Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-15
ECLI:NL:RBLIM:2026:3100
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,515 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3100 text/xml public 2026-05-01T08:46:17 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-15 11563808 \ CV EXPL 25-984 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3100 text/html public 2026-04-29T14:50:26 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3100 Rechtbank Limburg , 15-04-2026 / 11563808 \ CV EXPL 25-984 Koopovereenkomst. Vordering toegewezen. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11563808 \ CV EXPL 25-984 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van INVASION B.V. , statutair gevestigd te Amsterdam, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Invasion, gemachtigde: mevr. mr. U. van der Linden, Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso, tegen [afnemer] , h.o.d.n. [bedrijf] , zaakdoende te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [afnemer] , gemachtigde: ir. J.J.C.L. Roovers. 1 De procedure 1.1. Het verder verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 november 2025, - de akte van Invasion, - het wrakingsverzoek van [afnemer] , - de beslissing van de wrakingskamer van 8 januari 2026, - de antwoordakte van [afnemer] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie Inleiding 2.1. Bij tussenvonnis van 12 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) is Invasion in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over hetgeen in 4.3. van dat vonnis is overwogen en in geval van toestemming van de pandhouder, verificatoire bescheiden in het geding te brengen waaruit blijkt dat Invasion toestemming heeft verkregen om de vordering te innen. 2.2. Invasion heeft zich bij akte bestemd voor de rol van 10 december 2025 hierover uitgelaten en zij heeft daarbij productie 10 in het geding gebracht. [afnemer] heeft op 11 december 2025 een wrakingsverzoek ingediend. Om die reden is deze procedure geschorst. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 8 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Deze procedure is vervolgens hervat en [afnemer] is in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen. Dat heeft hij gedaan. Inhoudelijk oordeel 2.3. [afnemer] heeft in zijn antwoordakte bezwaren opgeworpen tegen het tussenvonnis, de akte van Invasion en hij maakt gewag van allerlei andere kwesties. Op basis van hetgeen [afnemer] naar voren wordt gebracht kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het onaanvaardbaar zouden maken dat de kantonrechter aan de in het tussenvonnis genomen eindbeslissingen zou zijn gebonden. Daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om terug te komen van de bij dat vonnis genomen bindende eindbeslissingen. 2.4. Het bezwaar tegen de inhoud van de akte van Invasion treft ook geen doel. Invasion laat zich bij die akte immers uit conform de door de kantonrechter gegeven instructie. Het is juist dat Invasion bij dagvaarding niet heeft gesteld dat zij haar vordering heeft verpand en dat zij van Deutsche Bank toestemming heeft om de vordering te innen. De kantonrechter heeft om die reden gebruik gemaakt van de op de voet van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan haar toekomende bevoegdheid om Invasion te bevelen de stelling dat [afnemer] het gevorderde bedrag aan haar dient te betalen toe te lichten en gegevens ter zake in het geding te brengen. Informatie hierover was en is immers van belang voor de beoordeling van de zaak. Als [afnemer] vindt dat de kantonrechter dat niet had mogen doen, dan staat het hem uiteraard vrij een rechtsmiddel in te stellen. 2.5. De kantonrechter laat de inhoud van de antwoordakte voor het overige buiten beschouwing. [afnemer] heeft immers uitsluitend de gelegenheid gekregen om te reageren op de akte van Invasion. Hetgeen [afnemer] voor het overige naar voren brengt gaat dat bestek te buiten. Het processuele debat was immers na de conclusiewisselingen gesloten, met uitzondering van de gevraagde opheldering over de vraag of Invasion wel of niet bevoegd is de door haar verpande vorderingen te innen. 