Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-27
ECLI:NL:RBLIM:2026:2017
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,001 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:2017 text/xml public 2026-03-06T12:15:37 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-27 12011008 \ EZ VERZ 25-501 Uitspraak Beschikking NL Roermond Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2017 text/html public 2026-03-06T12:15:17 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2017 Rechtbank Limburg , 27-02-2026 / 12011008 \ EZ VERZ 25-501 Machtiging verwerping nalatenschap voor ongeboren kind. Belang ouders. Ingang driemaandentermijn art. 4:193 lid 1 BW. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rekestnummer: 12011008 \ EZ VERZ 25-501 Beschikking van 27 februari 2026 in de zaak van 1 [de vader] , te [plaats 1] , 2. [de moeder] , te [plaats 1] , verzoekers, hierna samen te noemen: ouders, procederend in persoon. Verzoekers zijn de ouders van de minderjarige: [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, - de brief met bijlagen ontvangen op 8 januari 2026 - de mondelinge behandeling van 18 februari 2026 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op [datum 1] 2025 is te [plaats 1] overleden de heer [de erflater] , hierna te noemen erflater. Erflater was geboren te [plaats 2] op [datum 2] 1958 en was laatstelijk woonachtig te [plaats 1] . 2.2. Erflater was ten tijde van zijn overlijden niet gehuwd en niet geregistreerd als partner. Hij had ook geen testament opgemaakt. Verzoeker sub 1 is één van zijn erfgenamen. 3 Het verzoek 3.1. Verzoekers vragen een machtiging, zodat zij het aandeel van hun minderjarige zoon [de minderjarige] en hun nog ongeboren kind in de nalatenschap van erflater kunnen verwerpen. Aan dit verzoek leggen zij ten grondslag dat erflater schulden had en verzoeker sub 1 voornemens is zijn eigen aandeel in de nalatenschap te verwerpen. 4 De beoordeling de machtiging tot verwerping namens [de minderjarige] 4.1. Uitgangspunt van de wet is dat indien een ouder zijn aandeel in een nalatenschap verwerpt, zijn/haar kind door plaatsvervulling in zijn/haar plaats treedt als erfgenaam (art. 4:10 lid 2 BW). De ouders hebben dan ook belang bij hun verzoek. 4.2. Bij een verzoek van de ouders om hen een machtiging te verlenen tot verwerping van een nalatenschap namens hun minderjarig kind, is het uitgangspunt dat zo’n verzoek alleen wordt toegewezen als dat in het belang van de minderjarige is. Dat is het geval als het saldo van de nalatenschap negatief is. In casu is een overzicht van de schulden van erflater in het geding gebracht, dat bij het aanvragen van de bewindvoering is opgesteld door de (aspirant-)bewindvoerster. Door het overlijden van de erflater is het instellen van een bewind achterwege gebleven. Uit dit overzicht blijkt dat het saldo van de nalatenschap negatief is. Daarom zal de kantonrechter de verzochte machtiging verlenen ten aanzien van [de minderjarige] . de machtiging tot verwerping namens het nog ongeboren kind 4.3. Zoals hiervoor reeds vermeld is uitgangspunt van de wet dat indien een ouder zijn aandeel in een nalatenschap verwerpt, zijn/haar kind door plaatsvervulling in zijn/haar plaats treedt als erfgenaam. De vraag is of ouders ook belang hebben bij hun verzoek namens hun ongeboren kind. Art. 4:9 BW bepaalt immers dat teneinde als erfgenaam op te kunnen treden, men moet bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt. 4.4. Art. 1:2 BW luidt: ‘ Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan .’ Een ongeboren kind voldoet in principe niet aan de bestaanseis van art. 4:9 BW. Juridische persoonlijkheid ontstaat immers pas door geboorte van een levend kind, zo leidt de kantonrechter af uit de tweede zin van art. 1:2 BW. Op grond van de eerste zin van dat artikel wordt het kind, waarvan de vrouw zwanger is, evenwel geacht reeds geboren te zijn indien en voor zover zijn belang dit vordert. De kantonrechter overweegt dat uit de literatuur en de jurisprudentie volgt dat het recht van erfgenaamschap altijd in het belang is van het ongeboren kind, omdat het gaat om het verkrijgen van rechten en bevoegdheden. Het gaat daarbij niet om een toevallig voor- of nadeel. Het vereiste van ‘belang’ in art. 1:2 BW brengt namelijk niet mee dat de bepaling alleen toegepast zou mogen worden wanneer het kind daardoor gebaat word, dus niet alleen wanneer de nalatenschap positief is; het wil slechts zeggen dat het kind geacht wordt geboren te zijn, wanneer sprake is van eigen rechten van het kind en niet als sprake is van rechten van derden. Een derde die belang heeft bij de erfopvolging van het ongeboren kind kan dus geen rechten aan de fictie van art. 1:2 BW ontlenen. . Het belang van het ongeboren kind vordert dus in het geval van erfgenaamschap te allen tijde dat het als reeds geboren wordt aangemerkt. 4.5. Verder is de kantonrechter van oordeel dat het ongeboren kind van rechtswege erfgenaam wordt, hetgeen het belang van ouders bij hun verzoek ondersteunt. Er is geen actieve handeling van de wettelijk vertegenwoordiger nodig om het ongeboren kind als erfgenaam aan te (laten) merken. De kantonrechter overweegt daartoe dat volgens art. 4:10 lid 1 BW de bloedverwanten, mits sprake is van een familierechtelijke betrekking tot erflater (art. 4:10 lid 3 BW), dadelijk na het overlijden tot de nalatenschap worden geroepen, waaruit volgt dat die bloedverwanten dadelijk na het overlijden van de erflater erfgenaam zijn. Het is dus niet het (al dan niet beneficiar) aanvaarden dat hen tot erfgenaam maakt. Dit is evenzeer toepasselijk op een kind dat na het overlijden van de vader is geboren of ingevolge art. 4:10 lid 2 BW door plaatsvervulling erfgenaam wordt. Een en ander betekent in dit geval dat het ongeboren kind nadat de vader de nalatenschap heeft verworpen door plaatsvervulling erfgenaam wordt en ouders derhalve ook hierom belang hebben bij hun verzoek. De kantonrechter wijst erop dat de erfrechtelijke verkrijging uiteraard pas kan plaatsvinden op het moment dat het kind daadwerkelijk geboren is. 4.6. Op grond van art. 4:193 BW behoeft de wettelijk vertegenwoordiger een machtiging van de kantonrechter om de nalatenschap namens de erfgenaam te verwerpen. Naar het oordeel van de kantonrechter verzet niets zich ertegen om die machtiging aan te vragen (en te verlenen) voordat het kind geboren is. Maar met het verlenen van de gevraagde machtiging is de nalatenschap nog niet verworpen. Art. 4:193 BW bepaalt hieromtrent dat de wettelijk vertegenwoordiger binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap de erfgenaam toekomt verplicht is een verklaring van verwerping af te leggen. De kantonrechter overweegt dat die termijn niet loopt zolang de erfgenaam niet is geboren , hetgeen betekent dat de verklaring van verwerping ook niet kan worden afgelegd voordat het kind is geboren. De fictie van art. 1:2 BW maakt het immers wel mogelijk om voor het recht het tijdstip van de geboorte te vervroegen, maar om de fictie, althans daar waar het gaat om bescherming van de vermogensrechtelijke aanspraken van de ongeborene, te vervolmaken, moet men wachten totdat het kind levend geboren is. Als het kind dood ter wereld komt dan heeft het voor het recht immers nooit bestaan. Dat de termijn pas begint te lopen op het moment dat het kind is geboren is ook in lijn met het gegeven dat de erfrechtelijke verkrijging pas kan plaatsvinden op het moment dat het kind daadwerkelijk is geboren. het vervolg 4.7. De kantonrechter wijst erop dat met het verlenen van de gevraagde machtiging, het aandeel van de minderjarige [de minderjarige] nog niet is verworpen. Daartoe dient nog een verklaring te worden afgelegd ter griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene.