Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-15
ECLI:NL:RBLIM:2026:3139
Civiel recht
Bodemzaak
4,056 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3139 text/xml public 2026-05-01T08:45:17 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-15 12006431 \ CV EXPL 25-5809 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3139 text/html public 2026-05-01T08:44:47 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3139 Rechtbank Limburg , 15-04-2026 / 12006431 \ CV EXPL 25-5809 Vordering tot betaling huurachterstand toegewezen. 2 huurders: het staat verhuurder vrij om slechts 1 huurder in rechte te betrekken. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 12006431 \ CV EXPL 25-5809 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. P. ten Broeke, tegen de besloten vennootschap PRESTIGE SPORTS EUROPE , te Antwerpen (België), gedaagde partij, hierna te noemen: PSE, procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. PSE exploiteert een onderneming als spelersmakelaar. Voor buitenlandse spelers die naar Nederland komen, draagt PSE zorg voor adequate huisvesting. 2.2. [eisende partij] is (mede)eigenaar van de woning aan de [adres] . In de praktijk gebruikt [eisende partij] de naam [bedrijf] . 2.3. Tussen [bedrijf] als verhuurder en PSE en [huurder] is een huurovereenkomst gesloten voor de duur van 12 maanden, ingaande 4 februari 2025. De overeengekomen huurprijs was € 502,39 en deze is per juli 2025 geïndexeerd en bedraagt € 521,14. 2.4. De huurovereenkomst is met wederzijds goedvinden geëindigd per 1 september 2025. 2.5. De huur over de maanden juni, juli en augustus 2025 van in totaal € 1.563,42 is niet betaald. 2.6. Ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst was [huurder] 17 jaar. Deze woonde in het gehuurde. 3 Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van PSE tot betaling van € 1.864,40, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. PSE voert verweer. PSE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Welke rechter is bevoegd? 4.1. PSE is gevestigd in België. Omdat de huurovereenkomst de grondslag vormt voor de vordering en het om een in Nederland gelegen onroerende zaak gaat heeft de Nederlandse rechter op basis van het Brussel I-bis Verordening rechtsmacht. De gehuurde woning bevindt zich in Sittard zodat de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, bevoegd is om over de zaak te oordelen. De zaak zelf 4.2. Het gaat in deze procedure om de vraag of PSE de gevorderde bedragen moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Hierna zal dit worden uitgelegd. [bedrijf] 4.3. is als verhuurder de huurovereenkomst aangegaan. [eisende partij] stelt dat hij hij deze naam gebruikt en dat hij hiermee als verhuurder wordt bedoeld. Verder stelt [eisende partij] dat hij de instemming heeft van de overige eigenaren van het pand om de huurovereenkomst aan te gaan. PSE heeft dit niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stellingen van [eisende partij] en zal hem als procespartij aanmerken. Ondeelbare rechtsverhouding en hoofdelijke aansprakelijkheid 4.4. De huurovereenkomst heeft twee huurders en is hiermee een ondeelbare rechtsverhouding. Deze is echter niet processueel ondeelbaar. Het is namelijk niet noodzakelijk dat de beslissing voor beide huurders gelijkluidend moet zijn. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld procedures waarbij wordt gevraagd om de huurprijs aan te passen. Dit is hier niet aan de orde. Er wordt enkel een beslissing gevorderd over de betaling van de huurachterstand. Het staat [eisende partij] daarom vrij om enkel PSE in rechte te betrekken. Daaraan doet niet af dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Zijn twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden dan heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel. De keuze van [eisende partij] om slechts een van de huurders in rechte te betrekken, leidt daarom niet tot niet-ontvankelijkheid. 4.5. Voor zover PSE van mening is dat ook genoemde [huurder] al dan niet geheel aansprakelijk is voor de betaling van de gevorderde huur, dan had PSE een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring kunnen instellen. Dat heeft zij echter niet gedaan. [huurder] is minderjarig 4.6. PSE voert verder aan dat [huurder] op het moment van sluiten van de huurovereenkomst minderjarig was en dat de overeenkomst is aangegaan zonder toestemming van de ouders. Voor zover het ontbreken van de toestemming van de ouders de huurovereenkomst al zou aantasten, heeft dit enkel gevolgen voor huurder [huurder] . De huurovereenkomst met PSE blijft in dat geval onaangetast. Dit zou meebrengen dat PSE alleen verantwoordelijk is voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. De vraag of de huurovereenkomst bevoegd is gesloten met [huurder] ligt niet voor in deze procedure en hoeft daarom niet beantwoord te worden. Het op dit punt gevoerde verweer heeft daarom niet het door PSE beoogde rechtsgevolg, zodat dit gepasseerd wordt. De huurachterstand 4.7. Uit het verweer van PSE kan geen betwisting van de huurachterstand worden afgeleid. In elk geval wordt de huurachterstand noch de hoogte daarvan weersproken. Deze ligt daarom voor toewijzing gereed. Rente en buitengerechtelijke incassokosten 4.8. Het betalen van huur is een zogenoemde brengschuld. Dit houdt in dat bij niet of te late betaling verzuim intreedt en er wettelijke rente verschuldigd is. Hiertegen is door PSE ook niet op aparte gronden verweer gevoerd, zodat deze nevenvordering wordt toegewezen. 4.9. [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eisende partij] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eisende partij] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 234,51 worden toegewezen. Proceskosten 4.10. PSE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 280,83 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 217,00 (1 punt × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 863,33 4.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt PSE om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.580,64, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.563,42, met ingang van 7 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt PSE om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 234,51 aan buitengerechtelijke kosten, 5.3. veroordeelt PSE in de proceskosten van € 863,33, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Prestige Sports Europe niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt PSE tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3139 text/xml public 2026-05-01T08:45:17 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-15 12006431 \ CV EXPL 25-5809 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3139 text/html public 2026-05-01T08:44:47 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3139 Rechtbank Limburg , 15-04-2026 / 12006431 \ CV EXPL 25-5809 Vordering tot betaling huurachterstand toegewezen. 