Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-01-14
ECLI:NL:RBLIM:2026:309
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 25/1489 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister (gemachtigde: G.J.M. Naber). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister eiser een tegemoetkoming voor een voucher toe te kennen. Eiser is het daar niet eens met. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister terecht geen tegemoetkoming voor een voucher heeft toegekend. 1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het (primaire) besluit van 27 maart 2025 heeft de minister het verzoek van eiser om een tegemoetkoming voor een voucher afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarden voldoet. Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 is de minister daarbij gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gronden aangevoerd. De minister heeft daarop schriftelijk gereageerd en nog aanvullende stukken ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 1] (eisers vader) en de gemachtigde van de minister. Daarnaast was [naam 2] (eisers moeder) aanwezig. Beoordeling door de rechtbank De standpunten van partijen 3. De minister stelt zich (kort samengevat) op standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor tegemoetkoming voor een voucher, omdat hij geen volledig universitair diploma (‘wo-bachelor + wo-master’) heeft. De minister vindt daarbij dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De voorwaarden zijn volgens de minister namelijk in de wet vastgelegd en de wetgever heeft besloten geen tegemoetkoming toe tekenen voor alleen een wo-bachelor. De minister verwijst naar een uitspraak van de hoogste rechter (Centrale Raad van Beroep) en naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. 4. Eiser voert (hier samengevat weergegeven) aan dat een onderscheid wordt gemaakt tussen een wo-bachelor en hbo-bachelor. Dat onderscheid strookt niet met zijn rechtsgevoel en hem is niet duidelijk waarom dat onderscheid wordt gemaakt. Eiser meent daarom dat de afwijzing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij komt dat eisers opleiding destijds niet beschikbaar was als hbo-bachelor en hij dus alleen een wo-bachelor kon volgen. Op de zitting heeft eiser(s vader) – onder overlegging van een pleitnota – nog toegelicht dat niet is uitgelegd waarom dit onderscheid wordt gemaakt en er daarmee sprake is van ontoelaatbare rechtsongelijkheid. Mogelijk maakt de wetgever een fout en berust het op een misverstand, maar de toelichting van de minister is niet voldoende. Eiser wijst ook naar de internationale erkenning van de wo- en hbo-bachelors op hetzelfde niveau en dat ze (formeel en juridisch) dezelfde status hebben. Ook wijst eiser er op hoe er in de praktijk (de werkgevers en cao’s) hiermee wordt omgaan en geen onderscheid wordt gemaakt. Eiser zelf licht nog concreet toe dat een medestudent met een hbo-bachelor wel de tegemoetkoming krijgt maar hijzelf niet, terwijl ze er even hard voor hebben moeten werken. Het oordeel van de rechtbank 5. Het gaat in dit beroep over de voorwaarde van artikel 12.15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000. Daarin staat – voor zover voor de beoordeling van belang – dat voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, degene die (…) een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding heeft afgerond. In de wet staat dus uitdrukkelijk de voorwaarde van een ‘een hbo-bachelor’ of ‘het geheel van een wo-bachelor en een wo-master’. Daaruit volgt dus ook dat iemand met (alleen) een wo-bachelor niet aan de voorwaarden voldoet. Vast staat dat eiser daar niet aan Hoewel dit algemene uitgangspunt van de wet(gever) niet altijd recht doet aan het individuele geval (want niet iedere wo-bachelor stroomt ook door, zoals eisers situatie laat zien) en volgens eiser evenmin strookt met de praktijk, is dat onvoldoende doorslaggevend voor een ander oordeel. Datzelfde geldt voor eisers toelichting dat zijn opleiding destijds niet beschikbaar was als hbo-bachelor en hij dus alleen een wo-bachelor kon volgen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat een student vrij is te kiezen welke opleiding hij of zij wil volgen, dat eiser er toen voor heeft gekozen deze specifieke opleiding te volgen (op het niveau van een ‘wo-bachelor’) en daar dan gevolgen aan zijn verbonden (in dit geval voor het recht op een tegemoetkoming voor een voucher). De rechtbank begrijpt goed dat eiser het resultaat van deze voorwaarde onrechtvaardig en oneerlijk vindt (want hij krijgt nu geen tegemoetkoming voor een voucher, terwijl iemand die net zo hard heeft gewerkt als hij maar dan voor de hbo-bachelor wél). De afweging van de wetgever (en het resultaat daarvan) valt echter binnen de beoordelingsvrijheid van de wetgever, die de rechtbank moet respecteren. Tot slot onderkent de rechtbank ook dat dit financiële gevolgen heeft voor eiser, omdat hij nu een bedrag aan tegemoetkoming misloopt (€ 1.835,94). Maar ook dat is niet genoeg om eiser toch gelijk te geven en hem alsnog een tegemoetkoming voor de voucher toe te kennen. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister hem terecht geen tegemoetkoming voor een voucher heeft toegekend. 9. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van J.M.M. Versteegh-Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026 griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 januari 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: Wet studiefinanciering 2000 (geldend voor 01-09-2023) Artikel 12.15. Vouchers voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs 1. In dit artikel wordt onder voucher begrepen: een vergoeding van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1, voor de kosten van het volgen van hoger onderwijs. 2. Een ieder die voldoet aan de volgende voorwaarden heeft aanspraak op een voucher: a. hij heeft in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs; b. hij heeft binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afgerond; en c. hij heeft zich ingeschreven voor een associate degree-, bachelor- of masteropleiding dan wel een geaccrediteerde postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW in Nederland, voor een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in artikel 2.14, derde lid, of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoe