Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-25
ECLI:NL:RBLIM:2026:2679
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
7,162 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:2679 text/xml public 2026-04-14T09:26:50 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-25 11957658 \ CV EXPL 25-4587 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2679 text/html public 2026-04-14T08:34:38 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2679 Rechtbank Limburg , 25-03-2026 / 11957658 \ CV EXPL 25-4587 Schadevorderingen op grond van onrechtmatige daad. Diefstal scooter en goederen aanwezig in scooter. Schatting hoogte van de schade. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11957658 \ CV EXPL 25-4587 Vonnis van 25 maart 2026 in de zaak van 1. [eisende partij 1] , handelend in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [persoon] , 2. [eisende partij 2] , handelend in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [persoon] , beiden te [plaats 1] (België), eisende partijen, hierna te noemen: de wettelijk vertegenwoordigers (formele procespartijen) en [persoon] (materiële procespartij), gemachtigde: mr. P.H.J. Nass, tegen [gedaagde] , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. R.A.J. van der Leeuw. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van met producties 1 tot en met 7 - de conclusie van antwoord met productie 1 - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de brief van 23 januari 2026 met de mededeling dat [persoon] inmiddels meerderjarig is en de aanvullende producties 8 tot en met 13 van de wettelijk vertegenwoordigers - de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen van de wettelijk vertegenwoordigers. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. De broer van [persoon] (hierna: de broer) heeft een scooter, een Piaggio Vespa Sprint met [kenteken] (hierna: de scooter), gebruikt. De broer heeft de scooter op 13 maart 2024 in de avond in een bewonersstalling geparkeerd behorende bij het flatgebouw te [plaats 3] waar de oma van [persoon] woont. Toen de broer op 14 maart 2024 in de middag terugkwam in de stalling stond de scooter niet meer in de stalling. 2.2. [persoon] heeft op 15 maart 2024 aangifte gedaan van diefstal en van die aangifte is een proces-verbaal opgemaakt. 2.3. De meervoudige strafkamer te Rechtbank Limburg, locatie Roermond heeft bij vonnis van 12 mei 2025 onder andere bewezen verklaard dat [gedaagde] op 14 maart 2024 te [plaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander, een scooter die aan [persoon] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen. 2.4. [persoon] heeft als benadeelde partij in de strafrechtelijke procedure een schadevergoeding van in totaal € 6.639,95 gevorderd. [persoon] is in voormeld vonnis niet-ontvankelijk verklaard in zijn schadevordering aangezien de vordering niet ondertekend en niet onderbouwd was. 2.5. [gedaagde] is bij brief van 1 oktober 2025 aansprakelijk gesteld voor de schade van [persoon] en [gedaagde] is daarbij gesommeerd om een bedrag van € 5.940,45 (€ 5.384,95 aan hoofdsom en € 555,50 aan wettelijke rente) te betalen binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief en aangezegd dat indien betaling uitblijft, [gedaagde] daarnaast de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is ter hoogte van € 779,54 (inclusief btw). 2.6. [gedaagde] is niet overgegaan tot betaling. 3 Het geschil 3.1. De wettelijk vertegenwoordigers vorderen – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [persoon] heeft gehandeld en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade. De wettelijk vertegenwoordigers vorderen tevens veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.164,49 (€ 5.384,95 aan hoofdsom en € 779,54 aan buitengerechtelijke incassokosten) en de proceskosten, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. De wettelijk vertegenwoordigers leggen het volgende aan de vordering ten grondslag. Er is sprake van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. [gedaagde] heeft namelijk de scooter en de goederen die zich daarin bevonden van [persoon] gestolen. Daarmee heeft [gedaagde] rechtstreeks inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [persoon] in de zin van artikel 5:1 BW en is er dus sprake van een onrechtmatige gedraging. Er is sprake van toerekenbaar verwijtbaar handelen door [gedaagde] . [persoon] heeft door dit onrechtmatig handelen in totaal € 5.384,95 aan vermogensschade geleden. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: de scooter ter waarde van € 2.700,00; een pet van het merk Gucci ter waarde van € 340,00; een koptelefoon van het merk Beats ter waarde van € 399,95; een bril van het merk Dita ter waarde van € 925,00; een tas van het merk Louis Vuitton ter waarde van € 1.020,00. Het causaal verband tussen de schade en de onrechtmatige gedraging is evident aangezien [persoon] nog over diens eigendommen zou kunnen beschikken indien de diefstal niet had plaatsgevonden. Op grond van het voorgaande is [gedaagde] aansprakelijk voor de door [persoon] geleden schade. 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [persoon] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de wettelijk vertegenwoordigers in de proceskosten, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. [gedaagde] voert daartoe het volgende aan. [gedaagde] betwist dat [persoon] eigenaar was van de scooter op het moment van de diefstal en stelt zich op het standpunt dat de waarde van de scooter nihil is. [gedaagde] betwist dat de goederen ten tijde van de diefstal van de scooter in de scooter aanwezig waren en deze dus weggenomen te hebben en dat deze goederen eigendom waren van [persoon] . [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat geen causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde in de strafzaak en de beweerdelijke schade aan de scooter en de goederen. Ten aanzien van die goederen is aan de zijde van [gedaagde] geen schade toebrengend handelen, zodat van toerekenbaarheid aan [gedaagde] evenmin sprake is. Ook de hoogte van de schade wordt betwist. Als laatste verwijst [gedaagde] naar artikel 21 Rv en stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is. De wettelijk vertegenwoordigers voeren onjuiste feitelijke stellingen aan. [gedaagde] acht dit van ernstige importantie en verzoekt om daaraan de conclusie te verbinden dat de vorderingen worden afgewezen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Procesbevoegdheid [persoon] 4.1. is op [datum] 2025, dus gedurende de procedure, meerderjarig geworden. Dit betekent dat [persoon] vanaf deze datum zelf procesrechtelijk bekwaam is. In artikel 225 lid 1 onder c Rv is opgenomen dat het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander, hetzij door een andere oorzaak een schorsingsgrond is. Het defungeren van de formele procespartij (omdat de materiële procespartij meerderjarig is geworden) valt onder het toepassingsbereik van dit artikel. 4.2. De gemachtigde heeft bij brief van 23 januari 2026 medegedeeld dat de bijgevoegde aanvullende producties worden ingediend namens zijn cliënt, de inmiddels meerderjarige [persoon] . [persoon] heeft ter mondelinge behandeling ook zelf het woord gevoerd. Van een formeel schorsingsverzoek is echter geen sprake. Op grond van artikel 225 lid 2 Rv wordt bij het gebrek aan een schorsingsverzoek het geding voortgezet op naam van de oorspronkelijke partij, zijnde de wettelijk vertegenwoordigers. Rechtsmacht, bevoegdheid en toepasselijk recht 4.3. De rechtsverhouding heeft, gezien het feit dat de wettelijk vertegenwoordigers in België wonen, een internationaal karakter. Derhalve dient te worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en welk recht de rechtsverhouding beheerst. 4.4.