2 huurders: het staat verhuurder vrij om slechts 1 huurder in rechte te betrekken. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 12006431 \ CV EXPL 25-5809 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. P. ten Broeke, tegen de besloten vennootschap PRESTIGE SPORTS EUROPE , te Antwerpen (België), gedaagde partij, hierna te noemen: PSE, procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. PSE exploiteert een onderneming als spelersmakelaar. Voor buitenlandse spelers die naar Nederland komen, draagt PSE zorg voor adequate huisvesting. 2.2. [eisende partij] is (mede)eigenaar van de woning aan de [adres] . In de praktijk gebruikt [eisende partij] de naam [bedrijf] . 2.3. Tussen [bedrijf] als verhuurder en PSE en [huurder] is een huurovereenkomst gesloten voor de duur van 12 maanden, ingaande 4 februari 2025. De overeengekomen huurprijs was € 502,39 en deze is per juli 2025 geïndexeerd en bedraagt € 521,14. 2.4. De huurovereenkomst is met wederzijds goedvinden geëindigd per 1 september 2025. 2.5. De huur over de maanden juni, juli en augustus 2025 van in totaal € 1.563,42 is niet betaald. 2.6. Ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst was [huurder] 17 jaar. Deze woonde in het gehuurde. 3 Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van PSE tot betaling van € 1.864,40, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. PSE voert verweer. PSE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Welke rechter is bevoegd? 4.1. PSE is gevestigd in België. Omdat de huurovereenkomst de grondslag vormt voor de vordering en het om een in Nederland gelegen onroerende zaak gaat heeft de Nederlandse rechter op basis van het Brussel I-bis Verordening rechtsmacht. De gehuurde woning bevindt zich in Sittard zodat de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, bevoegd is om over de zaak te oordelen. De zaak zelf 4.2. Het gaat in deze procedure om de vraag of PSE de gevorderde bedragen moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Hierna zal dit worden uitgelegd. [bedrijf] 4.3. is als verhuurder de huurovereenkomst aangegaan. [eisende partij] stelt dat hij hij deze naam gebruikt en dat hij hiermee als verhuurder wordt bedoeld. Verder stelt [eisende partij] dat hij de instemming heeft van de overige eigenaren van het pand om de huurovereenkomst aan te gaan. PSE heeft dit niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stellingen van [eisende partij] en zal hem als procespartij aanmerken. Ondeelbare rechtsverhouding en hoofdelijke aansprakelijkheid 4.4. De huurovereenkomst heeft twee huurders en is hiermee een ondeelbare rechtsverhouding. Deze is echter niet processueel ondeelbaar. Het is namelijk niet noodzakelijk dat de beslissing voor beide huurders gelijkluidend moet zijn. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld procedures waarbij wordt gevraagd om de huurprijs aan te passen. Dit is hier niet aan de orde. Er wordt enkel een beslissing gevorderd over de betaling van de huurachterstand. Het staat [eisende partij] daarom vrij om enkel PSE in rechte te betrekken. Daaraan doet niet af dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Zijn twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden dan heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel. De keuze van [eisende partij] om slechts een van de huurders in rechte te betrekken, leidt daarom niet tot niet-ontvankelijkheid. 4.5. Voor zover PSE van mening is dat ook genoemde [huurder] al dan niet geheel aansprakelijk is voor de betaling van de gevorderde huur, dan had PSE een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring kunnen instellen. Dat heeft zij echter niet gedaan. [huurder] is minderjarig 4.6. PSE voert verder aan dat [huurder] op het moment van sluiten van de huurovereenkomst minderjarig was en dat de overeenkomst is aangegaan zonder toestemming van de ouders. Voor zover het ontbreken van de toestemming van de ouders de huurovereenkomst al zou aantasten, heeft dit enkel gevolgen voor huurder [huurder] . De huurovereenkomst met PSE blijft in dat geval onaangetast. Dit zou meebrengen dat PSE alleen verantwoordelijk is voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. De vraag of de huurovereenkomst bevoegd is gesloten met [huurder] ligt niet voor in deze procedure en hoeft daarom niet beantwoord te worden. Het op dit punt gevoerde verweer heeft daarom niet het door PSE beoogde rechtsgevolg, zodat dit gepasseerd wordt. De huurachterstand 4.7. Uit het verweer van PSE kan geen betwisting van de huurachterstand worden afgeleid. In elk geval wordt de huurachterstand noch de hoogte daarvan weersproken. Deze ligt daarom voor toewijzing gereed. Rente en buitengerechtelijke incassokosten 4.8. Het betalen van huur is een zogenoemde brengschuld. Dit houdt in dat bij niet of te late betaling verzuim intreedt en er wettelijke rente verschuldigd is. Hiertegen is door PSE ook niet op aparte gronden verweer gevoerd, zodat deze nevenvordering wordt toegewezen. 4.9. [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eisende partij] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eisende partij] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 234,51 worden toegewezen. Proceskosten 4.10. PSE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 280,83 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 217,00 (1 punt × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 863,33 4.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt PSE om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.580,64, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.563,42, met ingang van 7 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt PSE om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 234,51 aan buitengerechtelijke kosten, 5.3. veroordeelt PSE in de proceskosten van € 863,33, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Prestige Sports Europe niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt PSE tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr.