Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-01-14
ECLI:NL:RBLIM:2026:227
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11837251 \ CV EXPL 25-3255 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van GROBEL VI B.V. , te Maastricht, eisende partij, hierna te noemen: Grobel VI, gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van de Pas & Partners B.V. Weert, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het exploot van dagvaarding van 11 augustus 2025 met producties 1 tot en met 5;- de schriftelijke weergave van het antwoord van [gedaagde] ; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 14 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en waarbij Grobel VI een overzicht van de actuele betalingsachterstand heeft overgelegd en waarbij [gedaagde] niet is verschenen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Grobel VI verhuurt met ingang van 24 juli 2023 aan [gedaagde] de woonruimte met aanhorigheden aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt thans € 982,93 per maand en dient bij vooruitbetaling te geschieden. De “Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte” conform het ROZ-model van 20 maart 2017 (hierna: de algemene voorwaarden) maken onderdeel uit van de huurovereenkomst. 2.2. [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. 2.3. Grobel VI heeft [gedaagde] telefonisch aangemaand om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. 2.4. Op 23 juni 2025 heeft Grobel VI [gedaagde] aangemeld bij de gemeente of een namens de gemeente opererende schuldhulpinstantie. 3 Het geschil 3.1. Grobel VI vordert – samengevat – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zonder borgtocht, ontbinding van de huur- en verhuurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.228,63, bestaande uit € 2.910,08 aan huurachterstand, € 29,48 aan wettelijke rente en € 289,07 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede € 982,93 voor elke maand tot de ontruiming van het gehuurde en de proceskosten. 3.2. Grobel VI legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] herhaaldelijk toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de contractuele betalingsverplichtingen. 3.3. [gedaagde] voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Huurachterstand, ontbinding en ontruiming 4.1. [gedaagde] heeft het bestaan en de hoogte van de huurachterstand niet weersproken, zodat de gevorderde huurachterstand tot en met augustus 2025 van € 2.910,08 zal worden toegewezen. 4.2. Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden voldoende zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Hiertoe worden ook omstandigheden gerekend van na de gestelde tekortkoming. 4.3. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand drie maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en ten tijde van de mondelinge behandeling beloopt deze vijf maanden. De kantonrechter acht de huurachterstand ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. De door [gedaagde] aangevoerde financiële en persoonlijke omstandigheden maken niet dat sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis o