Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-25
ECLI:NL:RBLIM:2026:1722
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bodemzaak
8,080 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1722 text/xml public 2026-03-06T10:32:13 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-25 C/03/345554/HA ZA 25-408 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1722 text/html public 2026-03-05T11:34:49 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1722 Rechtbank Limburg , 25-02-2026 / C/03/345554/HA ZA 25-408 Vader heeft zijn taak als gezaghebbende ouder van een minderjarige vereffenaar onzorgvuldig verricht. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/345554 / HA ZA 25-408 Vonnis van 25 februari 2026 in de zaak van [eisende partij] , wonende te [plaats 1] , eiser, advocaat: mr. R.A. Wijnands, tegen [gedaagde partij] , wonende te [plaats 2] , gedaagde, advocaat: mr. S. de Block. Partijen zullen hierna eiser en gedaagde worden genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in het incident van 5 november 2025; - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 15 december 2025, gehouden in het gerechtsgebouw in Roermond, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de producties die tijdens de zitting door mr. Wijnands zijn overgelegd, te weten een mail van 25 juni 2025 van JuriCura aan mr. Wijnands met als bijlage een mail van de vader van dezelfde datum aan mr. Wijnands met een concept voor een schikkingsovereenkomst. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op [datum 1] 2012 is [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster is de moeder van eiser, verder te noemen ‘de zoon’. Gedaagde is de vader van eiser, verder te noemen ‘de vader’. 2.2. Erflaatster heeft bij testament - voor zover van belang - bepaald dat de zoon enig erfgenaam zal zijn, indien de samenwoning met de vader ten tijde van het overlijden verbroken zou zijn. Ten tijde van haar overlijden woonde erflaatster niet meer samen met de vader, waardoor de zoon de enige erfgenaam is geworden . 2.3. De vader heeft op 16 juli 2012 in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de zoon aan de kantonrechter machtiging verzocht om namens de zoon de nalatenschap van erflaatster te verwerpen vanwege een negatief saldo van de nalatenschap. De kantonrechter heeft deze machtiging verleend. De vader heeft de verklaring tot verwerping van de nalatenschap echter niet laten inschrijven in het boedelregister van de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene. Daardoor heeft de zoon de erfenis beneficiair aanvaard en dient de nalatenschap te worden vereffend, waarbij de zoon als erfgenaam de vereffenaar is . 2.4. Erflaatster heeft een bewind ingesteld over haar nalatenschap, waarbij is bepaald dat het vermogen beheerd wordt door de testamentair bewindvoerder (de opa) totdat de zoon de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt. De zoon is 23 jaar geworden op [datum 2] 2025, zodat het bewind is vervallen en de zoon, als enig erfgenaam, gerechtigd is te beschikken over de nalatenschap van erflaatster. De opa is in 2024 overleden. 2.5. De zoon heeft de vader bij brief van 24 april 2025 verzocht hem een schriftelijk onderbouwde beschrijving van de nalatenschap te doen toekomen. 2.6. In reactie hierop heeft de vader aan de zoon een concept voor een overeenkomst gezonden ter afdoening van de nalatenschap tegen finale kwijting (hierna te noemen ‘de schikkingsovereenkomst’). Daarin staat - samengevat -: dat de erflaatster bij testament heeft bepaald dat de zoon gerechtigd is tot het ontvangen van € 25.000,00 bij het bereiken van de 23-jarige leeftijd, dat er al substantiële delen van het erfdeel zijn aangewend ten behoeve van de zoon, dat de nalatenschap na herberekening vast te stellen is op € 11.100,00, dat dit bedrag aan de zoon zal worden uitgekeerd uiterlijk op 26 juni 2026 ter finale kwijting. Als bijlage 1 bij de schikkingsovereenkomst zit een zogenaamde herberekening van de nalatenschap waarbij een viertal posten voor bij elkaar € 13.900,00 worden opgesomd die in mindering op het bedrag van € 25.000,00 komen. 2.7. Bij brief van 18 augustus 2025 heeft de zoon dit voorstel van de vader voor een schikking afgewezen omdat de bedragen in de schikkingsovereenkomst en de bijlage 1 op geen enkele wijze worden onderbouwd en daardoor niet op juistheid zijn te controleren. 3 Het geschil 3.1. De zoon vordert – samengevat - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht te verklaren dat de zoon als enig erfgenaam van erflaatster gerechtigd is op het desbetreffende erfdeel; 2. de vader te veroordelen tot het opmaken en afgeven van een volledige, door stukken gestaafde boedelbeschrijving, en tot afgifte van alle bescheiden die de zoon nodig heeft, op straffe van een dwangsom; 3. de vader bij wege van provisionele vordering te veroordelen om aan de zoon een voorschot op de te ontvangen nalatenschap te betalen van € 11.100,00 ex artikel 223 Rv; 4. de vader te veroordelen om aan de zoon het oorspronkelijke bedrag van de nalatenschap van te betalen, subsidiair een bedrag van € 25.000,00 vermeerderd met wettelijke rente, meer subsidiair een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag; 5. de vader te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.025,00 dan wel een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag; 6. d de vader te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daarbij inbegrepen. 3.2. De vader voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid omdat het voor hem onduidelijk is in welke hoedanigheid hij door de zoon wordt aangesproken. De vader stelt verder dat hij niet in de mogelijkheid verkeert een boedelbeschrijving op te stellen omdat hij niet over de administratie van erflaatster beschikt en deze ook niet meer bij instanties op kan vragen. Mocht er een positief erfdeel bestaan, wat de vader uitdrukkelijk betwist, dan is de vader niet persoonlijk aansprakelijk voor de betaling daarvan aan de zoon. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kern van het geschil is de vraag of de vader verplicht is een boedelbeschrijving op te maken en de vraag of de vader verplicht is aan de zoon een bedrag terzake van de nalatenschap van erflaatster te betalen. Wel ontvankelijk 4.2. Het verweer van de vader dat de zoon niet-ontvankelijk is omdat niet duidelijk is in welke hoedanigheid hij wordt aangesproken, verwerpt de rechtbank. In het navolgende zal blijken dat de zoon de vader terecht niet als vereffenaar of bewindvoerder heeft aangesproken, maar als natuurlijk persoon. Dit had de vader duidelijk moeten zijn. Enig erfgenaam 4.3. Tussen partijen staat onbetwist vast dat de zoon enig erfgenaam van erflaatster is. Dat blijkt ook uit de verklaring van erfrecht, opgemaakt op 13 april 2012 door [notaris] te [plaats 2] . Daardoor kan de vordering onder 1 worden toegewezen en zal de rechtbank voor recht verklaren dat de zoon als enig erfgenaam van erflaatster gerechtigd is op het desbetreffend erfdeel. Opmaken boedelbeschrijving 4.4. In de verklaring van erfrecht is bepaald dat de nalatenschap, omdat deze namens de erfgenaam beneficiair is aanvaard, vereffend dient te worden. Op grond van artikel 4:195 BW is de zoon als de erfgenaam ook de vereffenaar. 4.5. In artikel 4:211 BW lid 1 wordt de taak van een vereffenaar omschreven: “ Een vereffenaar heeft tot taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen ’. De vereffenaar dient daartoe met bekwame spoed een boedelbeschrijving op te maken (4:211 lid 3 BW). Op grond van artikel 4:199 lid 2 BW dient een erfgenaam/vereffenaar een negatief nalatenschapssaldo ten spoedigste aan de kantonrechter te melden. 4.6. De vader was als gezaghebbend ouder van de destijds minderjarige zoon/vereffenaar bevoegd te beschikken over de beneficiair aanvaarde nalatenschap. Het was dan ook aan de vader om met bekwame spoed een boedelbeschrijving op te maken en bij een negatief nalatenschapssaldo dit met spoed aan de kantonrechter te melden. 4.7.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1722 text/xml public 2026-04-08T15:23:46 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-25 C/03/345554/HA ZA 25-408 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0166 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0166 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1722 text/html public 2026-03-05T11:34:49 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1722 Rechtbank Limburg , 25-02-2026 / C/03/345554/HA ZA 25-408 Vader heeft zijn taak als gezaghebbende ouder van een minderjarige vereffenaar onzorgvuldig verricht. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/345554 / HA ZA 25-408 Vonnis van 25 februari 2026 in de zaak van [eisende partij] , wonende te [plaats 1] , eiser, advocaat: mr. R.A. Wijnands, tegen [gedaagde partij] , wonende te [plaats 2] , gedaagde, advocaat: mr. S. de Block. Partijen zullen hierna eiser en gedaagde worden genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in het incident van 5 november 2025; - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 15 december 2025, gehouden in het gerechtsgebouw in Roermond, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de producties die tijdens de zitting door mr. Wijnands zijn overgelegd, te weten een mail van 25 juni 2025 van JuriCura aan mr. Wijnands met als bijlage een mail van de vader van dezelfde datum aan mr. Wijnands met een concept voor een schikkingsovereenkomst. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op [datum 1] 2012 is [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster is de moeder van eiser, verder te noemen ‘de zoon’. Gedaagde is de vader van eiser, verder te noemen ‘de vader’. 2.2. Erflaatster heeft bij testament - voor zover van belang - bepaald dat de zoon enig erfgenaam zal zijn, indien de samenwoning met de vader ten tijde van het overlijden verbroken zou zijn. Ten tijde van haar overlijden woonde erflaatster niet meer samen met de vader, waardoor de zoon de enige erfgenaam is geworden . 2.3. De vader heeft op 16 juli 2012 in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de zoon aan de kantonrechter machtiging verzocht om namens de zoon de nalatenschap van erflaatster te verwerpen vanwege een negatief saldo van de nalatenschap. De kantonrechter heeft deze machtiging verleend. De vader heeft de verklaring tot verwerping van de nalatenschap echter niet laten inschrijven in het boedelregister van de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene. Daardoor heeft de zoon de erfenis beneficiair aanvaard en dient de nalatenschap te worden vereffend, waarbij de zoon als erfgenaam de vereffenaar is . 2.4. Erflaatster heeft een bewind ingesteld over haar nalatenschap, waarbij is bepaald dat het vermogen beheerd wordt door de testamentair bewindvoerder (de opa) totdat de zoon de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt. De zoon is 23 jaar geworden op [datum 2] 2025, zodat het bewind is vervallen en de zoon, als enig erfgenaam, gerechtigd is te beschikken over de nalatenschap van erflaatster. De opa is in 2024 overleden. 2.5. De zoon heeft de vader bij brief van 24 april 2025 verzocht hem een schriftelijk onderbouwde beschrijving van de nalatenschap te doen toekomen. 2.6. In reactie hierop heeft de vader aan de zoon een concept voor een overeenkomst gezonden ter afdoening van de nalatenschap tegen finale kwijting (hierna te noemen ‘de schikkingsovereenkomst’). Daarin staat - samengevat -: dat de erflaatster bij testament heeft bepaald dat de zoon gerechtigd is tot het ontvangen van € 25.000,00 bij het bereiken van de 23-jarige leeftijd, dat er al substantiële delen van het erfdeel zijn aangewend ten behoeve van de zoon, dat de nalatenschap na herberekening vast te stellen is op € 11.100,00, dat dit bedrag aan de zoon zal worden uitgekeerd uiterlijk op 26 juni 2026 ter finale kwijting. Als bijlage 1 bij de schikkingsovereenkomst zit een zogenaamde herberekening van de nalatenschap waarbij een viertal posten voor bij elkaar € 13.900,00 worden opgesomd die in mindering op het bedrag van € 25.000,00 komen. 2.7. Bij brief van 18 augustus 2025 heeft de zoon dit voorstel van de vader voor een schikking afgewezen omdat de bedragen in de schikkingsovereenkomst en de bijlage 1 op geen enkele wijze worden onderbouwd en daardoor niet op juistheid zijn te controleren. 3 Het geschil 3.1. De zoon vordert – samengevat - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht te verklaren dat de zoon als enig erfgenaam van erflaatster gerechtigd is op het desbetreffende erfdeel; 2. de vader te veroordelen tot het opmaken en afgeven van een volledige, door stukken gestaafde boedelbeschrijving, en tot afgifte van alle bescheiden die de zoon nodig heeft, op straffe van een dwangsom; 3. de vader bij wege van provisionele vordering te veroordelen om aan de zoon een voorschot op de te ontvangen nalatenschap te betalen van € 11.100,00 ex artikel 223 Rv; 4. de vader te veroordelen om aan de zoon het oorspronkelijke bedrag van de nalatenschap van te betalen, subsidiair een bedrag van € 25.000,00 vermeerderd met wettelijke rente, meer subsidiair een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag; 5. de vader te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.025,00 dan wel een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag; 6. d de vader te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daarbij inbegrepen. 3.2. De vader voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid omdat het voor hem onduidelijk is in welke hoedanigheid hij door de zoon wordt aangesproken. De vader stelt verder dat hij niet in de mogelijkheid verkeert een boedelbeschrijving op te stellen omdat hij niet over de administratie van erflaatster beschikt en deze ook niet meer bij instanties op kan vragen. Mocht er een positief erfdeel bestaan, wat de vader uitdrukkelijk betwist, dan is de vader niet persoonlijk aansprakelijk voor de betaling daarvan aan de zoon. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kern van het geschil is de vraag of de vader verplicht is een boedelbeschrijving op te maken en de vraag of de vader verplicht is aan de zoon een bedrag terzake van de nalatenschap van erflaatster te betalen. Wel ontvankelijk 4.2. Het verweer van de vader dat de zoon niet-ontvankelijk is omdat niet duidelijk is in welke hoedanigheid hij wordt aangesproken, verwerpt de rechtbank. In het navolgende zal blijken dat de zoon de vader terecht niet als vereffenaar of bewindvoerder heeft aangesproken, maar als natuurlijk persoon. Dit had de vader duidelijk moeten zijn. Enig erfgenaam 4.3. Tussen partijen staat onbetwist vast dat de zoon enig erfgenaam van erflaatster is. Dat blijkt ook uit de verklaring van erfrecht, opgemaakt op 13 april 2012 door [notaris] te [plaats 2] . Daardoor kan de vordering onder 1 worden toegewezen en zal de rechtbank voor recht verklaren dat de zoon als enig erfgenaam van erflaatster gerechtigd is op het desbetreffend erfdeel. Opmaken boedelbeschrijving 4.4. In de verklaring van erfrecht is bepaald dat de nalatenschap, omdat deze namens de erfgenaam beneficiair is aanvaard, vereffend dient te worden. Op grond van artikel 4:195 BW is de zoon als de erfgenaam ook de vereffenaar. 4.5. In artikel 4:211 BW lid 1 wordt de taak van een vereffenaar omschreven: “ Een vereffenaar heeft tot taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen ’. De vereffenaar dient daartoe met bekwame spoed een boedelbeschrijving op te maken (4:211 lid 3 BW). Op grond van artikel 4:199 lid 2 BW dient een erfgenaam/vereffenaar een negatief nalatenschapssaldo ten spoedigste aan de kantonrechter te melden. 4.6. De vader was als gezaghebbend ouder van de destijds minderjarige zoon/vereffenaar bevoegd te beschikken over de beneficiair aanvaarde nalatenschap.
