Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-23
ECLI:NL:RBLIM:2026:1933
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
1,991 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:1933 text/xml public 2026-03-06T11:27:37 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-23 12083690 Uitspraak Kort geding NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1933 text/html public 2026-03-05T12:06:59 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1933 Rechtbank Limburg , 23-02-2026 / 12083690 Kort geding. Executiegeschil. Betalingsregeling niet deugdelijk na gekomen, belangenafweging. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 12083690 \ CV EXPL 26-639 Vonnis in kort geding van 23 februari 2026 in de zaak van [huurder] , te [plaats], eisende partij, hierna te noemen: [huurder], gemachtigde: mr. D.G.A. Rossi, tegen STICHTING WELLER WONEN , te Heerlen, gedaagde partij, hierna te noemen: Weller Wonen, gemachtigde: mr. M.C.G. Nijssen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de producties van [huurder] - de producties van Weller Wonen - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 februari 2026 - de pleitnota van Weller Wonen. 2 De feiten 2.1. Tussen Weller Wonen en [huurder] is een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan de [adres] (verder: het gehuurde). 2.2. Vanwege een huurachterstand (berekend tot en met januari 2025 ad € 2,689,24 en tot en met mei 2025 € 2.691,48) die [huurder] heeft laten ontstaan heeft Weller Wonen [huurder] in rechte betrokken. Bij vonnis van de kantonrechter van 6 augustus 2025 is de huurovereenkomst ontbonden en is [huurder] veroordeeld om het gehuurde te ontruimen, om de achterstallige huur van € 2.689,24, om met ingang van 1 februari 2025 de gebruiksvergoeding van € 672,31, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, en de proces- en nakosten te betalen. Het is een zogenoemd “stok achter de deur” vonnis omdat Weller Wonen ter mondelinge behandeling voorafgaand aan dat vonnis heeft verklaard niet tot ontruiming te zullen overgaan indien [huurder] maandelijks € 250,00 naast de reguliere huur zou betalen. 2.3. [huurder] heeft de huurpenningen van november 2025 niet betaald. 2.4. De ontruiming van het gehuurde is aangezegd tegen 4 maart 2026. 2.5. De grondslag van de vorderingen van [huurder] zien niet op een feitelijke of juridische misslag in het vonnis van de kantonrechter van 6 augustus 2025 maar op nadien gewijzigde omstandigheden en een belangenafweging. 3 Het geschil 3.1. [huurder] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - verkort weergegeven - om de ontruiming van het pand aan [adres] te verbieden c.q. te schorsen met veroordeling van Weller Wonen tot betaling van een dwangsom en de proces- en nakosten. 3.2. [huurder] stelt daartoe dat hij de betalingsregeling van € 250,00 per maand wel deugdelijk is nagekomen, met uitzondering van die van november 2025. Door wisseling van baan kreeg hij te laat zijn salaris, zodat hij over die maand geen huur en geen aflossing heeft betaald. Hij zou daarover transparant hebben gecommuniceerd. Hij heeft contact gezocht met een medewerkster van Weller Wonen, die hem zou hebben verzekerd dat hij bij een maand achterstand niet zou worden ontruimd. De deurwaarder zou daarop ook hebben aangegeven dat hij niet meer de aflossing hoefde te betalen, omdat hij zou worden ontruimd. Drie termijnen van € 250,00 heeft hij niet via de betaallink overgemaakt, maar rechtstreeks op een bankrekeningnummer. Anders dan Weller Wonen stelt, zijn die wel betaald en ook niet gestorneerd. Verder heeft hij zich in januari 2026 aangemeld voor een schuldhulpverleningstraject. Indien hij op straat zou komen te staan dat ontstaat er voor hem een noodsituatie en kunnen zijn kinderen van 14 jaar hem niet meer maandelijks bezoeken, aldus [huurder]. 3.3. Weller Wonen voert verweer. Weller Wonen concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [huurder] in de kosten van deze procedure. 3.4. Weller Wonen voert daartoe aan, dat zij na het vonnis van 6 augustus 2025 de betalingen van € 250,00 voor november en december 2025 noch de huurpenningen van november 2025 heeft ontvangen, hetgeen betekent dat [huurder] heeft nagelaten om de overeengekomen huurovereenkomst en betalingsregeling na te komen. Weller betwist dat daarover door [huurder] is gecommuniceerd en/of dat Weller Wonen daarmee zou hebben ingestemd. Weller Wonen is dan ook gerechtigd tot ontruiming over te gaan. Bovendien heeft zij op 29 januari 2026 bij de deurwaarder navraag gedaan of de door [huurder] gestelde betalingen alle zijn ontvangen en op 18 februari 2026 aan de deurwaarder gevraagd om een overzicht aan te leveren op welke posten de deurwaarder de ontvangen betalingen heeft afgeboekt. [huurder] stelt dat hij twaalf betalingen van € 250,00 heeft verricht, doch de deurwaarder heeft hiervan slechts negen ontvangen. Zo ontbreken de door [huurder] aangegeven betalingen van 30 april 2025, 28 mei 2025 en 31 augustus 2025. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De betalingsverplichtingen uit huurovereenkomst en aflossingsovereenkomst betreffen een zogenoemde ‘brengschuld’. Dat betekent dat het aan [huurder] is om te bewijzen dat door hem gestelde betalingen ook daadwerkelijk door Weller Wonen zijn ontvangen. [huurder] heeft niet onderbouwd dat de drie door Weller Wonen betwiste betalingen van elk € 250,00, die hij rechtstreeks via een rekeningnummer zou hebben verricht, daadwerkelijk door Weller Wonen zijn ontvangen, dan wel niet zijn gestorneerd. Weller Wonen heeft daarentegen uitvoerig de ontvangst daarvan betwist en zelfs onderzoek door de deurwaarder daarnaar laten verrichten. Dat eventuele betalingen door [huurder] onjuist zijn verricht en niet zijn ontvangen door Weller Wonen, dient voor risico van [huurder] te blijven. 4.2. Bovendien staat vast (want niet door [huurder] betwist en volgt ook uit het overzicht bij de eigen productie 7) dat de huur van november 2025 en de aflossingstermijnen van € 250,00 van november en december 2025 niet door [huurder] zijn betaald. [huurder] is zijn betalingsverplichtingen uit huurovereenkomst en afbetalingsregeling niet nagekomen. Dat [huurder] hierover met Weller Wonen en/ of de deurwaarder zou hebben gecommuniceerd en Weller Wonen hiermee zou hebben ingestemd, onderbouwt [huurder] in het geheel niet. De vorderingen van [huurder] dienen reeds hierom al te worden afgewezen. 4.3. Wat de door [huurder] gevraagde belangenafweging betreft oordeelt de voorzieningenrechter dat de kantonrechter die al bij in het vonnis van 6 augustus 2025 heeft gemaakt en deze in het vonnis gemotiveerd heeft onderbouwd. Voor zover de voorzieningenrechter nog aan een belangenafweging zou (moeten) toekomen, sluit hij bij die afweging aan. [huurder] stelt nog wel dat hij een maandelijkse omgangsregeling heeft met twee 14 jarige kinderen, maar onderbouwt dit evenmin. 4.4. Het voorgaande betekent dat kan worden geoordeeld dat de belangen van [huurder] als geëxecuteerde niet zullen worden geschaad en Weller Wonen een in redelijkheid te respecteren belang heeft om bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om, in afwachting van hoger beroep, tot tenuitvoerlegging over te gaan. De vorderingen van [huurder] zullen worden afgewezen en de voorzieningenrechter komt niet meer toe aan verdere beoordeling van het door [huurder] aangevoerde over welke bedragen er na verrekening eventueel nog open zouden staan en het door Weller Wonen daar tegenover gestelde. 4.5. [huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Weller Wonen worden begroot op: - salaris gemachtigde € 865,00 Totaal € 865,00 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen van [huurder] af, 5.2. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 865,00. Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.