Volledig
Artikel 4 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-bis) bevat de hoofdregel, namelijk: zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. In artikel 7 lid 2 Brussel I-bis is bepaald dat een persoon ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. [gedaagde] woont in [plaats 2] en het schadebrengende feit heeft zich voorgedaan in [plaats 3] . De Nederlandse rechter heeft dus rechtsmacht en de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht is op grond van het voorgaande bevoegd. 4.5. In artikel 4 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II) is bepaald dat het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land is waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Op grond van overweging 7 van de preambule van Rome II blijkt dat voor het begrip ‘plaats waar de schade zich voordoet’ in de zin van artikel 4 lid 1 Rome II aansluiting kan worden gezocht bij het begrip ‘schadebrengend feit’ in de zin van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis. Het schadebrengende feit heeft zich voorgedaan in [plaats 3] . Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is. Schending artikel 21 Rv? 4.6. Volgens [gedaagde] hebben de wettelijk vertegenwoordigers onjuiste feitelijke stellingen ingenomen en leidt dit tot onoverkomelijke onduidelijkheden bij de beoordeling. De wettelijk vertegenwoordigers stellen namelijk dat scooter van het bouwjaar 2024 is (terwijl het bouwjaar aantoonbaar 2015 is) en aangekocht werd in oktober 2025, terwijl de diefstal plaatsvond in maart 2024 en de bij dagvaarding aangebrachte producties tot niets te herleiden zijn. 4.7. Volgens de wettelijk vertegenwoordigers is er geen sprake van schending van artikel 21 Rv, maar van een kennelijke verschrijving met betrekking tot het bouwjaar van de scooter. In randnummer 2 van de dagvaarding is abusievelijk bouwjaar 2024 in plaats van 2014 opgenomen. 4.8. Ingevolge artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Kernachtig weergegeven komen de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv neer op het volgende. Partijen mogen in elk geval: (i) geen feiten stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn, (ii) geen feiten ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn en (iii) geen feiten achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet. Hiervan is geen sprake. De kantonrechter acht het aannemelijk dat ten aanzien van het bouwjaar sprake is van een kennelijke verschrijving en de kantonrechter kan niet herleiden waar de wettelijk vertegenwoordigers gesteld zouden hebben dat de scooter werd aangekocht in 2025. 4.9. Nu geen sprake is van schending van artikel 21 Rv komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. De kern van het geschil en het oordeel van de kantonrechter 4.10. Vast staat dat [gedaagde] op 14 maart 2024 een scooter heeft gestolen. Hij is hiervoor immers strafrechtelijk veroordeeld en niet gesteld of gebleken is dat hij tegen dat vonnis in hoger beroep is gegaan. Dit vonnis heeft dus kracht van gewijsde en levert dwingend bewijs op van de diefstal van de scooter . 4.11. Door het plegen van diefstal maakt de dader inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar van het gestolen goed. Dat is een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. Uit dit artikel volgt dat degene die deze onrechtmatige daad heeft gepleegd verplicht is om de schade die de eigenaar daardoor heeft geleden te vergoeden. 4.12. De vraag die in dit geding centraal staat is of [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [persoon] . [gedaagde] heeft immers betwist dat [persoon] eigenaar was van de scooter. Daarnaast is in het geschil of de door [persoon] gestelde goederen zich in de scooter bevonden, of deze eigendom van [persoon] waren, of [gedaagde] ook de waarde van deze goederen moet vergoeden en zo ja, op welk bedrag de door hem te betalen schadevergoeding moet worden vastgesteld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de waarde van de scooter en de zich daarin bevindende goederen moet vergoeden aan de wettelijke vertegenwoordigers van [persoon] . [persoon] heeft voldoende onderbouwd dat hij de eigenaar was van de scooter en van de zich daarin bevindende pet, tas, zonnebril en koptelefoon en dat hij dit eigendom door de diefstal van [gedaagde] heeft verloren. De kantonrechter vindt wel dat de wettelijke vertegenwoordigers de hoogte van schade niet altijd goed hebben onderbouwd. De kantonrechter heeft de schade daarom (deels) geschat. De kantonrechter stelt het totale bedrag aan schadevergoeding vast op € 3.010,00. Hieronder zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen. [persoon] was eigenaar van de scooter en die had een waarde van € 2.700,00 4.13. De wettelijk vertegenwoordigers stellen dat [persoon] eigenaar van de scooter was op moment van de diefstal. [gedaagde] betwist dit aangezien de koopovereenkomst dateert van 22 oktober 2025, dus na de diefstal. De kantonrechter kan dit standpunt niet volgen, aangezien bovenaan de overgelegde koopovereenkomst staat dat de koop is gesloten op 22 oktober 2023, dus vóór de diefstal. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat nergens uit blijkt dat [persoon] de koopsom heeft voldaan. De wettelijk vertegenwoordigers hebben inderdaad geen betalingsbewijs overgelegd. Zij hebben echter wel de koopovereenkomst overgelegd en vast staat dat [persoon] de desbetreffende scooter tot en met 13 maart 2024 in zijn bezit had. Daarmee staat voldoende vast dat [persoon] op het moment van de diefstal eigenaar was van de scooter. 4.14. [persoon] heeft de scooter gekocht voor € 2.700,00. Volgens [gedaagde] is de waarde van de scooter nihil aangezien rekening dient te worden gehouden met de leeftijd van de scooter (meer dan tien jaar oud) en afschrijving. Daarnaast is volgens [gedaagde] , zoals volgt uit het proces-verbaal van aangifte, de scooter van origineel mat donkergrijs overgespoten in hoogglans zwart. [gedaagde] betwist dat dit spuitwerk aan de kwaliteitseisen van goed en deugdelijk werk voldoet en dat deugdelijk onderhoud aan de scooter heeft plaatsgevonden. 4.15. [persoon] stelt dat hij de scooter niet overgespoten heeft gekocht, dat hij dat ook niet zelf heeft gedaan en dat hij dit ook niet aan de politie heeft verklaard. [persoon] weet niet hoe het mogelijk is dat dit in het proces-verbaal terecht is gekomen. [persoon] stelt dat hij een zwarte scooter heeft gekocht. Dit volgt ook uit de koopovereenkomst en de kantonrechter kan het overspuiten van de scooter dan ook niet aanmerken als waardeverminderende factor, daargelaten óf dit is gebeurd en of dit dan op de juiste manier is gebeurd. Dat wellicht geen deugdelijk onderhoud aan de scooter is uitgevoerd betreft een blote stelling. Vast staat dat de scooter nog geen zes maanden na aankoop gestolen is. De waarde van de scooter, en daarmee het door [gedaagde] te betalen bedrag aan schadevergoeding wordt daarom bepaald op het aankoopbedrag van € 2.700,00. In de scooter zaten een koptelefoon, zonnebril, tas en pet en [gedaagde] moet de waarde van deze goederen vergoeden 4.16. De wettelijk vertegenwoordigers stellen dat de onder rechtsoverweging 3.2. opgesomde goederen zich ten tijde van de diefstal in de scooter bevonden en dat [persoon] eigenaar was van deze goederen.
Volledig
[gedaagde] betwist dit. [gedaagde] voert aan dat nergens uit blijkt dat deze goederen zich in de scooter bevonden. In het proces-verbaal van aangifte is ook niets opgenomen over die goederen. [persoon] begrijpt niet hoe het kan dat de goederen niet zijn opgenomen in het proces-verbaal. Hij is er zeker van dat hij dit wel vermeld heeft ten tijde van de aangifte. [gedaagde] voert daarnaast aan dat het zadel van de scooter al open was toen hij de scooter heeft meegenomen. Volgens [persoon] heeft zijn broer het zadel juist op slot gedaan omdat zijn broer wist dat de goederen in de scooter lagen. Dat heeft [persoon] namelijk aan zijn broer verteld toen zijn broer de scooter meenam. De wettelijk vertegenwoordigers hebben een ondertekende ‘getuigenverklaring’ van de broer overgelegd. In deze verklaring is opgenomen dat de broer voorafgaand aan de diefstal heeft gezien dat de koptelefoon, zonnebril, tas en pet zich in de scooter bevonden. Verder verklaart de broer dat de scooter nadien is gestolen en dat de voormelde goederen zich op dat moment in de scooter bevonden. 4.17. De kantonrechter overweegt ten aanzien van het voorgaande als volgt. [gedaagde] heeft onvoldoende betwist dat de goederen zich in de scooter bevonden op het moment van de diefstal. Dat de goederen niet zijn opgenomen in het proces-verbaal wil nog niet zeggen dat de goederen niet aanwezig waren in de scooter. Ten aanzien van de verklaring van de broer heeft [gedaagde] enkel de geloofwaardigheid daarvan betwist. De wettelijk vertegenwoordigers hebben naar het oordeel van de kantonrechter, mede gelet op de verklaring van de broer, voldoende aannemelijk gemaakt dat de goederen in de scooter lagen op het moment van de diefstal. 