Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-25
ECLI:NL:RBLIM:2026:1779
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
7,318 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1779 text/xml public 2026-03-06T09:45:38 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-25 C/03/345023 / HA ZA 25-386 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1779 text/html public 2026-03-05T11:27:31 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1779 Rechtbank Limburg , 25-02-2026 / C/03/345023 / HA ZA 25-386 Aanneming van werk. Onbetaald gebleven facturen. Gebreken in de uitgevoerde werkzaamheden en niet voltooide werkzaamheden. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/345023 / HA ZA 25-386 Vonnis van 25 februari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [plaats] , 2. [eiser 2] , te [plaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk, tegen [gedaagde] B.V. , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. N. de Bont-Bakker. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties - de conclusie van antwoord in reconventie - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - het verzoek van [gedaagde] om tijdens de mondelinge behandeling getuigen te horen - de door [eisers] bij brief van 4 december overgelegde producties 10 tot en met 26 - de door [eisers] bij brief van 8 december overgelegde productie 27 - de mondelinge behandeling van 11 december 2025 gehouden in het gerechtsgebouw in Roermond - de tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen spreekaantekeningen van de advocaten van [eisers] en [gedaagde] 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben op 13 augustus 2024 en op 17 september 2024 twee overeenkomsten van aanneming van werk gesloten (respectievelijk fase 1 en fase 2) ten behoeve van de woning van [eisers] aan [adres] . 2.2. Fase 1 zag op het door [gedaagde] laten uitvoeren van schilderwerk aan wanden en plafonds en aan deuren en kozijnen, alsmede het schuren en lakken van de bestaande parketvloer. De aanneemsom bedroeg € 18.095,60,- inclusief btw . Van de oplevering van deze werkzaamheden is op 27 november 2024 een proces-verbaal gemaakt dat door [eisers] en [gedaagde] is ondertekend . 2.3. Fase 2 betrof verbouwingswerkzaamheden in het souterrain van de woning en omvatte onder meer stut- en sloopwerk, het realiseren van nieuwe vloeren, het plaatsen van nieuwe kozijnen en deuren, stucwerk, tegelwerk in de badkamer en het renoveren van het souterrain. De aanneemsom voor deze fase bedroeg €123.651,69 inclusief btw zoals ook staat vermeld in de offerte van 17 september 2024 . In deze offerte zijn ook installatiewerkzaamheden opgenomen voor een warmtepomp, een vloerverwarming en een airco volgens de offerte van [bedrijf 1] van 21 augustus 2024 . 2.4. Voor Fase 2 heeft [gedaagde] in totaal drie facturen tot 95% van de aanneemsom en een meerwerk factuur verstuurd. Van deze facturen hebben [eisers] de aanbetalingsfactuur van 19 september 2024 voor een bedrag van € 61.825,85 inclusief btw voldaan. Van de tweede factuur van 30 oktober 2024 voor een bedrag van € 30.912,92 inclusief btw hebben [eisers] € 20.912,92 betaald. De derde factuur van 20 december 2024 voor een bedrag van € 24.730,37 inclusief btw hebben [eisers] geheel onbetaald gelaten, evenals de meerwerkfactuur van 17 februari 2025 voor een bedrag van € 8,880,07 inclusief btw. 2.5. Op 17 februari 2025 heeft in aanwezigheid van de heer [naam] , onderaannemer van [gedaagde] , een opname van het werk in de woning van [eisers] plaatsgevonden. [naam] heeft bij e-mail van 24 februari 2025 aan [gedaagde] bericht dat [eisers] tijdens die opname alle uitgevoerde werkzaamheden akkoord hebben bevonden . 2.6. [eisers] hebben [gedaagde] bij brief van 18 februari 2025 kenbaar gemaakt dat de werkzaamheden ondanks de afspraak nog niet zijn afgerond of gebrekkig zijn uitgevoerd en dat daarom de betaling van facturen gedeeltelijk is opgeschort. In deze brief hebben zij twee voorstellen gedaan om tot een afwikkeling van de opdracht te komen. 2.7. Bij brief van 27 maart 2025 heeft [gedaagde] op de voorstellen van [eisers] gereageerd en deze afgewezen en hen gesommeerd om de nog openstaande facturen voor een bedrag van € 43.611,34 te betalen en aan te geven welke radiatoren zij door [bedrijf 1] geleverd en geïnstalleerd willen hebben. 2.8. In opdracht van [eisers] heeft [bedrijf 2] op 14 april 2025 een bouwkundig onderzoek uitgevoerd voor wat betreft de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden. [bedrijf 2] heeft hierover op 11 juni 2025 gerapporteerd en de herstelkosten begroot op een bedrag van € 86.296,37 . 2.9. Onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf 2] hebben [eisers] bij brief van 17 juni 2025 [gedaagde] een termijn van veertien dagen gesteld om alle gebreken te verhelpen en de nog openstaande werkzaamheden uit te voeren met vergoeding van de door hen geleden gevolgschade. Voor het geval [gedaagde] niet hieraan voldoet merken [eisers] de brief aan als ingebrekestelling met als gevolg een ontbinding van de aannemingsovereenkomst. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eisers] vorderen - samengevat – veroordeling van [gedaagde] om aan hen te betalen een bedrag van € 72.384,42 te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en rente. Ook vorderen zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten. 3.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde] vordert - samengevat – hoofdelijke veroordeling van [eisers] om aan haar te betalen een bedrag van € 43.611,43 inclusief btw en een bedrag van € 1.465,45 aan buitengerechtelijke kosten. Daarnaast vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat [eisers] gehouden zijn om 1/3 van de kosten van de nog nader overeen te komen radiatoren te betalen en hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten, waaronder beslagkosten en nakosten. 3.5. [eisers] voeren verweer. [eisers] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.2. In de kern gaat deze procedure over de vraag of [gedaagde] de aannemingsovereenkomsten fase 1 en fase 2 niet volledig en niet goed heeft uitgevoerd en over de vraag of [eisers] om die reden gerechtigd waren om facturen voor fase 2 geheel of gedeeltelijk onbetaald te laten en/of recht hebben op schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat dit deels het geval is en zal deze vragen beoordelen aan de hand van de door [eisers] in de ingebrekestelling van 17 juni 2025 genoemde en onder a. tot en met p. opgesomde gebreken die zijn ontleend aan het deskundigenrapport van [bedrijf 2]. Daarbij zal per fase eerst worden beoordeeld of al dan niet sprake is van een gebrek of een nog niet voltooid werk. Vervolgens zal dan worden beoordeeld wat dit voor gevolgen heeft voor de verschuldigdheid van facturen en/of herstelkosten. Gebreken fase 1 4.3. Partijen zijn het eens dat op 27 november 2024 een inspectie heeft plaatsgevonden van de in deze fase uitgevoerde werkzaamheden. Hiervan is een proces-verbaal van oplevering gemaakt dat door [eisers] is ondertekend. 4.4. Op grond van artikel 7:758 lid 1 BW wordt een werk als opgeleverd beschouwd na de aanvaarding daarvan door de opdrachtgever.
Volledig
