Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-01-15
ECLI:NL:RBLIM:2026:25
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rekestnummer: 11939234 \ AZ VERZ 25-116 Beschikking van 15 januari 2026 in de zaak van [werknemer] , wonende te [plaats 1] , verzoekende partij, verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers, tegen [werkgever] B.V. , gevestigd te [plaats 2] , verwerende partij, verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna te noemen: [werkgever] , gemachtigde: mr. S.M.M. Hamers. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet. Werknemer erkent de dringende reden dat hij geld heeft weggenomen uit het bedrijf maar betwist dat het ontslag op staande voet onverwijld is medegedeeld. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag op staande voet wel onverwijld is medegedeeld. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 26 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift, - het op 8 december 2025 ontvangen verweerschrift, met een voorwaardelijk tegenverzoek, - de spreekaantekeningen van de zijde van [werknemer] , - de mondelinge behandeling van 18 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [werknemer] , geboren [geboortedag] 1963, is sinds 1 augustus 2021 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is vestigingsmanager. 2.2. Eind juli 2025 heeft de (nieuwe) directeur van [werkgever] , de heer [directeur] , een gesprek gehad met [werknemer] waarin hij hem gevraagd heeft waarom hij niet in- en uitklokte en hoe het afstorten van geld in zijn werk ging. 2.3. Op 20 augustus 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de eigenaar, de heer [eigenaar] , de heer [directeur] en [werknemer] . In dit gesprek heeft de heer [eigenaar] laten weten dat hij elke maand veel geld moest bijleggen. 2.4. Op 27 augustus 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [directeur] en [werknemer] waarin aan [werknemer] is verteld dat [werkgever] op camerabeelden heeft gezien dat hij geld in zijn broekzak stopte en dat [werknemer] meer uren in rekening bracht dan hij werkte. [werkgever] heeft [werknemer] aan het einde van het gesprek geschorst. 2.5. [werknemer] heeft [werkgever] op 27 augustus 2025 een e-mail gestuurd met - voor zover van belang - de volgende inhoud: “Bij deze ga ik niet akkoord met de schorsing. Ook het feit dat er geen salaris is overgemaakt van de maand Augustus is niet juist. Heb recht op dit salaris. (…) Bij deze wil ik dan ook mijn arbeidsovereenkomst op zeggen. Dit houd in dat mijn laatste werkdag zal zijn Dinsdag 30 september 2025. (…)” 2.6. De gemachtigde van [werkgever] heeft [werknemer] op 27 augustus 2025 een brief gestuurd waarin onder meer het volgende staat vermeld: “(…) Namens cliënte bericht ik u hierbij dat u per heden 27 augustus 2025 op staande voet bent ontslagen. De reden voor het ontslag op staande voet is gelegen in het feit dat u ten onrechte overuren schrijft en laat uitbetalen. U schrijft meer overuren dan u daadwerkelijk hebt gewerkt. Cliënte heeft dit vastgesteld aan de hand van de camerabeelden waarop te zien is hoe laat u de vestiging betreedt en verlaat. De tijden dat u werkzaam bent geweest, corresponderen niet met de door u opgegeven overuren. Hieruit spreekt een zekere welbewustheid om uzelf ten koste van cliënte te bevoordelen. Cliënt heeft u op 27 augustus 2025 hiernaar gevraagd en u gaf aan de uren wel te hebben gewerkt alsook dat u vanuit thuis zou hebben gewerkt. Uit de camerabeelden volgt echter het tegendeel en uit niets volgt dat u thuis hebt gewerkt. Cliënte acht voornoemd gedrag ernstig verwijtbaar en een reden voor ontslag op staande voet. Cliente kan u niet vertrouwen. Voorts heeft cliënte geconstateerd dat u gelden van cliënte zonder toestemming van cliënte hebt toegeëigend. (…) Cliënte heeft de camerabeelden nageslagen en geconstateerd dat u geldbedragen in een Dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens vaste rechtspraak moet de rechter bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant zijn bijvoorbeeld de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de wijze waarop de werkgever reageerde op eerdere soortgelijke gedragingen. Ook de gevolgen van het ontslag zijn van belang. Echter, ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. Voorop staat dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n ontslag voor de werknemer mag dit alleen bij uitzondering worden gegeven. 4.3. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer . Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. De van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorgvuldigheid . Nadat bij de werkgever een vermoeden is ontstaan van een dringende reden, dient hij voortvarend te handelen. Wanneer een werkgever een onderzoek instelt naar de gegrondheid van een dringende reden, is van belang dat dit onderzoek voortvarend wordt verricht, dat de werkgever zich actief op de hoogte laat stellen van tussentijdse bevindingen en dat de werkgever na kennisneming van de uitkomst van het onderzoek voldoende voortvarend is overgegaan tot het ontslag op staande voet . Dringende reden is erkend 4.4. [werkgever] heeft in haar ontslagbrief twee dringende redenen aangevoerd . De eerste reden, namelijk het onterecht laten uitbetalen van overuren, heeft [werknemer] betwist. De tweede reden, het ontvreemden van gelden van [werkgever] , heeft [werknemer] erkend. In de ontslagbrief heeft [werkgever] aangegeven dat beide redenen ook afzonderlijk bezien een dringende reden voor ontslag op staande voet vormen. 4.5. Het ontvreemden van geld van de werkgever is dermate ernstig dat dit op zichzelf staand een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werknemer] erkend dat hij een bedrag van € 30.000,00 zonder medeweten en zonder toestemming van [werkgever] voor eigen gewin heeft meegenomen. Van [werkgever] kan dan niet langer verwacht worden dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. De andere aangevoerde dringende reden kan daarmee onbesproken blijven. Persoonlijke omstandigheden van [werknemer] 4.6. Zoals in r.o. 4.2. overwogen dienen bij een ontslag op staande voet ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer te worden meegewogen. Een ontslag op staande voet heeft immers vergaande gevolgen voor een werknemer. Niet alleen verliest hij per direct zijn inkomen, hij krijgt ook geen uitkering. Maar ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is . 4.7. De door [werknemer] aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken niet dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd zou zijn. Het wegnemen van € 30.000,00 in amper acht maanden tijd is dermate ernstig dat zijn persoonlijke