4.18. [gedaagde] heeft dus de scooter mét de daarin aanwezige goederen van [persoon] gestolen. De kantonrechter volgt het standpunt van [gedaagde] dat geen sprake is van toerekenbaar handelen niet. [gedaagde] heeft de scooter gestolen en in een scooter kunnen goederen bewaard worden. Door de scooter te stelen, heeft [gedaagde] ook inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht ten aanzien van de in die scooter aanwezige spullen van [persoon] . Dat [gedaagde] die spullen mogelijk niet eens heeft gezien of gebruikt, doet aan het voorgaande niet af. 4.19. Was [persoon] dan ook eigenaar van die goederen? Ten aanzien van die vraag overweegt de kantonrechter als volgt. De wettelijk vertegenwoordigers hebben facturen overgelegd van de koptelefoon, zonnebril en tas. Deze facturen zijn, zoals ook aangevoerd door [gedaagde] , niet te herleiden naar [persoon] . De wettelijk vertegenwoordigers stellen dat [persoon] alle goederen cadeau heeft gekregen van de vriendin van de broer (hierna: de schoonzus). De wettelijk vertegenwoordigers hebben een ondertekende verklaring van de schoonzus overgelegd. Hierin verklaart de schoonzus dat zij een tas, koptelefoon, bril en pet voor haar schoonbroer [persoon] heeft aangeschaft en aan hem cadeau heeft gegeven ter gelegenheid van kerstmis en zijn verjaardag. De wettelijk vertegenwoordigers hebben daarnaast foto’s in het geding gebracht waarop [persoon] te zien is met de voornoemde goederen. De wettelijk vertegenwoordigers hebben dan ook voldoende onderbouwd dat [persoon] eigenaar was van de goederen. De blote betwisting door [gedaagde] doet daaraan niet af. 4.20. [gedaagde] dient ook de waarde van deze spullen aan de wettelijke vertegenwoordigers te vergoeden. Bij de vaststelling van die waarde gelden de volgende uitgangspunten. 4.21. Uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven . Voor de beantwoording van de vraag of er schade is, hoe hoog die schade is en of de schade wel echt door de gebeurtenis komt, gelden de normale bewijsregels. Wel heeft de rechter de vrijheid om het schadebedrag zelf in te schatten als het onmogelijk is om het precieze bedrag exact vast te stellen. Concreet betekent dit dat [persoon] niet zomaar kan roepen dat hij schade heeft. Hij moet met voldoende bewijzen komen voor de schade en het verband met de door [gedaagde] gepleegde diefstal. Als hij voldoende heeft aangetoond dat hij schade heeft, maar het heel lastig is om daar een exact prijskaartje aan te hangen, dan mag de rechter een logische schatting maken zodat hij toch gecompenseerd wordt. Daarnaast is artikel 6:100 BW nog van belang. Dat artikel geeft de mogelijkheid om een aftrek “nieuw voor oud” toe te passen en heeft tot doel om ervoor te zorgen dat de benadeelde van een schadeveroorzakende gebeurtenis “er niet beter van wordt” en derhalve niet meer dan zijn volledige schade vergoed krijgt. 4.22. Wat deze uitgangspunten betekenen voor de door de wettelijke vertegenwoordigers gevorderde schadevergoeding wordt hieronder uitgelegd. De waarde van de pet wordt bepaald op nihil 4.23. Met betrekking tot de pet is geen factuur overgelegd en ook niet gesteld wanneer die is gekocht. Volgens [persoon] was deze contant betaald. Er wordt enkel gesteld dat de waarde marktconform is. De kantonrechter vindt dat [persoon] onvoldoende aanknopingspunten heeft gegeven om de schade vast te stellen. Zeker omdat niet eens is verduidelijkt wanneer de pet is aangeschaft, beschouwt de kantonrechter deze pet als “afgeschreven” en zal zij de waarde bepalen op nihil. De waarde van de tas wordt geschat op € 150,00 4.24. Volgens de wettelijke vertegenwoordigers was de gestolen tas van het merk Louis Vuitton en had die een waarde van € 1.020,00. Ter onderbouwing is een factuur uit 2019 overgelegd van een Louis Vuitton winkel in Lissabon, waarop niet te zien is welk product is aangeschaft en waar de naam van de koper is weggelakt. Deze factuur kan dus niet worden beschouwd als een voldoende onderbouwing van de waarde van de tas. Op de foto’s die in het geding zijn gebracht, is [persoon] te zien met een zwarte “crossbody” tas met een blokmotief. In de verklaring van zijn schoonzus staat alleen maar dat zij “een Louis Vuittontas” aan [persoon] heeft geschonken. Er staat niet bij in welk jaar, welk model, en wat de aankooprijs was. Ook wat betreft de waarde van de gestolen tas hebben de wettelijke vertegenwoordigers hiermee onvoldoende aanknopingspunten gegeven om die precies te kunnen