In artikel 7:758 lid 3 BW wordt bepaald dat de aannemer na oplevering is ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. 4.5. Uit de stukken volgt dat de door [eisers] onder a tot en met f genoemde gebreken betrekking hebben op werkzaamheden die uitgevoerd zijn in fase 1. Met inachtneming van de hiervoor over de oplevering geformuleerde uitgangspunten oordeelt de rechtbank over de afzonderlijke door [eisers] genoemde gebreken als volgt. a. De verf - die aangebracht is op de kozijnen - laat los van de onderlaag. 4.5.1. In het proces-verbaal van oplevering staan bovenaan pagina 4 (“verkeersruimte (overloop)”) een aantal opmerkingen waaronder “raam kleedkamer, texwerk raamkozijn, slaapkamer, raam keuken”. Hoewel niet duidelijk staat omschreven wat met deze opmerkingen wordt bedoeld kan hieruit worden afgeleid dat dit gebrek bij de oplevering is aangekaart en het werk op dit punt dus niet is geaccepteerd. Daar komt bij dat [gedaagde] bij conclusie van antwoord te kennen geeft dat tijdens de inspectie op 17 februari 2025 is toegezegd dat dit herstelwerk uitgevoerd zou gaan worden. Omdat het herstelwerk niet (meer) is uitgevoerd kan deze post dus als gebrek worden aangemerkt. b. Aansluitingen tussen kozijn en wand zijn gescheurd en zitten los. [gedaagde] heeft net als bij gebrek a. op dit punt op 17 februari 2017 toegezegd dat deze herstelwerkzaamheden door haar onderaannemer [naam] zouden worden uitgevoerd. Omdat dit herstelwerk niet (meer) is uitgevoerd kan deze post dus als gebrek worden aangemerkt. c. Texwerk hecht niet goed op ondergrond/niet egaal en aansluitingen wand/plafond zijn gescheurd. 4.5.3. Zoals onder a. al vermeld is over het texwerk een opmerking gemaakt in het proces-verbaal van oplevering. Dit betekent dat dit niet is geaccepteerd. [bedrijf 2] heeft in het deskundigenrapport het texwerk ook als onvoldoende aangemerkt. Dat alleen het texwerk op een bepaald punt op de slaapkamer niet goed is vanwege een niet aan haar toe te rekenen omstandigheid en dat het texwerk door [eisers] is geaccepteerd, heeft [gedaagde] niet goed onderbouwd. Deze post zal daarom ook als een gebrek worden aangemerkt. d. De scharnieren zijn deels mee geschilderd of besmeurd. 4.5.4. In het proces-verbaal van oplevering valt geen aanknopingspunt te vinden dat het opgeleverde werk op dit punt niet is geaccepteerd. Omdat het een gebrek is dat bij de oplevering ontdekt had kunnen worden, is [gedaagde] door de oplevering ontslagen van aansprakelijkheid voor dit gebrek. e. De parketvloer is door het schuren te dun geworden. 4.5.5. In het proces-verbaal van oplevering valt geen aanknopingspunt te vinden dat het opgeleverde werk op dit punt niet is geaccepteerd. Omdat [eisers] niet hebben gesteld en onderbouwd dat het een verborgen gebrek is dat bij de oplevering niet ontdekt had kunnen worden, is [gedaagde] door de oplevering ontslagen van aansprakelijkheid voor het gestelde gebrek. f. Diverse plinten zijn los gekomen, kopse kanten zijn slecht afgewerkt of beschadigd. 4.5.6. Ook ten aanzien van deze post valt in het proces-verbaal van oplevering geen aanknopingspunt te vinden dat het opgeleverde werk op dit punt niet is geaccepteerd. Omdat het een gebrek is dat bij de oplevering ontdekt had kunnen worden is [gedaagde] door de oplevering ontslagen van aansprakelijkheid voor dit gestelde gebrek. Gebreken/onvoltooid werk fase 2 4.6. Anders dan bij fase 1 heeft voor fase 2 nog geen oplevering in de zin van de wet (7:758 BW) plaatsgevonden. Weliswaar heeft op 17 februari 2025 een inspectie in de woning van [eisers] plaatsgevonden maar op dat moment waren nog niet alle aangenomen werkzaamheden voltooid. Evenmin is afdoende gebleken van een voor [gedaagde] fatale opleveringstermijn. De offerte vermeldt daarover niets. 4.7. Uit een door [gedaagde] als “proces-verbaal van vooroplevering” overgelegde lijst (productie 6) die niet door [eisers] voor akkoord is ondertekend, blijkt verder dat alleen werkzaamheden zijn bekeken die door [naam] moesten worden uitgevoerd. Van een inspectie van een volledig door [gedaagde] afgeronde opdracht was dus geen sprake. Om die reden kan [gedaagde] aan deze lijst geen ontslag van eventuele aansprakelijkheid ontlenen. 4.8. Met inachtneming van de overwegingen over de status van de op 17 februari 2025 gehouden inspectie, oordeelt de rechtbank over de afzonderlijke door [eisers] genoemde gebreken als volgt. g. Het kozijn ter hoogte van de voormalige garage is verkeerd ingemeten en het kozijn is hoger geplaatst dan de oude dorpel zonder waterdichte of waterkerende constructie. 4.8.1. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] gemotiveerd weersproken dat sprake is van een verkeerd ingemeten kozijn. Zij heeft gemotiveerd toegelicht dat in overleg met [eisers] de pui 2 cm hoger is geplaatst omdat in de oorspronkelijke positie de deur tegen de helling van de oprit bleef steken en niet helemaal open kon draaien. Dat [eisers] het niet eens waren met deze oplossing hebben zij niet onderbouwd en volgt ook niet uit de door hen als productie 15 overgelegde e-mails. Die e-mails gaan over de dorpel onder de pui die bij het plaatsen van de pui is gebroken en vervangen zal worden door een nieuwe dorpel. Daarmee is tevens duidelijk gemaakt dat een tijdelijke oplossing is gekozen met een niet geheel passende te kleine dorpel totdat de nieuwe wel passende dorpel kan worden geplaatst. Daarmee is geen sprake van een gebrek aan de dorpelconstructie maar dient deze als nog niet voltooid te worden aangemerkt. De kosten van voltooiing worden op basis van de budgetbegroting herstelkosten bij het rapport van [bedrijf 2] begroot op een bedrag van in totaal 279,26 (58,63+138,13+82,50) exclusief btw. h. De nieuwe tussenwanden in de garage staan niet haaks op elkaar en het stucwerk is van een slechte kwaliteit. 4.8.2. [gedaagde] heeft onweersproken als verweer aangevoerd dat het niet haaks plaatsen van de nieuwe tussenwanden komt doordat de oorspronkelijke wand ook niet haaks is geplaatst en de nieuwe wanden evenwijdig aan die oorspronkelijke wand zijn geplaatst. Volgens [gedaagde] is dit meer gaan opvallen doordat op verzoek van [eisers] het legplan van de tegels is gewijzigd. [eisers] hebben dit onvoldoende weersproken zodat de plaatsing van de tussenwanden geen gebrek oplevert. Het stucwerk is van slechte kwaliteit omdat dit nog niet door Roeters was voltooid. Daarmee is geen sprake van een gebrek maar een nog niet voltooid werk. De kosten van voltooiing worden op basis van de al genoemde budgetbegroting herstelkosten begroot op een bedrag van € 5.377,37 (totaal wanden slaapkamer voormalige garage) exclusief btw. i. Het kozijn is te groot voor de tussendeur in de voormalige garage. 4.8.3. Tussen partijen is niet in geschil dat een kozijn is geplaatst dat te groot is voor de deur met een standaard afmeting. [gedaagde] heeft niet kunnen onderbouwen waarom dit geen gebrek is en waarom dat niet aan haar kan worden toegerekend. Niet valt in te zien waarom een verzoek van [eisers] om het kozijn in te korten kan leiden tot een te groot kozijn. [gedaagde] heeft op dit punt dan ook gebrekkig gepresteerd. De kosten van herstel worden op basis van de budgetbegroting herstelkosten begroot op 936,- ex btw. j. Het tegelwerk in de badruimte is sterk vervuild door het uitgeharde voegsel. 4.8.4. Het verweer van [gedaagde] dat het tegelwerk is geaccepteerd bij de oplevering gaat niet op. Zoals hiervoor is overwogen heeft voor fase 2 nog geen oplevering plaatsgevonden. De aanwezigheid van restanten van voegsel op de tegels kan als gebrek worden aangemerkt. [gedaagde] is aansprakelijk voor het herstel hiervan. [bedrijf 2] schrijft in haar rapport dat het waarschijnlijk onmogelijk is om de tegels schoon te krijgen, maar laat na die conclusie te onderbouwen. Om die reden ziet de rechtbank geen grond om de kosten van het vervangen van de tegels te vergoeden. Voor het schoonmaken begroot de rechtbank 6 uren tegen 50,-- per uur derhalve € 300,-- ex btw. k. Op diverse plaatsen in het stucwerk zijn roestplekken zichtbaar. 4.8.5.
Volledig
[gedaagde] heeft niet betwist dat op diverse plaatsen roestvlekken in het stucwerk zichtbaar zijn. Dit kan als een gebrek worden aangemerkt dat voor rekening van [gedaagde] dient te worden hersteld. De schade die [eisers] lijden door dit gebrek wordt op basis van de budgetbegroting herstelkosten begroot op € 314,-- ex btw. l. De kozijnen zijn beschadigd. 4.8.6. Uit het rapport van [bedrijf 2] volgt dat de schroeven waarmee de kozijnen zijn vastgezet niet zijn weggewerkt en de overgang naar het stucwerk niet goed is afgewerkt. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is van een gebrek omdat het schilderwerk nog niet is afgerond zodat het werk nog niet is voltooid. De kosten van voltooiing worden op basis van de budgetbegroting herstelkosten begroot op € 665,-- ex btw . m. Bij de cv-ketel is de afvoer van de condens rechtstreeks aangesloten op het riool. 4.8.7. [gedaagde] heeft alleen als verweer aangevoerd dat het niet om de cv ketel gaat maar om de warmtepomp. Er is niet betwist dat geen sifon is geplaatst in de afvoer naar de riolering, waar dit wel is vereist. Het ontbreken van een sifon is dan ook aan te merken als een gebrek waarvan de kosten voor herstel voor rekening van [gedaagde] dienen te komen. De schade die [eisers] hierdoor lijden wordt op basis van de budgetbegroting herstelkosten begroot op € 75,25 ex btw . n. De WTW-installatie vertoont gebreken: er zijn alleen afzuigpunten in de ruimtes aangebracht en de inblaas-voorziening ontbreekt. De uitblaas en inblaas leidingen naar buiten zijn te dicht bij elkaar aangebracht. [gedaagde] heeft tegen deze gestelde gebreken aan de WTW-installatie alleen als verweer aangevoerd dat de afzuiging centraal in de gang is voorzien waarbij de afzuiging van de kamers plaatsvindt via de openingen onder de deuren. Dat de installatie daarmee voldoet aan de daaraan te stellen eisen heeft [gedaagde] niet onderbouwd. Aangezien [gedaagde] verder niet heeft gereageerd op het verwijt dat de uitblaas en inblaasleidingen buiten te dicht bij elkaar zijn geplaatst, is de rechtbank van oordeel dat het door [eisers] gestelde gebrek onvoldoende gemotiveerd is betwist. De herstelkosten komen daarom voor rekening van [gedaagde] . De schade die [eisers] hierdoor lijden wordt op basis van de budget begroting herstelkosten begroot op € 4.680,- ex btw. o. De buitenunit van de warmtepomp is in een afgesloten ruimte geplaatst waarin zich ook de zwembadinstallatie bevindt. Dit heeft geresulteerd in bevriezing van de zwembadinstallatie en lekkage. 4.8.9. Uit het rapport van [bedrijf 2] volgt niet dat de leidingen van de zwembad installatie zijn bevroren door de warmtepomp. In het rapport staat alleen dat de buiten unit in een afgesloten ruimte is geplaatst waar ook de zwembadinstallatie aanwezig is. [gedaagde] heeft onder verwijzing naar een door [eisers] opgesteld gespreksverslag gemotiveerd bestreden dat zij aansprakelijk gehouden kan worden voor schade als gevolg van bevriezing van de zwembadinstallatie. In dat verslag staat namelijk opgenomen dat [eisers] de technische ruimte aan de voor- en achterkant van de warmtepomp zou open maken en wordt aangeraden de ruimte tussen de warmtepomp en het zwembad te scheiden om een negatief effect op elkaar te voorkomen wat ook door [eisers] zou worden uitgevoerd. Niet is gesteld en/of gebleken dat de toegezegde aanpassingen door [eisers] zijn uitgevoerd danwel dat ook met die aanpassingen sprake is van een gebrekkige installatie. Daarom kan geen gebrek worden vastgesteld. p. De warmtepomp is niet geschikt voor de bestaande radiatoren, waardoor de woning onvoldoende en inadequaat verwarmd kan worden. 4.8.10. In het rapport van [bedrijf 2] staat opgenomen dat de warmtepomp is aangesloten op hoog temperatuur radiatoren die niet geschikt en onvoldoende zijn om de ruimte adequaat te verwarmen. Volgens de deskundige dienen de radiatoren vervangen te worden door laag temperatuur elementen. 4.8.11. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de warmtepomp wel geschikt is en volgens [bedrijf 1] zou de bestaande configuratie in de meeste gevallen voldoende zou zijn om de woning te verwarmen. [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat dit bij nader inzien niet het geval blijkt te zijn. [gedaagde] stelt samen met [bedrijf 1] te hebben aangeboden de kosten van de nieuwe radiatoren te delen met [eisers] in een verhouding van ieder 1/3 van de kosten. [eisers] konden daar op zich mee instemmen maar hadden geen vertrouwen meer in de advisering door [gedaagde] over het type nieuwe radiatoren dat er zou moeten komen. De rechtbank constateert dat het daardoor uiteindelijk niet tot een afspraak tussen partijen op dit punt is gekomen. De door [gedaagde] in dit verband gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen. [eisers] hebben uiteindelijk de nieuwe radiatoren door een derde laten leveren. 4.8.12. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] onjuist heeft geadviseerd ten aanzien van de verwarming van de woning door middel van een warmtepomp met de bestaande radiatoren. Daardoor heeft [gedaagde] een niet deugdelijke (gebrekkige) verwarmingsinstallatie geleverd. Zij wordt dan ook aansprakelijk gehouden voor de kosten voor de nieuwe radiatoren, die op basis van de budgetbegroting herstelkosten worden begroot op € 1.570,- ex btw. Bewijsaanbod van [gedaagde] 4.9. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling en direct na de mondelinge behandeling een verzoek gedaan om getuigen te horen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist volgt dat de rechtbank niet aan een bewijsopdracht toe komt De rechtbank zal dan ook niet over gaan tot het houden van een getuigenverhoor. Samenvatting fase 1 4.10. Hiervoor is onder randnummers 4.5.1. tot en met 4.5.6. geoordeeld dat de onderdelen a tot en met c een gebrek betreffen waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Het betreft kosten die samenhangen met schilderwerk dat in het rapport van [bedrijf 2] op de eerste pagina van de budgetbegroting is gesteld op in totaal € 5.265,--, (€ 5.600,-- minus de kosten voor het schoonmaken van de scharnieren ter hoogte van € 335 omdat dat bij het bedrag van € 5.600,-- in zit maar geen gebrek is naar het oordeel van de rechtbank). Nu niet is gesteld of gebleken dat de budgetbegroting niet klopt, begroot de rechtbank de schade door de gebreken in fase 1 op de herstelkosten van € 5.265,-- ex btw, dat is € 6.370,65 inclusief btw. Samenvatting fase 2 4.11. Uit hetgeen hiervoor onder 4.8.1. tot en met 4.8.12 is overwogen volgt dat [gedaagde] wegens herstelkosten voor gebreken aansprakelijk is voor een bedrag van € 7.875,25 ex btw, dat is € 9.529,05 inclusief btw. Het betreft kosten die volgen uit de begroting bij het rapport van [bedrijf 2] voor de posten i (€ 936,--), j (€ 300,--), k (€ 314,--), m (€ 75,25), n (€ 4.680,--) en p (€ 1570,--). 4.12. Verder volgt uit het de beoordeling van de posten onder fase 2 dat [gedaagde] op de aannemingssom een bedrag in mindering moet worden gebracht voor niet uitgevoerde werkzaamheden van in totaal € 6.321,63 ex btw, dat is € 7.649,17 inclusief btw. Het betreft kosten die eveneens volgen uit de begroting bij het rapport van [bedrijf 2] voor de posten g (279,26), h (€ 5.377,37) en l (€ 665,--). Overige schadeposten 4.13. [eisers] hebben nog gevolgschade posten opgevoerd. [eisers] hebben onvoldoende gesteld en onderbouwd dat [gedaagde] voor deze kosten aansprakelijk is. Met name ontbreekt een onderbouwing van de hoogte van de gestelde schade en ook dat deze schade is veroorzaakt door wanprestatie of een onrechtmatige daad van [gedaagde] . Zoals hiervoor al is overwogen kan niet worden vastgesteld dat partijen een fatale opleveringstermijn zijn overeengekomen. Deze kosten komen dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. De aanneemsommen en meerwerk 4.14. Partijen waren voor fase 1 en fase 2 aanneemsommen overeengekomen van respectievelijk € 18.095,60,- inclusief btw en € 123.651,69 inclusief btw dus € 141.747,29 inclusief btw in totaal. 4.15. [gedaagde] heeft bij factuur van 17 februari 2025 voor een bedrag van € 8.880,07 inclusief btw. meerwerk in rekening gebracht.
