samen met anderen, een pistool voorhanden heeft gehad. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan bewijs. De aanwezigheid van het DNA van de verdachte op een gripzakje met cocaïne en op een pistool is onvoldoende om te concluderen dat hij beschikkingsmacht had over de drugs en het wapen en om tot een bewezenverklaring van de feiten te komen. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat ketamine niet op lijst I van de Opiumwet staat, noch is aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van die wet zodat alleen al om die reden partiële vrijspraak dient te volgen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar een sleutel had van het pand, maar niet van de kluis waarin de verdovende middelen en het vuurwapen zijn aangetroffen. De verdachte wist niet wat er in de kluis lag en had evenmin de beschikkingsmacht over de inhoud van die kluis. Aangezien de verdachte vaak in het pand kwam, kan zijn DNA door secundaire overdracht zijn overgebracht. In elk geval heeft de verdachte de voorwerpen waarop zijn DNA is aangetroffen niet vastgehad. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De feiten 1 en 2 waarvan de verdachte wordt beschuldigd kunnen niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Deze vrijspraken worden hieronder gemotiveerd. Feit 1 De rechtbank stelt voorop dat de strafbaarstelling van ketamine niet in de Opiumwet is geregeld en niet tot een bewezenverklaring kan leiden. Voor het verwijt aangaande de andere verdovende middelen is het volgende van belang. Naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de handel in verdovende middelen door de verdachte [medeverdachte] vanuit zijn pand aan de [adres 2] te Heerlen. Op 28 september 2023 heeft de politie dit pand onder observatie genomen en gezien dat de verdachte de voordeur met een sleutel opende en het pand is binnengegaan. Nadat de verdachte even later het pand had verlaten, is de politie binnengetreden ter inbeslagneming van verdovende middelen. In de kelder van het pand trof de politie een tabletteerlocatie aan en op de begane grond stond een grote kluis die met een sleutel van de aldaar aanwezige verdachte [medeverdachte] werd geopend. In de kluis werden de in de tenlastelegging opgenomen verdovende middelen, met uitzondering van de amfetamine, en het vuurwapen aangetroffen. De amfetamine werd in een diepvries gevonden. Uit onderzoek bleek het DNA van de verdachte aanwezig in een mengprofiel op een gripzakje met cocaïne en in een mengprofiel van de binnenkant van de loop van een pistool. Het DNA van de verdachte werd ook aangetroffen op de binnenzijde en in het filter van een tweetal mondkapjes die in de kelder aan de muur hingen en op de binnen- en buitenzijde van latexhandschoenen die eveneens in de kelder op een werkbank lagen. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de verdachte beschikte over een eigen sleutel van de voordeur van het pand en dat hij daar regelmatig kwam. De verklaring van de verdachte dat het pand een soort ontmoetingsplaats was waar hij handel dreef door spullen aan andere bezoekers te verkopen, komt niet onaannemelijk voor gezien de veelvoud aan dozen met nieuwe spullen die op de begane grond van het pand stonden. De verdachte heeft verklaard dat een onbekende man hem 3 à 4 maanden voor de politie-inval heeft gevraagd of hij raad wist met een machine in de kelder. De verdachte schrok toen hij zag dat het een tabletteermachine betrof maar heeft, na enig aandringen, een mondmasker opgezet en handschoenen aangetrokken om de machine te bekijken. Hij zag meteen dat de machine stuk was (ook de politie constateerde dat de machine was vastgelopen) maar is er diezelfde dag nog een keer naar gaan kijken en heeft toen wederom een mondmasker gedragen. Daarna zou hij nooit meer in de kelder zijn geweest. Wel zou hij de eigenaar van het pand op de hoogte hebben gebracht van wat hij in de kelder had gezien. Uit het dossier blijkt dat de eigenaar de kelder ter beschikking heeft gesteld voor een ‘pillendraaierij’ en dat hij per geproduceerde pil betaald zou worden. Hoewel de verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van zijn DNA op het mondmasker en de handschoenen in de kelder bedenkelijk is, kan de rechtbank deze niet als ongeloofwaardig ter zijde schuiven. De rechtbank is daarom van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte zich (samen met anderen) schuldig heeft gemaakt aan de productie van verdovende middelen. Heeft de verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig gehad? Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het opzettelijk ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet noodzakelijk dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen en de verdachte wetenschap heeft van die verdovende middelen of van de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid daarvan. Wanneer sprake is van ‘feitelijke macht’ is niet eenduidig in regels te vatten. Van belang is vooral dat de verdachte op een bepaalde manier feitelijke zeggenschap heeft over de middelen. Niet is gebleken dat de verdachte beschikte over een kluissleutel, noch dat hij toegang had tot de kluis. Ook anderszins zijn er geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de kluis of in de diepvries. De rechtbank is daarom, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om buiten gerede twijfel te kunnen vaststellen dat de verdachte de feitelijke macht had over en de wetenschap had van die harddrugs. Het enkele feit dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op één gripzakje met cocaïne – waarbij bovendien onduidelijk is of dit aan de binnen- of aan de buitenzijde van het gripzakje was – is daarvoor onvoldoende. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het samen met anderen opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs.