Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-04-08
ECLI:NL:RBLIM:2026:3257
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 25/2580 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. N.D. Bouman), en CBR divisie Rijgeschiktheid (gemachtigde: mr. J. Kwant). Samenvatting 1. Het CBR heeft eisers rijbewijs ongeldig verklaard omdat hij geen medewerking heeft verleend aan de aan hem opgelegde Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG). Deze zaak gaat over de vraag of de oproep voor de EMG eiser bereikt heeft en terecht gesteld kan worden dat eiser geen medewerking heeft verleend door niet te verschijnen. Eiser stelt van niet en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of het besluit eisers bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren stand kan houden. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het CBR heeft niet aannemelijk gemaakt dat de oproep voor de EMG-cursus bij eiser bezorgd is, althans dat die op regelmatige wijze aan eiser is aangeboden. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 18 september 2024 is bij eiser afwijkend gedrag als bestuurder van een motorvoertuig vastgesteld. Op 15 oktober 2024 heeft het CBR naar aanleiding daarvan aan eiser een EMG opgelegd. Op 8 september 2025 heeft het CBR eisers rijbewijs ongeldig verklaard omdat hij zonder geldige reden niet verschenen is bij de EMG-cursus (het primaire besluit). 3. Eiser heeft hangende het bezwaar om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek op 6 oktober 2025 toegewezen en de ongeldigverklaring van het rijbewijs geschorst tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar (de voorlopige voorziening). 4. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 heeft het CBR het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Het CBR herroept het primaire besluit wel ambtshalve en stelt de ongeldigverklaring van het rijbewijs geschorst te laten. 4.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend. 4.2. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. G. De Leest waarnemend voor de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR. Eiser was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 5. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak. Waar gaat deze zaak over en wat vinden partijen? 6. Het CBR heeft eiser een EMG opgelegd nadat hij bij een politieachtervolging afwijkend rijgedrag had vertoond. Het CBR heeft eiser vervolgens uitgenodigd zijn cursus in te plannen. Nadat hij daar niet op gereageerd heeft, heeft het CBR de cursus voor hem ingepland met 28 juni 2025 als startdatum. Eiser is op die dag niet verschenen en heeft zich ziek gemeld. Op 8 juli 2025 heeft het CBR eiser een brief gestuurd waarin hem de mogelijkheid werd geboden tot 15 juli 2025 een nieuwe cursus in te plannen. Omdat eiser opnieuw niet reageerde heeft het CBR op 17 juli 2025 zelf een nieuwe cursus gepland met als startdatum 2 september 2025. Het CBR heeft hem daarvoor per brief opgeroepen (de oproep). Deze brief is volgens het CBR zowel per aangetekende post als per gewone post verzonden en daarnaast digitaal aangeboden. Eiser is ook op deze cursus niet verschenen. Op 4 september 2025 heeft hij contact opgenomen met het CBR. Uit de door het CBR overgelegde telefoonnotitie en de e-mail van eiser aan het CBR van 5 september 2025 volgt dat eiser belde om de cursus in te plannen. Eiser heeft hierna per e-mail aangegeven dat hij de oproep voor de cursus niet heeft ontvangen en dat hij bovendien niet had kunnen komen die dag omdat hij school had. Het CBR gaf daarop aan dat het de oproep aan eiser heeft verstuurd en dat ze school niet als geldige reden ziet voor afwezigheid. Het CBR heeft daarom eisers rijbewi De rechtbank beoordeelt hieronder of het CBR daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat de oproep bij eiser bezorgd is of regelmatig is aangeboden. De niet-aangetekende post 14. Wanneer een geadresseerde stelt dat hij, zoals eiser in deze zaak, een brief die met niet-aangetekende post is verstuurd niet heeft gekregen, is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de brief wel op het adres van geadresseerde is ontvangen. 15. De rechtbank is van oordeel dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat de per niet-aangetekende post verstuurde oproep bij eiser bezorgd is. De rechtbank stelt vast dat het CBR in beroep geen bewijs heeft ingebracht om aannemelijk te maken dat de niet-aangetekende verstuurde oproep correct bij eiser is aangekomen. Zeker gelet op de bekende recente problemen rondom de bezorgen van (aangetekende) post bij PostNL, zijn de stellingen dat de brief niet retour is gekomen en andere brieven wel ontvangen zijn daarvoor niet voldoende. De aangetekende post 16. Bij aangetekende post geldt dat als een geadresseerde de ontvangst van de post ontkent onderzocht moet worden of PostNL de post op regelmatige wijze heeft aangeboden. Als blijkt dat de post is uitgereikt of een afhaalbericht is achtergelaten of elektronisch is verstuurd, dan ontstaat er een vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden. Het is dan aan de geadresseerde om dat vermoeden te ontzenuwen. 17. De rechtbank stelt vast dat uit de Track&Trace gegevens blijkt dat PostNL de aangetekend verstuurde oproep niet heeft kunnen uitreiken op het adres van eiser. Ook volgt eruit dat PostNL de aangetekend verstuurde oproep naar een PostNL-punt heeft gebracht en dat deze is teruggestuurd naar het CBR nadat deze niet is opgehaald. Er blijkt echter niet uit de Track&Trace gegevens of andere stukken dat er een afhaalbericht is achtergelaten. Ook blijkt niet dat eiser op een andere manier – zoals per e-mail of app – in kennis is gesteld dat hij de oproep moest afhalen bij het PostNL-punt. Daarom is, mede gelet op de bekende problemen bij PostNL, niet aannemelijk gemaakt dat er een fysiek of elektronisch afhaalbericht bij eiser is achtergelaten. De rechtbank oordeelt op grond daarvan dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetekende post op regelmatige wijze bij eiser is aangeboden. De plaatsing van de brief in MijnCBR 18. Op basis van artikel 2:8, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag een bestuursorgaan elektronisch communiceren als de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt elektronisch voldoende bereikbaar te zijn. Ook voor elektronische communicatie geldt dat wanneer een geadresseerde ontkent een elektronisch verstuurd bericht te hebben ontvangen, het aan het bestuursorgaan is om in eerste instantie aannemelijk te maken dat het elektronische bericht correct verstuurd is. 19. Het CBR heeft onweersproken gesteld dat eisers communicatievoorkeur bij het CBR als ‘digitaal’ is gemeld. De rechtbank is echter van oordeel dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat het de oproep ook daadwerkelijk elektronisch correct verstuurd heeft. Het CBR heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd om dit te onderbouwen. De stelling van het CBR dat het niet in eisers MijnCBR zou mogen kijken op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verandert het oordeel van de rechtbank niet. Die stelling verandert niet dat het aan het CBR is om aannemelijk te maken dat het de oproep correct (digitaal) aan eiser verstuurd heeft en dat het CBR daarvoor geen onderbouwing levert. De beroepsgrond van eiser slaagt. Conclusie en gevolgen 20. Het beroep is gegrond. Het CBR heeft niet aannemelijk gemaakt dat de oproep correct bij eiser is bezorgd of op regelmatige wijze is aangeboden. Daarom mocht het CBR er niet van uitgaan dat eiser op de hoogte was van de cursus op 2 september 2025 en heeft het CBR onterecht geconcludeerd dat eiser door niet te verschijnen niet heeft meegewerkt aan zijn EMG. Dat betekent dat het CBR eisers rijbewijs onterecht ongeldig heef