Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-03-06
ECLI:NL:RBLIM:2026:2186
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 26/368 en 26/300 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [naam] , uit Venlo, eiser (gemachtigde: mr. M.J.A.M. Muijres), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, het college (gemachtigde: mr. E. Moors). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over twee lasten onder dwangsom die aan eiser zijn opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college terecht handhavend heeft opgetreden. 2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het handhavingsbesluit deels onvoldoende gemotiveerd is en deels onevenredig is. Het beroep van eiser is daarom gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Procesverloop 3. Op 1 november 2024 heeft het college aan eiser twee lasten onder dwangsom opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 december 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij het primaire besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, samen met zijn broer en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college. 5. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij niet alleen op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep van eiser. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het bestreden besluit 6. Eiser woont op het adres [adres] in Venlo, samen met zijn echtgenote en zijn broer. Zij zijn alle drie werkzaam in het familietransportbedrijf ‘ [naam bedrijf] ’ (hierna: het bedrijf) dat op hun woonadres is gevestigd. Het bedrijf heeft daarnaast één werknemer in dienst, die elders woont. Het bedrijf heeft vier bussen voor transportbegeleiding (gele bussen met rood-witte markering en opschrift “convoi exceptionnel”). Drie van de bussen worden in de directe omgeving van de woning geparkeerd. De vierde bus wordt door voornoemde werknemer gebruikt en wordt niet in de directe omgeving van de woning geparkeerd (maar bij de woning van deze werknemer elders). Naast de bussen beschikt de broer van eiser nog over een eigen auto. In totaal worden er dus vier voertuigen rondom de woning van eiser geparkeerd door hem en zijn familieleden. 7. De bussen worden gebruikt om transport te begeleiden van de Duitse grens naar Nederland, België en Frankrijk. De transportritten vinden veelal in de nacht plaats. Dat betekent dat de bussen voornamelijk overdag (tussen 06:00 uur en 19:00 uur) rondom de woning geparkeerd zijn. Het bedrijf beschikt over een kantoor op het perceel, waar voornamelijk administratieve handelingen worden verricht. Er worden geen klanten ontvangen op het kantoor. Op het achtererfgebied van het perceel zijn een aanbouw, een bijgebouw en voornoemd kantoor gebouwd. 8. In juli 2022 heeft een buurman van eiser geklaagd over een erfafscheiding op het achtererf van het perceel van eiser en over het parkeren van de drie bussen rondom de woning. Het college heeft naar aanleiding van deze klacht een gemeentelijke toezichthouder naar het perceel gestuurd. Uit een controle van 15 augustus 2022 en een later verrichte bepaling aan- en bijgebouwen van 15 maart 2023 is volgens het college gebleken dat eiser in overtreding van het O Ter zitting is met partijen besproken dat er aldus een rechtstreeks recht bestaat op bedrijfsmatige activiteiten aan huis, zolang aan de voorwaarden van artikel 21.4.2 van de bestemmingsplanregels wordt voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van eiser zijn opgenomen in de genoemde bedrijvenlijst. Wel in geschil is of aan de voorwaarden d, e en g van artikel 21.4.2 wordt voldaan. Deze voorwaarden luiden: “ (…) mits: d. door beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast; e. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten geen parkeeroverlast voor de directe (woon)omgeving veroorzaken of dat hierdoor geen extra parkeervoorzieningen noodzakelijk zijn; g. geen (overig) gevaar, schade, hinder of overlast voor de (woon)omgeving ontstaat ”. Ter zitting is besproken dat in het onderhavige geval dit met name neerkomt op de vraag of door de bedrijfsactiviteiten parkeeroverlast ontstaat. Verkeersbewegingen zijn ook genoemd door het college, maar zoals ook op zitting besproken betreft dit een relatief beperkt aantal omdat de bussen in de regel ’s avonds vertrekken voor een begeleiding van transport en dan pas ’s morgens weer terugkomen, waarna de bussen geparkeerd worden tot de volgende opdracht in de avond. De beperkte verkeersbewegingen die plaatsvinden vanuit de woning van eiser zijn, zo heeft de gemachtigde van het college ter zitting verklaard, niet doorslaggevend geweest voor het handhavend optreden. Aan de voorzieningenrechter ligt daarom de vraag voor of het college zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van strijd met het omgevingsplan en het daarvan deel uitmakende bestemmingsplan omdat het bedrijf van eiser voor parkeeroverlast zorgt. 14. Het college heeft de gestelde parkeeroverlast gemotiveerd aan de hand van een ‘parkeeronderzoek’. Dit parkeeronderzoek blijkt in essentie uit een computerprogramma waarin gegevens aanwezig zijn die door een door de gemeente ingeschakeld onderzoeksbureau ter plaatse zijn vergaard. Het college heeft in het bestreden besluit twee grotendeels onleesbare schermafdrukken van dit computerprogramma opgenomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college deze afdrukken toegelicht, maar niet meer momenten kunnen tonen dan opgenomen in de betreffende afdrukken. 