Volledig
[eisers] hebben de verschuldigdheid van deze factuur betwist omdat zij niet zijn gewaarschuwd dat de gefactureerde werkzaamheden meerwerk zouden opleveren, laat staan tot welk bedrag. 4.16. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat opdracht is gegeven voor het meerwerk verwezen naar e-mails van 9 december 2024, 9 januari 2025, 17 december 2024 en 4 februari 2025 . Uit deze e-mails volgt dat [eisers] op de hoogte waren dat meerwerk werd verricht en daar ook mee instemden. Gelet hierop hadden [eisers] niet kunnen volstaan met een algemene betwisting dat geen opdracht is gegeven voor meerwerk en dat zij niet zijn gewaarschuwd. Het had op de weg van [eisers] gelegen om per post aan te geven waarom die niet deugt. De rechtbank acht de meerwerkfactuur dan ook verschuldigd. 4.17. Dit betekent dat [eisers] op grond van de aanneming van werk verplichtingen zijn aangegaan tot een bedrag van in totaal € 150.627,36 inclusief btw (€ 141.747,29 plus € 8.880,07). 4.18. [eisers] hebben de aanneemsom fase 1 ter hoogte van € 18.095,60 voldaan en van de aanneemsom fase 2 hebben zij € 61.825,85 en € 20.912,92 betaald. In totaal hebben zij dus aan aanneemsommen aan [gedaagde] voldaan een bedrag van € 100.834,37. Daarmee is € 49.792,99 van de aanneemsommen en meerwerk onbetaald gebleven. 4.19. Op het onbetaald gebleven gedeelte van de aanneemsommen van € 49.792,99 kan in mindering strekken een bedrag van € 6.370,65 aan herstelkosten fase 1, een bedrag van € 9.529,05 aan herstelkosten fase 2 en een bedrag van € 7.649,17 aan in fase 2 niet uitgevoerde werkzaamheden. Per saldo zijn [eisers] dan nog een bedrag van € 26.244,12 aan [gedaagde] verschuldigd. Wettelijke rente 4.20. Omdat het toewijsbare bedrag niet meer te herleiden is tot een specifieke factuur en daarmee vervaldatum zal over dit bedrag de wettelijke rente worden vergoed vanaf de eis in reconventie, dus vanaf 15 oktober 2025. Buitengerechtelijke kosten 4.21. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. De rechtbank zal daar dan ook een vergoeding voor toewijzen conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten gebaseerd op de toewijsbare hoofdsom van € 26.244,12. Aan buitengerechtelijke kosten is dan toewijsbaar een bedrag van € 1.037,44. Conservatoir beslag door [gedaagde] 4.22. heeft ten laste van [eisers] conservatoir beslag laten leggen, dat inmiddels is opgeheven vanwege een zekerheidstelling op de derdengeldrekening van de advocaat van [eisers] . 4.23. Aangezien [eisers] nog een aanmerkelijk bedrag zijn verschuldigd aan [gedaagde] had [gedaagde] een rechtmatig belang bij de beslaglegging. De in verband daarmee gemaakte kosten komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten betreffen een bedrag van € 969,92 aan explootkosten, een bedrag van € 614,-- aan salaris en een bedrag van € 735,- aan griffierecht, dus in totaal € 2.318,92. Proceskosten 4.24. Gelet op de uitkomst van de procedure waarbij partijen zowel in conventie als in reconventie deels in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank in conventie en reconventie 5.1. Veroordeelt [eisers] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 26.244,12 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2025, 5.2. veroordeelt [eisers] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.037,44 aan buitengerechtelijke kosten, 5.3. veroordeelt [eisers] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 2.318,92. aan beslagkosten, 5.4. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026. Productie 2 zijdens [eisers] Productie 1 zijdens [gedaagde] Productie 3 zijdens [eisers] Productie 24 zijdens [gedaagde] Productie 6 zijdens [gedaagde] Productie 5 zijdens [eisers] Productie 8 zijdens [eisers] Productie 8 zijdens [eisers] Bijlage blz. 2 bij rapport [bedrijf 2], productie 5 zijdens [eisers] Bijlage blz. 2 bij rapport [bedrijf 2], productie 5 zijdens [eisers] Pagina 14 van de conclusie van antwoord in conventie Bijlage blz. 2 bij rapport [bedrijf 2], productie 5 zijdens [eisers] Bijlage blz. 3 bij rapport [bedrijf 2], productie 5 zijdens [eisers] Bijlage blz. 3 bij rapport [bedrijf 2], productie 5 zijdens [eisers] Bijlage blz. 3 bij rapport [bedrijf 2], productie 5 zijdens [eisers] Bijlage blz. 3 bij rapport [bedrijf 2], productie 5 zijdens [eisers] E-mail van [eisers] aan [gedaagde] van 15 oktober 2024, overgelegd door [gedaagde] als productie 22 de installateur/onderaannemer van [gedaagde] die onder andere de warmtepomp heeft geplaatst Bijlage blz. 3 bij rapport [bedrijf 2], productie 5 zijdens [eisers] Producties 28 en 29 van [gedaagde]