Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-01-12
ECLI:NL:RBLIM:2026:219
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: ROE 25/2687 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam] en [naam] , uit Meerssen, verzoekers (gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen , het college (gemachtigden: mr. R. Baltesen en mr. H.M.J.G. Neelis). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: H.P.A.F. Crombag uit Valkenburg (vergunninghouder) (gemachtigden: mr. R. Sharaf en mr. G.A.M. van de Wouw). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die op 4 juni 2025 werd verleend en bij besluit van 30 september 2025 is gewijzigd. Verzoekers wonen naast de locatie waarvoor de omgevingsvergunning is afgegeven en zijn het niet met de vergunning eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld tegen de vergunning. Omdat vergunninghouder is begonnen met bouwen, hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en de omgevingsvergunning te schorsen. 1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen reden is om de omgevingsvergunning te schorsen. Hij wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 4 juni 2025 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van vijf appartementen in een voormalig hotel, tevens een gemeentelijk monument, het bouwen van een erfafscheiding en het oprichten van een levensloopbestendige woning (het bouwplan) op het perceel plaatselijk bekend als [adres] te Meerssen, kadastraal bekend als Meerssen, sectie D, nummer 1791 (de locatie). 2.1. Verzoekers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. 2.2. Bij besluit van 30 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het besluit van 4 juni 2025 gewijzigd. 2.3. Verzoekers hebben hangende hun eerder ingediende beroepschrift om een voorlopige voorziening verzocht. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een ordemaatregel te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen. 2.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van het college, vergunninghouder en zijn architect, [naam] , de gemachtigde van vergunninghouder mr. R. Sharaf en [naam] , geluidsdeskundige. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Verzoekers zijn woonachtig aan de [adres] te Meerssen. Hun perceel grenst aan het perceel van de locatie. Vergunninghouder heeft op 13 december 2023 voor het bouwplan een omgevingsvergunning aangevraagd. Op 27 december 2024 heeft het college een concept van de aangevraagde omgevingsvergunning ter inzage gelegd. 3.1. Verzoekers hebben het college een brief gestuurd waarin zij hun zienswijzen hebben geuit. Op 22 mei 2025 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meerssen een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Vervolgens heeft het college op 4 juni 2025 de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. 3.2. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit en hebben op 16 juli 2025 om een voorlopige voorziening verzocht. Dit verzoek is op 12 augustus 2025 ter zitting behandeld. Een dag voor de zitting, op 11 augustus 2025, heeft het college het besluit van 4 juni 2025 ingetrokken. Het college heeft hierbij aangegeven de omgevingsvergunning te willen herstellen, en wel op de volgende onderdelen: Het vergunnen van het plaatsen van een overkapping voor de vijf parkeerplaatsen op eigen terrein; Het vergunnen van de bouw van vier bergingen; Het vergunnen van het plaatsen van een overkapping om het wooncomplex met de parkeerplaatsen en de bergingen te verbinden. 3.3. Op 25 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op h 7. Voor de vraag of het bestreden besluit kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, wat het bouwplan betreft, is het van belang of het gaat om een wijziging van ondergeschikte aard. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen dient de vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet, per concreet geval te worden beantwoord. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dan moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. 7.1. In dit geval betreft de wijziging van de omgevingsvergunning het uitvoeren van de fundering op palen in plaats van een fundering op staal. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee geen sprake van een wijziging die zo ingrijpend is dat niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Wat de aanpassingen van het bouwplan betreft kan het bestreden besluit worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. 7.2. Verder is bij de vraag of er sprake had moeten zijn van een nieuwe aanvraag en dus van het niet kunnen toepassen van artikel 6:19 van de Awb van belang of het bestreden besluit is gebaseerd op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als het besluit van 4 juni 2025. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college met het bestreden besluit de aanvraag van vergunninghouder niet verlaten, ondanks dat de bouwwerkzaamheden wat de dubbelbestemmingen betreft pas in het bestreden besluit zijn vergund. De documenten die ten grondslag liggen aan de beoordeling van het college ten aanzien van de dubbelbestemmingen waren namelijk wel onderdeel van de aanvraag die door vergunninghouder is ingediend. In zoverre is de aanvraag dus niet gewijzigd. 7.3. Het bestreden besluit kan daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden beschouwd als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Het beroep van verzoekers heeft daarom van rechtswege betrekking op het bestreden besluit en dat betekent dat die beroepsprocedure heeft te gelden als de connexe procedure voor het verzoek om voorlopige voorziening. Spoedeisend belang 8. Als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen. De bouwwerkzaamheden zouden daarmee uitgesteld worden totdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep. 9. Vergunninghouder is reeds gestart met het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van het bouwplan en is niet voornemens om hiermee te stoppen alvorens op het beroep is beslist. Verzoekers hebben in zoverre een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Tussenconclusie 10. De voorzieningenrechter constateert dat aan de formele vereisten voor een verzoek tot voorlopige voorziening is voldaan. Hij zal daarom over gaan tot de (verdere) inhoudelijke beoordeling van het verzoek en het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter beperkt zich daarbij tot wat er op zitting is besproken aan de hand van de met partijen afgestemde zittingsagenda. De omvang van het beroep en de stukken die daarin met name door verzoekers en vergunninghouder over en weer zijn ingediend, zijn uitgebreid en soms zelfs nog kort voor de zitting ingediend of aangevuld. Een uitputtende behandeling van een dergelijk beroep verhoudt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het karakter van een verzoek om voorlopige voorziening. De omvang van het beroep is ook de reden waarom de voorzieningenrechter niet besluit om tot kortsluiting als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb over te gaan. De waterafvoer 11. Verzoekers vinden dat de ruimtelijke onderbouwing die aan het bestreden besluit ten grondsl Voor zover het rapport van Peutz de mogelijke gevolgen voor de toekomstige bewoners van de locatie bespreekt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit geen belang is waarvoor verzoekers in deze procedure op kunnen komen. Op grond van artikel 8:69a van de Awb kan een besluit niet vernietigd worden wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. Daarom zal de voorzieningenrechter het standpunt van verzoekers dat de belangen van de toekomstige bewoners onvoldoende zijn geborgd passeren. 16.1. Ten aanzien van de kwalificatie van het omgevingstype van de locatie overweegt de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat er voor de voorzijde van het perceel, waar het monument op is gevestigd, een ander omgevingstype kan gelden dan voor de toekomstige woning op het achtererfgebied, waar het volgens verzoekers veel rustiger is. Het college heeft op de zitting naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd waarom de locatie in zijn geheel als ‘gemengd gebied’ te kwalificeren valt, gelet niet alleen op de planologie van de omgeving, maar ook het doorstromend verkeer van en naar de kern van Meerssen en omstreken en de bedrijvigheid in de omgeving. Het is ook moeilijk voorstelbaar dat de te bouwen woning, die slechts enkele meters van het monument vandaan komt te liggen, in een totaal andere omgeving zou liggen die een rustiger omgevingstype als het gaat om geluid rechtvaardigt. 16.2. Ten aanzien van de door verzoekers gevreesde buitenunits overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Tussen partijen bestaat onenigheid over wat er door vergunninghouder is aangevraagd en wat er daadwerkelijk is vergund. Uit het document “Bouwakoetische gegevens” van 19 maart 2024 blijkt volgens de voorzieningenrechter niet dat het bouwplan voorziet in het plaatsen van buitenunits ten aanzien van een verwarmingsinstallatie. In zoverre klopt het dus niet wat verzoekers aandragen. Wel wordt er melding gemaakt van een beoogde ijskelder, waardoor een buitenunit niet langer nodig zou zijn. Of de ijskelder daadwerkelijk geplaatst wordt en daardoor geen buitenunits zullen worden aangebracht, is op basis van het document niet geheel duidelijk. Wel is door vergunninghouder ter zitting toegezegd dat van buitenunits geen sprake is. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat er geen buitenunits worden geplaatst. Uit de documenten die onderdeel uitmaken van het bestreden besluit blijkt ook niet dat er een of meer buitenunits zijn vergund of beoogd. 16.3. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing van het geluid geen reden om het bestreden besluit te schorsen. Waarde-archeologie 17. Volgens verzoekers heeft het college ten onrechte besloten dat het bouwplan in overeenstemming is met de dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’ gelet op hetgeen in artikel 38.2.3 van het bestemmingsplan is bepaald. Zij verwijzen naar het archeologisch rapport van ArcheoPro van maart 2024, waarbij enkel naar de archeologische waarde van het achtererfgebied is gekeken. Naar de grond onder het pand dat op de locatie aanwezig is, is volgens hen niet gekeken, waardoor het bouwplan in strijd is met voornoemd artikel van het bestemmingsplan. 18. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter strekt de bepaling van het bestemmingsplan waarop verzoekers zich beroepen niet tot het beschermen van hun belangen. Artikel 38.2.3 strekt er immers toe de eventuele archeologische waarden in de bodem op de locatie te beschermen en dat is niet het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden zoals verzoekers dat hebben. Op grond van artikel 8:69a van de Awb kan deze beroepsgrond naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet daarom in dit standpunt geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. Waarde In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat het parkeeronderzoek dat ten grondslag ligt aan de ruimtelijke onderbouwing niet lijkt aan te sluiten op de feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit. 22.3. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit echter geen gebrek waarvoor het bestreden besluit geschorst hoeft te worden. Het gebrek in de motivering van de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van het opvangen van de parkeercapaciteit kan naar verwachting dan ook nog door het college hersteld worden in de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt. Het gaat in deze zaak om een vrij beperkt aantal benodigde parkeerplaatsen, ten hoogste vijf. Na het parkeeronderzoek is er bovendien onweersproken een supermarkt in de omgeving van de locatie verdwenen. De voorzieningenrechter is daarom voorlopig van oordeel dat, hoewel het parkeeronderzoek verouderd is, omdat de minimale parkeerbehoefte waarin niet op eigen terrein kan worden voorzien, beperkt is, het niet onaannemelijk is dat er in de directe omgeving voldoende parkeercapaciteit is om de resterende parkeerbehoefte van het bouwplan op te vangen. Uit het parkeeronderzoek blijkt namelijk wel dat er in de omgeving relatief veel parkeergelegenheid is en de voorzieningenrechter heeft dan ook niet de verwachting dat een nieuw parkeeronderzoek als uitkomst zal hebben dat er geen ten hoogste vijf plekken in de directe omgeving beschikbaar zijn. Beleid 23. Verzoekers verwijzen tot slot naar de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021’. In deze beleidsregel is geregeld dat goede woningbouwplannen niet hoeven te worden gecompenseerd. Voor zover verzoekers betogen dat er strijd zou zijn met deze beleidsregel door de omgevingsvergunning te verlenen zonder dat sprake is geweest van compensatie (eerst een bestaand pand slopen, dan pas nieuwbouw), is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze beleidsregel niet strekt tot de bescherming van de belangen van verzoekers, maar tot een algemeen belang, namelijk het voorkomen van leegstand in de provincie. Verzoekers hebben ter zitting ook niet kunnen aanduiden welke gevolgen dit beleid zou moeten of kunnen hebben voor het bestreden besluit of wat hun belang is bij naleving van deze beleidsregel. Artikel 8:69a van de Awb verzet zich dan ook tegen een inhoudelijke beoordeling. 23.1. Voor zover verzoekers hebben gesteld dat de verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van de gemeente Meerssen is gebaseerd op een ander bouwplan dan vergund is, namelijk een eerder bouwplan dat besproken zou zijn in het kader van voormelde beleidsregel, en verzoekers daarmee kennelijk de verklaring van geen bedenkingen ter discussie stellen, overweegt de voorzieningenrechter dat uit het dossier blijkt dat aan de gemeenteraad dezelfde ruimtelijke onderbouwing is voorgelegd die uiteindelijk onderdeel is geworden van de vergunning. Dat klopt feitelijk dus al niet. De voorzieningenrechter ziet ook voor het overige geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeenteraad onjuist geïnformeerd was toen door haar de verklaring van geen bedenkingen werd afgegeven. Dat er in eerdere gesprekken met de gemeente of met andere gremia mogelijk sprake was van een ander (beperkter) bouwplan van vergunninghouder, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet relevant voor de besluitvorming door de gemeenteraad. Een verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad moet worden afgegeven over het aangevraagde bouwplan. Dat ligt immers te beslissing voor bij het college. Of de gemeenteraad van eerdere (bouw)plannen van vergunninghouder op de hoogte is geweest of niet kan dan ook in het midden blijven. Is er een andere aanleiding om het bestreden besluit te schorsen? 24. In het aanvullend beroepschrift van 8 december 2025 schrijven verzoekers dat zij vrezen dat de sloopwerkzaamheden en funderingswerkzaamheden schade zullen veroorzaken aan hun woning. Volgens hen is er op dit moment s