15. De voorzieningenrechter overweegt dat het aan het college is om aannemelijk te maken dat sprake is van een overtreding en dit voldoende te motiveren. Uit de twee schermafdrukken blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende dat de bussen van eiser leiden tot parkeeroverlast in de buurt. Daaruit blijkt namelijk onvoldoende wat de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen in de omgeving op verschillende dagdelen en verschillende momenten in de week is en in hoeverre de kritische bezettingsgraad – de bezettingsgraad waarbij kan worden gesproken van een te hoge parkeerdruk – door de bussen van het bedrijf van eiser overschreden wordt. Voor de voorzieningenrechter is op basis van de schermafdrukken niet te controleren welke gegevens zijn gebruikt en in hoeverre daadwerkelijk sprake is van parkeeroverlast. Daar komt bij dat de bezettingsgraad per straat of parkeergelegenheid in de directe omgeving volgens de betreffende, toegelichte schermafdrukken behoorlijk verschilt. Daarnaast is ter zitting ook gebleken dat het college niet heeft meegewogen in hoeverre de parkeerdruk veroorzaakt vanuit onderhavige woning met bedrijf afwijkt van de per definitie toegestane parkeerdruk vanuit een woning zonder bedrijf. Inherent aan een normale gezinswoning is immers de aanwezigheid van een of zelfs meer auto’s. Ook aan een aan huis gebonden beroep of bedrijfsmatige activiteit is inherent het beschikken over ten minste een voertuig. Het college lijkt zich blijkens de opgelegde last op het standpunt te stellen dat het in de omgeving parkeren van geen enkel bedrijfsvoertuig is toegestaan. Dat standpunt kan de voorzieningenrechter niet volgen, nu het omgevingsplan ter In de tweede last onder dwangsom wordt eiser gelast de “ bebouwing van 51 m2 op het achtererf te verwijderen en verwijderd te houden.” Doet eiser dit niet, dan verbeurt hij een dwangsom van € 5.000,- ineens. 22. Uit het rapport ‘Bepaling aan- en bijgebouwen’ van 15 maart 2023 blijkt dat op het bouwvlak van 177 m2, zoals aangegeven in het bestemmingsplan, in totaal 166 m2 aan bebouwing aanwezig is. Onderdeel van deze bebouwing is een bijgebouw, tussen partijen bekend als een overkapping, met een oppervlakte van 49 m2. De oppervlakte van dit bijgebouw is tussen partijen niet in geschil. 23. Artikel 21.2.4 van het bestemmingsplan bepaalt welke regels gelden voor het bouwen van bijgebouwen op een perceel. Onderdeel c van dit artikel bepaalt als volgt: “ de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag, voor zover gelegen buiten het maximale bouwvlak van het hoofdgebouw zoals bepaald in lid 21.2.2 sub h, niet meer bedragen dan: 1. 70 m2 bij een bouwperceel van maximaal 500 m2; 2. 100 m2 bij een bouwperceel groter dan 500 m2; met dien verstande dat het maximale bouwpercentage als hiervoor bedoeld onder lid 21.2.2 sub i en j niet mag worden overschreden”. 24. Artikel 21.2.2, onder i, van het bestemmingsplan, waarnaar in voornoemd artikel 21.2.4 onder c wordt verwezen, bepaalt: “ het bebouwingspercentage van het bouwvlak voor hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke hoger zijn [dan] 1 meter gemeten vanaf het aansluitend terrein (…) mag niet meer dan 65 bedragen. 25. Uit voornoemd artikel blijkt dat het bouwvlak zoals omschreven in het bestemmingsplan slechts voor 65% bebouwd mag zijn. Voor het standpunt van eiser dat niet van het bouwvlak, maar van het bouwperceel uitgegaan moet worden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. In artikel 21.2.2, onder i, van het bestemmingsplan wordt duidelijk over het bouwvlak gesproken en dat is op de bestemmingsplankaart aangeduid. 26. Op grond van artikel 21.2.4, onder c, van het bestemmingsplan, in samenhang met artikel 21.2.2, onder i, mag niet meer dan 115 m2 van het bouwvlak bebouwd zijn, namelijk 65 % van het bouwvlak van 177 m2. Eiser stelt dat het bouwwerk van 49 m2 hierbij niet moet worden meegeteld. Hij verwijst daartoe naar artikel 21.2.5 van het bestemmingsplan, waarin volgens hem is bepaald dat overkappingen worden uitgezonderd van het bebouwingspercentage als bedoeld in artikel 21.2.2, onder i. 27. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in dit standpunt. Een overkapping is volgens artikel 1.71 van het bestemmingsplan een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand. Ter zitting is gebleken dat het betreffende bouwwerk aan meerdere zijden is omsloten, waardoor het niet voldoet aan de definitie van een overkapping. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit bouwwerk daarom als bijgebouw in de zin van artikel 1.34 van het bestemmingsplan moet worden gezien. De oppervlakte van het bijgebouw is naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht door het college meegenomen in de berekening van de bebouwing op het perceel. Dit nog daargelaten hetgeen onder 21.2.5 onder d is bepaald, namelijk dat het onder 21.2.2 onder i aangegeven bebouwingspercentage (ook) ten gevolge van andere bouwwerken die hoger zijn dan 1 meter niet mag worden overschreden. 28. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college terecht stelt dat het maximaal toegestane bebouwingspercentage met 51 m2 (166 – 115) is overschreden. Eiser overtreedt hiermee de artikelen 21.2.4 en 21.2.2 van het bestemmingsplan. Omdat hij voor het handelen in strijd met het omgevingsplan, waar het bestemmingsplan onderdeel van uitmaakt, geen omgevingsvergunning heeft, overtreedt eiser artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet. Het college is in beginsel bevoegd om handhavend op te treden tegen deze overtreding. De voorzieningenrechter beoordeelt hierna of het handhavend optreden in dit geval evenredig is. I