Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-03-17
ECLI:NL:RBLIM:2026:2518
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummers : 03.108319.25, 96.052681.25 en 96.370256.24 (ttz.gev.) en Parketnummer : 03.214091.23 (tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortjaar] 1986, gedetineerd in de P.I. Sittard. De verdachte wordt bijgestaan door mr. J. Engels, advocaat kantoorhoudende te Venlo. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. [benadeelde partij 1] was ter zitting aanwezig. De gemachtigde D.M. Medenbach, casemanager Geweld Tegen Politie Ambtenaren, heeft namens beide benadeelde partijen het woord gevoerd. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: in de zaak 03.108319.25: op 21 maart 2025 heeft geprobeerd om de agenten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en zijn bijrijdster te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een auto op de agenten in te rijden; een auto heeft bestuurd, terwijl zijn rijbewijs geschorst was; in de zaak 96.052681.25: - op 28 januari 2025 een auto heeft bestuurd, terwijl zijn rijbewijs geschorst was; in de zaak 96.370256.24: - op 14 augustus 2024 een auto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed van cannabis, cocaïne en alcohol was. 3 Partiële nietigheid van de tenlastelegging De rechtbank zal de dagvaarding in de zaak 03.108319.25 partieel nietig verklaren voor zover het betreft de zinsnede “en/of [bijrijdster verdachte] (bijrijdster van verdachte in de door hem bestuurde personenauto)”, zoals opgenomen in feit 1 primair en subsidiair. Daartoe overweegt zij als volgt. Kern van die zaak betreft het inrijden van de verdachte met een door hem bestuurde auto op een dienstvoertuig waarin zich op dat moment twee politieambtenaren bevonden. Bij de verdachte in de auto bevond zich [bijrijdster verdachte] als bijrijdster. De verfeitelijking van de tenlastelegging is toegespitst op de gedragingen van de verdachte in verhouding tot het dienstvoertuig van politieambtenaren. De tenlastelegging verfeitelijkt echter niet of en zo ja, op welke wijze de verweten poging tot doodslag/zware mishandeling op [bijrijdster verdachte] betrekking heeft. In zoverre is de dagvaarding naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feitelijk en daarmee gedeeltelijk nietig. 4 De beoordeling van het bewijs De rechtbank zal de ten laste gelegde feiten hierna in chronologische volgorde bespreken en beoordelen. Daarbij zullen de standpunten van de officier van justitie en de verdediging per feit geduid worden. 4.1 Vrijspraak rijden onder invloed op 14 augustus 2024 (zaak 96.370256.24) De raadsvrouw heeft bepleit dat geen sprake is geweest van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), nu de strikte waarborg van artikel 13, eerste lid, onder d. van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) niet is nageleefd. De onderzoeksresultaten kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt, waardoor de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de inzendingstermijn aan het laboratorium niets zegt over de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten en dat dit feit daarom wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. De rechtbank stelt voorop dat van een ‘onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8, leden 2, 3 en 5 WVW slechts sprake is indien de strikte waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Indien de rechtbank tot he Ik, [verbalisant 2] , herkende de bestuurder ambtshalve als zijnde [verdachte] (geboren op [geboortjaar] ). Tevens wist ik dat [verdachte] geen voertuig mocht besturen, omdat zijn rijbewijs geschorst was. Het bovengenoemde voertuig vervolgde zijn weg via de Bredeweg in Ottersum. Ik gaf het voertuig een stopteken door middel van het stoptransparant gevestigd in het onopvallend dienstvoertuig. Wij zagen dat de bestuurder geen gehoor gaf aan het gegeven stopteken via het stoptransparant. Wij zagen dit doordat het voertuig met een hoge snelheid ervandoor ging. Wij zagen dat het voertuig op de Horsestraat te Gennep in de richting van de Nijmeegseweg te Gennep reed. Wij zagen diverse keren na het veranderen van richting dat beide remlichten van het voertuig brandden. Wij zagen dat de Horsestraat een smalle weg betrof voor verkeer in beide richtingen. De berm is aan beide zijden ongeveer 0,5 meter breed. De berm is gelegen aan een heg van ongeveer 1 tot 1,5 meter hoog. Wij zagen dat je hier met één voertuig goed op kunt rijden, maar als er tegenovergesteld verkeer aan komt dat beide voertuigen moeten afremmen, elkaar de ruimte moeten geven en uit moeten wijken naar de berm. Wij zagen dat onze collega's in een opvallend dienstvoertuig de weg blokkeerden. Wij zagen dat het dienstvoertuig met optische- en geluidsignalen aan stond. Wij zagen dat het dienstvoertuig in fend-off positie stond gepositioneerd. Deze fend-off is een positionering op de weg dat het dienstvoertuig schuin op de weg staat met een hoek van 45 graden ten opzichte van de lengteas van de weg. Daarbij kan de bestuurder zien aan de striping dat het een politieauto betreft en de doorgang geblokkeerd is. Doordat het dienstvoertuig op deze manier gepositioneerd stond, was de gehele rijbaan van de Horsestraat geblokkeerd. Wij zagen dat de weg zodanig was geblokkeerd dat het eerdergenoemde voertuig er niet langs kon. Wij reden ongeveer 200 à 300 meter achter het eerdergenoemde voertuig en hadden ongeveer een snelheid van 100 kilometer per uur. Wij zagen dat wij niet dichter bij het eerdergenoemde voertuig kwamen. Wij zagen dat het dienstvoertuig van verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in fend-off positie stond. Wij zagen dat het eerdergenoemde voertuig in eerste instantie op hen inreed. Wij zagen op het allerlaatste moment dat het dienstvoertuig achteruit reed. Wij zagen dat het dienstvoertuig dit met enige snelheid deed, omdat het eerdergenoemde voertuig de snelheid aanhield. Wij zagen dat de afstand van het voertuig en het dienst-voertuig minimaal was, een afstand van 50 à 100 meter. Wij zagen dat het eerdergenoemde voertuig een kleine stuurbeweging maakte naar de rechterzijde, waardoor het iets uitweek naar rechts. De afstand tussen beide voertuigen was naar schatting 5 à 10 centimeter. De remlichten van het voertuig brandden niet bij het naderen van het gepositioneerd opvallende dienstvoertuig. Deze functioneerden wel zoals eerder beschreven. Het voertuig reed zonder snelheid te minderen op het gepositioneerde opvallende voertuig in. Wij zagen dat het eerdergenoemde voertuig op het laatste moment uitweek naar rechts, half door de berm reed en zo zijn weg vervolgde. Als het opvallende dienstvoertuig niet achteruit was gereden en het eerdergenoemde voertuig zijn rijrichting vervolgde, was het eerdergenoemde voertuig met de voorzijde frontaal op de rechterzijkant van het gepositioneerde dienstvoertuig ingereden, vermoedelijk ter hoogte van het rechter voorportier. Wij zagen dat beide collega's nog in het opvallende dienstvoertuig zaten. Wij zagen dat er ook geen mogelijkheid was om het opvallende dienstvoertuig te verlaten, doordat het eerdergenoemde voertuig zijn snelheid aanhield naar schatting van 100 kilometer per uur. 2. Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [benadeelde partij 2] , aspirant bij de Eenheid Limburg, en [benadeelde partij 1] , inspecteur bij de Eenheid Limburg, van 22 maart 2025, pagina’s 17 tot en met 19 van het Ik had echt het gevoel en de overtuiging dat ik het voertuig van [verdachte] niet meer kon ontwijken, zo snel kwam het voertuig op ons af. 4.4.2 De overwegingen van de rechtbank Op 21 maart 2025 vond een bijna-aanrijding plaats tussen een door de verdachte bestuurde personenauto en een politieauto met daarin de verbalisanten [benadeelde partij 1] als bestuurder en [benadeelde partij 2] al bijrijder. Kern van de zaak is de vraag of de verdachte het opzet had om deze verbalisanten te doden of zwaar te verwonden. Niet is gebleken dat de verdachte uit is geweest op de dood van deze verbalisanten; van zogeheten vol opzet is niet gebleken. Toch kan de rechtbank het opzet van verdachte op de dood of de zware verwonding van de verbalisanten wel bewijzen als er sprake is geweest van zogeheten voorwaardelijk opzet. Beoordelingskader Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij een ander – aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg drie condities dienen te zijn vervuld. Dat zijn: de gedraging heeft een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven geroepen; de verdachte heeft ten tijde van de gedraging wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg door zijn gedraging zal intreden. Met andere woorden, de verdachte is zich van die aanmerkelijke kans bewust geweest; de verdachte heeft die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging aanvaard. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Feiten en omstandigheden De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. De verdachte is met ongeveer 100 kilometer per uur op een als zodanig herkenbare politie-auto ingereden. Dit vond plaats op een smalle weg, zo smal dat deze normaliter niet breed genoeg is om met twee auto’s eenvoudig langs elkaar te rijden. Daarvoor zouden beide auto’s moeten uitwijken en door de berm moeten rijden. De politieauto bevond zich bovendien niet op zijn eigen weghelft – als daarvan op de betreffende weg al kan worden gesproken -, maar blokkeerde de gehele weg door in een hoek van ongeveer 45 graden ten opzichte van de lengteas van de weg te gaan staan. De verdachte kon derhalve met geen mogelijkheid én op het wegdek blijven én langs de politieauto rijden. De verdachte maakte echter geen aanstalten om te stoppen of zelfs maar te remmen (getuige het feit dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , in tegenstelling tot eerder tijdens de achtervolging, geen geactiveerde remlichten zagen, en zij en verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de verdachte zagen rijden met een onverminderde snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur) en maakte pas een kleine uitwijkmanoeuvre nadat verbalisant [benadeelde partij 1] op het laatste moment ervoor had gekozen om een aanrijding te voorkomen door achteruit te rijden Aan de verdachte is primair ten laste gelegd een poging doodslag op de verbalisanten en subsidiair een poging zware mishandeling van die verbalisanten. Nu in dit feit twee verbalisanten als beoogd slachtoffer zijn opgenomen, is sprake van een impliciet cumulatieve tenlastelegging. Dat biedt ook de mogelijkheid om de gedraging van de verdachte te beoordelen tegen beide verbalisanten afzonderlijk. Dat maakt dat de rechtbank, zonder de grondslag van de tenlastelegging te verlaten, kan bewezen verklaren: de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op verbalisant [benadeelde partij 2] en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van verbalisant [benadeelde partij 1] . Voor het overige De raadsvrouw heeft verder nog een betrouwbaarheidsverweer gevoerd over de verklaring(en) van de getuige [bijrijdster verdachte] . De rechtbank heeft die verklaring(en) niet gebruikt voor het bewijs. Daarom behoeft dat verweer geen verdere bespreking. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht ten laste van de verdachte bewezen dat: in de zaak 03.108319.25 feit 1 primair: hij op 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] (aspirant bij de Eenheid Limburg) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur) en zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin [benadeelde partij 2] (terwijl hij met het dienst-voertuig een blokkade vormde op de rijbaan), (vervolgens) het dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; In de zaak 03.108319.25 feit 1 subsidiair: hij op 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] (inspecteur bij de Eenheid Limburg) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur) en zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin [benadeelde partij 1] (terwijl hij met het dienst-voertuig een blokkade vormde op de rijbaan, (vervolgens) het dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; in de zaak 03.108319.25 feit 2: hij op 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Bredeweg en de Horsestraat, een motorrijtuig (personenauto) van de categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd; in de zaak 96.052681.25 feit 1: hij op 28 januari 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Molenweg, een motor-rijtuig (personenauto) van de categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd; De rechtbank heeft de tenlastelegging van feit 2 in de zaak 03.108319.25 verbeterd gelezen, met dien verstande dat Horsterweg gelezen is als Horsestraat . De verdachte is daarmee niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: in de zaak 03.108319.25 feit 1 primair en subsidiair: poging tot doodslag in eendaadse sa Het reclasseringsadvies van 17 februari 2026 vermeldt weliswaar diverse risicofactoren zoals onder meer de houding van de verdachte en zijn psychosociaal functioneren en adviseert de oplegging van een deels voorwaardelijke straf, maar dit is wat de rechtbank betreft een gepasseerd station. Eerdere betrokkenheid van de reclassering en een eerdere voorwaardelijke veroordeling heeft de verdachte niet weerhouden van het plegen van deze feiten, zodat getwijfeld moet worden aan de meerwaarde en haalbaarheid van met een deels voorwaardelijke straf na te streven doelen. Het is nu aan de verdachte om aan te tonen dat hij niet meer aanraking hoeft te komen met politie en justitie. Al met al oordeelt de rechtbank dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest passend en geboden is. De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. Ter bescherming van de verkeersveiligheid oordeelt de rechtbank dat ook een rijontzegging passend en geboden is. Rekening houdend met de tijd die de verdachte nog in detentie zal verblijven, zal de rechtbank die bepalen op 3 jaren. 