vaststellen. De kantonrechter zal die waarde daarom schatten op een bedrag van € 150,00. De waarde van de zonnebril wordt geschat op € 80,00 4.25. De schoonzus heeft in haar verklaring vermeld dat zij aan [persoon] een zonnebril cadeau heeft gegeven van het merk Dita. Door de wettelijke vertegenwoordigers is een stuk overgelegd, genaamd “Order Confirmation” met als datum 09.09.2023 waarop staat “Sunglasses” en een bedrag van € 925,00. [persoon] is op de overgelegde foto’s te zien met een zonnebril. De merknaam is niet zichtbaar. Met deze stukken heeft [persoon] onvoldoende onderbouwd dat de zonnebril in de gestolen scooter dezelfde was als waarop de factuur zag en dus een waarde had van € 925,00. De kantonrechter zal de waarde daarom schattenderwijs vaststellen op een bedrag van € 80,00 en dit bedrag als schadevergoeding toekennen. De waarde van de koptelefoon wordt geschat op € 80,00 4.26. De schoonzus heeft in haar verklaring vermeld dat zij aan [persoon] “een koptelefoon” heeft gegeven. Door de wettelijke vertegenwoordigers is een factuur op naam van de schoonzus van Zalando overgelegd waarop staat een koptelefoon staat met als omschrijving “Beats Studio Pro Wireless Headphones” en een bedrag van € 330,54. Op één van de overgelegde foto’s van [persoon] is hij te zien met een koptelefoon, maar dat is geen koptelefoon van het merk Beats. De factuur kan daarom niet als onderbouwing dienen voor de aankoopdatum en de waarde van deze koptelefoon. De kantonrechter zal de waarde daarom schattenderwijs vaststellen op een bedrag van € 80,00 en dit bedrag als schadevergoeding toekennen. In totaal moet [gedaagde] € 3.010,00 betalen 4.27. Concluderend worden in totaal de volgende bedragen aan schadevergoeding toegewezen: Scooter € 2.700.00 Pet nihil Tas € 150,00 Zonnebril € 80,00 Koptelefoon € 80,00 € 3.010,00 Wettelijke rente 4.28.
Volledig
De wettelijk vertegenwoordigers vorderen de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 14 maart 2024. [gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. Artikel 6:83 sub b BW bepaalt dat verzuim zonder ingebrekestelling intreedt bij een verbintenis uit onrechtmatige daad. Vast staat dat de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden op 14 maart 2024. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf die datum over het toewijsbare bedrag. Buitengerechtelijke incassokosten 4.29. De wettelijk vertegenwoordigers vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 779,54 (inclusief btw). [gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vordering. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijk vertegenwoordigers hebben aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Nu een deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. Omdat [persoon] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw zoals gevorderd. Dit alles betekent dat een bedrag van € 515,46 wordt toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen zoals gevorderd vanaf 3 november 2025 (datum dagvaarding). Proceskosten 4.30. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de wettelijk vertegenwoordigers worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten × € 288,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.122,45 4.31. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [persoon] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor door [persoon] geleden schade, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan de wettelijk vertegenwoordigers en aan [persoon] te betalen een bedrag van € 3.010,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover, met ingang van 14 maart 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt [gedaagde] om aan de wettelijk vertegenwoordigers en aan [persoon] te betalen een bedrag van € 515,46 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover, met ingang van 3 november 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.122,45, te betalen aan de wettelijk vertegenwoordigers en aan [persoon] binnen veertien dagen na vonnisdatum, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.5. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten aan de wettelijk vertegenwoordigers en aan [persoon] als deze niet binnen veertien dagen na vonnisdatum zijn betaald, 5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026. ECLI:NL:PHR:2021:38. Ingevolge het bepaalde in artikel 161 Rv. Hoge Raad 5 december 2008, ECLI:NLHR:2008:BE9998. HR 27-11-2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162.