Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-03-12
ECLI:NL:RBLIM:2026:2379
RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht zaaknummers: ROE 26/3 en 26/9 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [naam], uit Hulsberg, eiser en het dagelijks bestuur van Kompas, het dagelijks bestuur (gemachtigde: mr. F.H.M. Limpens). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat (met name) meer over de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, als genoemd in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Participatiewet (PW). Eiser is volgens het dagelijks bestuur verplicht om in dat kader mee te werken aan het onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Eiser is het hiermee niet eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het beroep slaagt. 1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Procesverloop 2. Eiser heeft na een verhuizing van Roermond naar Beekdaelen een aanvraag ingediend voor een uitkering voor levensonderhoud op grond van de PW. De aanvraag is met het besluit van 11 november 2025 toegewezen. 2.1. Met het bestreden besluit van 17 december 2025 op het bezwaar van eiser is het dagelijks bestuur bij de toewijzing van de aanvraag gebleven, zij het dat de ingangsdatum van de uitkering van 5 oktober 2025 in 2 oktober 2025 is veranderd. In dit besluit is eiser ook vrijgesteld van de verplichtingen genoemd in artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW omdat aan eiser door de gemeente Roermond, zijn eerdere woongemeente, bij besluit van 17 februari 2025 ontheffing was verleend van die verplichtingen. De verplichting om mee te werken aan het onderzoek naar eisers mogelijkheden tot arbeidsinschakeling blijft aan de uitkering verbonden. 2.2. In het bestreden besluit is verder beslist op het bezwaarschrift van eiser van1 december 2025 tegen het volgens eiser fictieve besluit om de banenmakelaar in te zetten. Dit bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Ook wordt de aansprakelijkstelling van4 november 2025 in verband met geleden schade als gevolg van het niet tijdig verstrekken van een voorschot afgewezen. 2.3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wordt bij wijze van voorlopige voorziening verzocht te bepalen dat het dagelijks bestuur geen onderzoek kan verrichten naar de grondslag van een bestaande ontheffing totdat de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan in de lopende procedure (ROE 25/1222) waarin die ter beoordeling voorligt. 2.4. Het dagelijks bestuur heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.5. De voorzieningenrechter heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben hiermee telefonisch ingestemd, zowel voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening als voor het beroep. Het onderzoek is vervolgens gesloten en de datum van de uitspraak is bepaald op vandaag. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. In artikel 9, eerste lid, van de PW is het volgende bepaald: De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht: a. a) naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daarto