8 De benadeelde partijen 8.1 De vorderingen van de benadeelde partijen De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] vorderen elk schadevergoeding tot een bedrag van 653 euro aan immateriële schade als gevolg van feit 1 in de zaak 03.108319.25. Zij hebben daarbij verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen. 8.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft niet-ontvankelijkheid van beide benadeelde partijen bepleit gelet op het vrijspraakverweer. 8.4 Het oordeel van de rechtbank De vorderingen zijn gebaseerd op artikel 6:106, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek. Dat bepaalt – voor zover hier relevant – dat vergoeding van immateriële schade in aanmerking komt bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze. De vorderingen specificeren niet op welke van deze drie gronden de vordering gebaseerd is. Nu van lichamelijk letsel en een aantasting in de eer of goede naam niet is gebleken, resteert aantasting van de persoon op ander wijze. Wil de benadeelde aanspraak maken op vergoeding van schade via deze weg, dan kan dat via twee routes (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), namelijk: als sprake is van door het bewezenverklaarde strafbare feit ontstaan geestelijk letsel. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aandragen op grond waarvan dit naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376); zonder geestelijk letsel, wanneer de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen voor de benadeelde partij dat meebrengen; a. waarbij het dan allereerst gaat om situaties waarin de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting;. b. en waar buiten die (uitzonderlijke) situaties de benadeelde partij de aantasting in persoon met concrete gegevens zal moeten onderbouwen. De rechtbank constateert dat de onderbouwing van de vordering grotendeels een beschrijving van de gebeurtenissen, het strafbare feit zelf, bevat en waarbij slechts summier de gevolgen voor de benadeelden zijn beschreven. De benadeelde [benadeelde partij 1] heeft die gevolgen, voor zover het hemzelf en niet zijn familieleden betreft, beschreven als een mentale impact, extra voorzichtigheid en angst. De benadeelde [benadeelde partij 2] heeft vooral beschreven wat en met wie hij de gebeurtenissen heeft besproken, maar concrete gevolgen, behalve onrust toen de verdachte nog niet was aa Corten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 maart 2026. BIJLAGE I : De tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat in de zaak 03.108319.25 feit 1 primair: hij, op of omstreeks 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] (inspecteur bij de Eenheid Limburg) en/of [benadeelde partij 2] (aspirant bij de Eenheid Limburg) en/of [bijrijdster verdachte] (bijrijdster van verdachte in de door hem bestuurde personenauto) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet, - met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur), althans enige snelheid, en/of zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] (terwijl zij met het dienstvoertuig een blokkade vormde(n) op de rijbaan), - ( vervolgens) het voornoemde dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; in de zaak 03.108319.25 feit 1 subsidiair: hij, op of omstreeks 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] (inspecteur bij de Eenheid Limburg) en/of [benadeelde partij 2] (aspirant bij de Eenheid Limburg) en/of [bijrijdster verdachte] (bijrijdster van verdachte in de door hem bestuurde personenauto) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, - met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur), althans enige snelheid, en/of zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] (terwijl zij met het dienstvoertuig een blokkade vormde(n) op de rijbaan), - ( vervolgens) het voornoemde dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; in de zaak 03.108319.25 feit 2: hij, op of omstreeks 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Bredeweg en/of de Horsterweg, een motorrijtuig, (een personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd; in de zaak 96.052681.25: hij, op of omstreeks 28 januari 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Molenweg, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd; in de zaak 96.370256.24: hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Siebengewald, gemeente Bergen (L) een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis en/of cocaïne en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 1,5 microgram tetrahydrocannabinol (THC) per liter bloed en/of 250 microgram cocaïne per liter bloed en/of 0,22 milligram ethanol/alcohol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoge