Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-02-24
ECLI:NL:RBLIM:2026:1839
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 24/4465 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, uit [woonplaats 1] , (gemachtigden: mr. M. Stultiens en mr. L. Pronk), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, het college, (gemachtigden: mr. J.R.P. Lamers, mr. R.C.H. Schrömbges en J.D. Oegema). Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] , [derde-partij 2] en [derde-partij 3] , uit [woonplaats 2] , (gemachtigde: mr. C.R. Jansen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een opgelegde last onder dwangsom voor een opslagloods op het adres aan de [adres 1] in [plaats] . Eiseres is niet eens met het opleggen van deze last onder dwangsom. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen, omdat sprake is van een overtreding en het college bij de beslissing op bezwaar geen aanleiding heeft hoeven te zien om de last niet meer te handhaven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Met het besluit van 13 juni 2024 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 23 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij het opleggen van de last onder dwangsom gebleven. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 4. Bij uitspraak van 13 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. 5. Het college heeft op het beroep met een verweerschrift gereageerd en de derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd. 6. Op 29 januari 2026 heeft in bijzijn van partijen een onderzoek ter plaatse (descente) plaatsgevonden als bedoeld in artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht. Van het onderzoek ter plaatse is een proces-verbaal opgemaakt dat reeds naar partijen is gestuurd. 7. Aansluitend aan het onderzoek ter plaatse heeft de rechtbank dit beroep, samen met de beroepen in zaaknummers ROE 23/1932, 24/2172, ROE 24/2880 en ROE 24/2881, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college, eiseres en haar gemachtigden, [belanghebbende] namens eiseres en [derde-partij 2] en zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 8. Eiseres is eigenaar van de gronden aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats 1] . Zij woont in een bedrijfswoning op dat perceel en de groepsaccommodatie [naam groepsaccommodatie] is ook op dat perceel gevestigd. De derde-partij betreft [derde-partij 1] en [derde-partij 2] die aan de [adres 3] wonen en [derde-partij 3] die aan de [adres 5] woont. 9. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek op 29 december 2022 heeft het college met het besluit van 3 maart 2023 aan eiseres vier lasten onder dwangsom opgelegd, waaronder een last met betrekking tot de opslagloods. De last voor de opslagloods heeft het college vervolgens bij besluit van 27 oktober 2023 ingetrokken, omdat op 26 oktober 2023 alsnog de benodigde (legaliserende) omgevingsvergunning daarvoor was verleend. Tegen dat intrekkingsbesluit is beroep ingediend, maar op zitting is dat beroep ingetrokken. De omgevingsvergunning voor de opslagloods is door het college bij besluit op bezwaar van 28 maart 2024 herroepen en de aanvraag is alsnog geweigerd. Ook tegen dat besluit is beroep ingediend en op 24 februari 2026 is door deze rechtbank daarin uitspraak gedaan. 10. De derde-partij heeft op 15 maart 2024 een handhavingsverzoek voor de opslagloods ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft een toezichthouder van de gemeente op 23 april 2024 een controle ter plaatse uitgevoerd. Tijdens die controle he Eiseres voert aan dat de oppervlakte van het totaal aan bedrijfsgebouwen niet wijzigt, omdat de opslagloods niet voor bedrijfsmatige opslag wordt gebruikt, maar enkel voor privéopslag. De opslagloods kan om die reden niet als een bedrijfsgebouw worden aangemerkt. 14.1. De rechtbank overweegt dat het college aan de last onder dwangsom een tweetal overtredingen ten grondslag heeft gelegd, namelijk artikel 14.2.1, aanhef en onder d en artikel 14.2.2 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Afstand tot de perceelsgrens 14.2. In artikel 14.2.1, aanhef en onder d, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan is bepaald dat voor het bouwen van bouwwerken de volgende regel geldt: de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 2,5 meter. 14.3. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel 14.2.1, aanhef en onder d, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de afstand tussen de opslagloods en de perceelsgrens minder dan 2,5 meter bedraagt. Dat eiseres een omgevingsvergunning voor het bouwen van een overkapping heeft, maakt niet dat daarmee geen sprake meer is van een overtreding ten aanzien van de opslagloods. Die vergunning ziet namelijk niet op de opslagloods en is ook niet uitgevoerd. De bouwregels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gelden dus nog steeds voor de opslagloods. Dat de opslagloods niet meer bedrijfsmatig wordt gebruikt zoals eiseres stelt, maakt het voorgaande ook niet anders. In artikel 14.2.1 zijn immers algemene bouwregels opgenomen en niet specifiek voor bedrijfsgebouwen. De beroepsgrond slaagt niet. Bebouwingsoppervlak 14.4. In artikel 14.2.2 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan is – voor zover relevant – bepaald dat de maatvoering voor bedrijfsgebouwen, waaronder recreatiewoningen, groepsaccommodaties en pension het volgende is: Bedrijfsgebouwen min. max. Bebouwingsoppervlak n.v.t. bestaand 14.5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of het college de overtreding van artikel 14.2.2 in de last onder dwangsom mag handhaven. Volgens eiseres heeft zij de overtreding van artikel 14.2.2 beëindigd vanwege de omstandigheid dat er geen bedrijfsmatige opslag in de opslagloods meer plaatsvindt en dus ook geen sprake is van een bedrijfsgebouw. 14.6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de opslagloods ten tijde van de controle op 18 september 2023 voor bedrijfsmatige opslag werd gebruikt, onder meer vanwege de opslag van matrassen voor de groepsaccommodatie. Naar aanleiding daarvan heeft het college de last onder dwangsom voor de overtreding van artikel 14.2.2 opgelegd. Tijdens de bezwaarfase heeft eiseres aangevoerd dat de opslagloods niet langer voor bedrijfsmatige opslag wordt gebruikt, waardoor er ook geen overtreding van artikel 14.2.2 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan meer is. De vraag is of dit standpunt van eiseres voor het college bij de heroverweging aanleiding had moeten zijn om de overtreding in last onder dwangsom niet langer te handhaven. 14.7. Over de heroverweging van besluiten tot het al dan niet treffen van herstelsancties heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in haar uitspraak van 28 oktober 2020 geoordeeld dat de heroverweging moet leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van de desbetreffende norm. Daarvoor moet het bestuursorgaan bij de heroverweging feiten en omstandigheden betrekken die tot het eerdere besluit hebben geleid, maar ook nieuwe ontwikkelingen. De heroverweging kent bij dit soort besluiten volgens de Afdeling dus een tweeslag. In de eerste plaats moet het bestuursorgaan bezien of het op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit destijds terecht zijn besluit heeft genomen. In de tweede plaats moet het bestuursorgaan feiten en omstandigheden die zich ná de oplegging van een herstelsanctie hebben voorgedaan bij zijn heroverwegin