2.6. De kantonrechter zal nu beoordelen of Invasion als pandgever bevoegd is de vordering op [afnemer] te innen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Uit de door Invasion bij haar akte overgelegde e-mail van 8 december 2025, 16:50 uur, waarvan de inhoudelijke juistheid door [afnemer] in zijn antwoordakte niet is bestreden, van Deutsche Bank AG blijkt genoegzaam dat Deutsche Bank, als pandhouder toestemming heeft gegeven aan Invasion als pandgever om vorderingen te innen. Dit is blijkens het e-mailbericht vastgelegd in de overeenkomst tussen Invasion en Deutsche Bank uit hoofde waarvan Invasion haar vorderingen op [afnemer] aan Deutsche Bank heeft verpand. Dit betekent dat Invasion bevoegd is de vordering op [afnemer] te innen. Gelet hierop liggen haar vorderingen in conventie voor toewijzing gereed. 2.7. Bij het tussenvonnis is al geoordeeld dat de vordering die [afnemer] in reconventie heeft ingesteld niet toewijsbaar is. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Proceskosten 2.8. [afnemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom in conventie en in reconventie de proceskosten (inclusief nakosten) van Invasion betalen. 2.9. De proceskosten van Invasion worden in conventie begroot op: - kosten van de dagvaarding € 123,73 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 174,00 (2 punten × € 87,00) - nakosten € 43,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 476,23 2.9.1. De kantonrechter ziet geen aanleiding om een 0,5 punt voor de naar aanleiding van het tussenvonnis genomen akte toe te kennen, aangezien de akte informatie behelst die al bij dagvaarding had kunnen worden verstrekt. 2.10. De proceskosten van Invasion worden in reconventie begroot op € 253,00, gebaseerd op 2 x 0,5 punt (vanwege de samenhang met de vordering in conventie) x 253,00. 3 De beslissing De kantonrechter: in conventie 3.1. veroordeelt [afnemer] om aan Invasion te betalen een bedrag van € 418,67, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 336,10, met ingang van 18 februari 2025 tot aan de dag van volledige betaling, 3.2. veroordeelt [afnemer] in de proceskosten van € 476,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in reconventie 3.3. wijst de vorderingen van [afnemer] af, 3.4. veroordeelt [afnemer] in de proceskosten van € 253,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in conventie en in reconventie 3.5. veroordeelt [afnemer] tot betaling van de kosten van betekening van dit vonnis als [afnemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.6. verklaart dit vonnis ten aanzien van de onder 3.1, 3.2, 3.4 en 3.5, genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3100 text/xml public 2026-05-01T08:46:17 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-15 11563808 \ CV EXPL 25-984 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3100 text/html public 2026-04-29T14:50:26 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3100 Rechtbank Limburg , 15-04-2026 / 11563808 \ CV EXPL 25-984 Koopovereenkomst. Vordering toegewezen. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11563808 \ CV EXPL 25-984 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van INVASION B.V. , statutair gevestigd te Amsterdam, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Invasion, gemachtigde: mevr. mr. U. van der Linden, Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso, tegen [afnemer] , h.o.d.n. [bedrijf] , zaakdoende te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [afnemer] , gemachtigde: ir. J.J.C.L. Roovers. 1 De procedure 1.1. Het verder verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 november 2025, - de akte van Invasion, - het wrakingsverzoek van [afnemer] , - de beslissing van de wrakingskamer van 8 januari 2026, - de antwoordakte van [afnemer] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie Inleiding 2.1. Bij tussenvonnis van 12 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) is Invasion in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over hetgeen in 4.3. van dat vonnis is overwogen en in geval van toestemming van de pandhouder, verificatoire bescheiden in het geding te brengen waaruit blijkt dat Invasion toestemming heeft verkregen om de vordering te innen. 2.2. Invasion heeft zich bij akte bestemd voor de rol van 10 december 2025 hierover uitgelaten en zij heeft daarbij productie 10 in het geding gebracht. [afnemer] heeft op 11 december 2025 een wrakingsverzoek ingediend. Om die reden is deze procedure geschorst. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 8 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Deze procedure is vervolgens hervat en [afnemer] is in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen. Dat heeft hij gedaan. Inhoudelijk oordeel 2.3. [afnemer] heeft in zijn antwoordakte bezwaren opgeworpen tegen het tussenvonnis, de akte van Invasion en hij maakt gewag van allerlei andere kwesties. Op basis van hetgeen [afnemer] naar voren wordt gebracht kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het onaanvaardbaar zouden maken dat de kantonrechter aan de in het tussenvonnis genomen eindbeslissingen zou zijn gebonden. Daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om terug te komen van de bij dat vonnis genomen bindende eindbeslissingen. 2.4. Het bezwaar tegen de inhoud van de akte van Invasion treft ook geen doel. Invasion laat zich bij die akte immers uit conform de door de kantonrechter gegeven instructie. Het is juist dat Invasion bij dagvaarding niet heeft gesteld dat zij haar vordering heeft verpand en dat zij van Deutsche Bank toestemming heeft om de vordering te innen. De kantonrechter heeft om die reden gebruik gemaakt van de op de voet van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan haar toekomende bevoegdheid om Invasion te bevelen de stelling dat [afnemer] het gevorderde bedrag aan haar dient te betalen toe te lichten en gegevens ter zake in het geding te brengen. Informatie hierover was en is immers van belang voor de beoordeling van de zaak. Als [afnemer] vindt dat de kantonrechter dat niet had mogen doen, dan staat het hem uiteraard vrij een rechtsmiddel in te stellen. 2.5. De kantonrechter laat de inhoud van de antwoordakte voor het overige buiten beschouwing. [afnemer] heeft immers uitsluitend de gelegenheid gekregen om te reageren op de akte van Invasion. Hetgeen [afnemer] voor het overige naar voren brengt gaat dat bestek te buiten. Het processuele debat was immers na de conclusiewisselingen gesloten, met uitzondering van de gevraagde opheldering over de vraag of Invasion wel of niet bevoegd is de door haar verpande vorderingen te innen. 2.6. De kantonrechter zal nu beoordelen of Invasion als pandgever bevoegd is de vordering op [afnemer] te innen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Uit de door Invasion bij haar akte overgelegde e-mail van 8 december 2025, 16:50 uur, waarvan de inhoudelijke juistheid door [afnemer] in zijn antwoordakte niet is bestreden, van Deutsche Bank AG blijkt genoegzaam dat Deutsche Bank, als pandhouder toestemming heeft gegeven aan Invasion als pandgever om vorderingen te innen. Dit is blijkens het e-mailbericht vastgelegd in de overeenkomst tussen Invasion en Deutsche Bank uit hoofde waarvan Invasion haar vorderingen op [afnemer] aan Deutsche Bank heeft verpand. Dit betekent dat Invasion bevoegd is de vordering op [afnemer] te innen. Gelet hierop liggen haar vorderingen in conventie voor toewijzing gereed. 2.7. Bij het tussenvonnis is al geoordeeld dat de vordering die [afnemer] in reconventie heeft ingesteld niet toewijsbaar is. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Proceskosten 2.8. [afnemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom in conventie en in reconventie de proceskosten (inclusief nakosten) van Invasion betalen. 2.9. De proceskosten van Invasion worden in conventie begroot op: - kosten van de dagvaarding € 123,73 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 174,00 (2 punten × € 87,00) - nakosten € 43,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 476,23 2.9.1. De kantonrechter ziet geen aanleiding om een 0,5 punt voor de naar aanleiding van het tussenvonnis genomen akte toe te kennen, aangezien de akte informatie behelst die al bij dagvaarding had kunnen worden verstrekt. 2.10. De proceskosten van Invasion worden in reconventie begroot op € 253,00, gebaseerd op 2 x 0,5 punt (vanwege de samenhang met de vordering in conventie) x 253,00. 3 De beslissing De kantonrechter: in conventie 3.1. veroordeelt [afnemer] om aan Invasion te betalen een bedrag van € 418,67, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 336,10, met ingang van 18 februari 2025 tot aan de dag van volledige betaling, 3.2. veroordeelt [afnemer] in de proceskosten van € 476,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in reconventie 3.3. wijst de vorderingen van [afnemer] af, 3.4. veroordeelt [afnemer] in de proceskosten van € 253,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in conventie en in reconventie 3.5. veroordeelt [afnemer] tot betaling van de kosten van betekening van dit vonnis als [afnemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.6. verklaart dit vonnis ten aanzien van de onder 3.1, 3.2, 3.4 en 3.5, genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.