Volledig
De vader stelt na het overlijden van erflaatster een bankrekening van de erflaatster te hebben opgeheven en haar huurovereenkomst te hebben opgezegd. Dat moet hij als gezaghebbende ouder van de vereffenaar hebben gedaan omdat hij anders daartoe niet de bevoegdheid had. Er is door de vader echter geen boedelbeschrijving opgemaakt met een overzicht van alle bezittingen (baten) en schulden (lasten) van de overledene. De rechtbank stelt vast dat de vader daarmee zijn taak als gezaghebbende ouder van de zoon/vereffenaar niet naar behoren heeft vervuld. Inmiddels is de zoon meerderjarig en is de vader niet meer bevoegd te beschikken over de nalatenschap. Ook kan de vader in dat kader geen stukken, zoals bankafschriften, meer opvragen bij de bevoegde instanties. De zoon is daar inmiddels zelf toe bevoegd. Omdat vordering 2 tot het opmaken van een boedelbeschrijving en tot afgifte van alle bescheiden daarmee praktisch niet meer uitvoerbaar is voor de vader, zal de rechtbank deze vordering afwijzen. Voorschot op nalatenschap 4.8. De vordering onder 3 houdt in een betaling van een voorschot op de nalatenschap voor de duur van de procedure. Hierop is in incident al afwijzend beslist. Betaling bedrag dat de zoon uit de nalatenschap toekomt 4.9. De zoon stelt dat hem als enig erfgenaam ‘het oorspronkelijke bedrag’ van de nalatenschap dan wel € 25.000,00 toekomt, wat door de vader wordt betwist. De zoon vordert in deze procedure betaling hiervan. 4.10. De rechtbank stelt het volgende voorop. De hoofdregel is dat een vereffenaar uit de nalatenschap alle schulden dient te voldoen en wat overblijft aan de erfgenamen uitkeert. In dit geval is de zoon de enige erfgenaam en de vereffenaar, maar omdat de zoon ten tijde van het overlijden van erflaatster minderjarig was, diende de vader als gezaghebbend ouder van de vereffenaar alle schulden van de nalatenschap te voldoen en het bedrag dat daarna het bedrag overbleef beschikbaar te stellen aan de zoon. Over dat bedrag zou de opa dan als bewindvoerder van de zoon het bewind moeten voeren totdat de zoon 23 jaar zou zijn. De vader heeft echter geen boedelbeschrijving opgemaakt en heeft het bedrag dat overbleef na voldoening van alle schulden van de erflaatster niet ter beschikking gesteld aan de zoon. Tot bewindvoering door de opa over het erfdeel van de zoon is het dus niet gekomen omdat het erfdeel niet ter beschikking is gesteld aan de zoon. De vraag is nu welk bedrag de vader aan de zoon uit hoofde van de nalatenschap ter beschikking had moeten stellen. 4.11. De zoon heeft ter onderbouwing dat hem uit de nalatenschap een erfdeel van € 25.000,00 toekomt de concept schikkingsovereenkomst van de vader overgelegd. Hierin staat onder meer: “ Overwegende dat: - [erflaatster] bij testament heeft bepaald; dat haar zoon, de erfgenaam, gerechtigd is tot het ontvangen van een bedrag van € 25.000,-, aan hem uit te keren bij het bereiken van de leeftijd van 23 jaar. (..) Gedurende de periode na het overlijden van erflaatster tot heden reeds substantiële delen van het erfdeel, uit bittere noodzaak, zijn aangewend ten behoeve van erfgenaam, wegens diens persoonlijke omstandigheden (o.a. schulden, boetes juridische kwesties in het algemeen en algeheel financieel disfunctioneren in het algemeen) Hierdoor het oorspronkelijk bedrag van € 25.000,- niet langer beschikbaar is. De bewindvoerder in overleg met enkele deskundigen en adviseurs, tot een herberekening is gekomen, op basis waarvan de, nog resterende, nalatenschap vast te stellen is op € 11.100,00.” Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat de vader zelf van mening is dat aan de zoon uit de nalatenschap van erflaatster een erfdeel van € 25.000,00 toekomt. Van dat bedrag zijn volgens de geciteerde passage verschillende uitgaven ten behoeve van de zoon gedaan. Het betreft dus niet uitgaven die ten behoeve van de nalatenschap zijn gedaan. De rechtbank oordeelt dat de zoon hiermee voldoende onderbouwt dat zijn erfdeel € 25.000,00 is. 4.12. De vader voert het verweer dat hij en zijn adviseur zich hebben vergist toen het schikkingsvoorstel werd gedaan. Die vergissing hield in dat de vader aan erflaatster had toegezegd om € 25.000,00 voor de zoon te sparen en hem dit op zijn drieëntwintigste levensjaar ter beschikking te stellen. De nalatenschap zelf zou volgens de vader een negatief saldo hebben. Deze betwisting is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het is onwaarschijnlijk dat de vader zo’n vergissing heeft gemaakt, zeker niet nu hij bijstand had van een juridisch adviseur. 4.13. Omdat de zoon voldoende heeft onderbouwd dat hem uit de nalatenschap een erfdeel van € 25.000,00 toekomt en de betwisting van de vader onvoldoende onderbouwd is, gaat de rechtbank er vanuit dat de zoon uit de nalatenschap € 25.000,00 toekomt. Dit bedrag had de vader aan de zoon als erfdeel beschikbaar moeten stellen. 4.14. Voor zover de vader stelt dat de uitgaven die hij ten behoeve van de zoon heeft gemaakt hierop in mindering moeten worden gebracht, is deze stelling onvoldoende onderbouwd. In bijlage 1 bij het concept voor schikkingsovereenkomst worden uitgaven opgesomd. Deze uitgaven zijn alleen al onvoldoende onderbouwd, omdat er geen stukken bij zitten die de uitgaven aantonen. Ook wordt bij de uitgaven onvoldoende omschreven waar deze op zien. Wat wel staat omschreven roept bovendien vragen op of dit wel terechte posten zijn. Verder heeft de vader geen beroep op verrekening gedaan. 4.15. De rechtbank oordeelt dat de vader zijn taak als gezaghebbende ouder van de minderjarige vereffenaar onzorgvuldig heeft verricht door geen boedelbeschrijving op te maken en de zoon zijn erfdeel niet uit te keren. De vader kan dat nu ook niet meer omdat hij niet langer gezaghebbend ouder van de erfgenaam/vereffenaar is. Dit onzorgvuldig handelen van de vader levert een onrechtmatige daad jegens de zoon op die maakt dat de vader de hierdoor ontstane schade moet vergoeden. De schade is gelijk aan de omvang van het erfdeel dat de vader aan hem beschikbaar had moeten stellen, te weten € 25.000,00. 4.16. De vordering onder 4 zal dan ook worden toegewezen in die zin dat de vader wordt veroordeeld om aan de zoon € 25.000,00 te betalen. Ook de vordering om dit bedrag te vermeerderen met wettelijke rente zal worden toegewezen. Omdat hieraan geen begindatum is gekoppeld, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 september 2025, de dag van de dagvaarding. Buitengerechtelijke incassokosten. 4.17. De zoon vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat de verplichting tot betaling voortvloeit uit een onrechtmatige daad, moet de aanspraak van de zoon op de buitengerechtelijke kosten worden beoordeeld aan de hand van het Rapport Voorwerk II. Daarin staat dat buitengerechtelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Uit de in de dagvaarding gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden leidt de rechtbank af dat de werkzaamheden betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen. Proceskosten 4.18. De vader wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De zoon heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisende partijen met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van gedaagde. 4.19. De proceskosten van eiser worden begroot op: - griffierecht € 90,00 - salaris advocaat € 1.672,00 ( 2 punten x € 836,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.951,00 5 De beslissing De rechtbank 5.1.
Volledig
Het was dan ook aan de vader om met bekwame spoed een boedelbeschrijving op te maken en bij een negatief nalatenschapssaldo dit met spoed aan de kantonrechter te melden. 4.7. De vader stelt na het overlijden van erflaatster een bankrekening van de erflaatster te hebben opgeheven en haar huurovereenkomst te hebben opgezegd. Dat moet hij als gezaghebbende ouder van de vereffenaar hebben gedaan omdat hij anders daartoe niet de bevoegdheid had. Er is door de vader echter geen boedelbeschrijving opgemaakt met een overzicht van alle bezittingen (baten) en schulden (lasten) van de overledene. De rechtbank stelt vast dat de vader daarmee zijn taak als gezaghebbende ouder van de zoon/vereffenaar niet naar behoren heeft vervuld. Inmiddels is de zoon meerderjarig en is de vader niet meer bevoegd te beschikken over de nalatenschap. Ook kan de vader in dat kader geen stukken, zoals bankafschriften, meer opvragen bij de bevoegde instanties. De zoon is daar inmiddels zelf toe bevoegd. Omdat vordering 2 tot het opmaken van een boedelbeschrijving en tot afgifte van alle bescheiden daarmee praktisch niet meer uitvoerbaar is voor de vader, zal de rechtbank deze vordering afwijzen. Voorschot op nalatenschap 4.8. De vordering onder 3 houdt in een betaling van een voorschot op de nalatenschap voor de duur van de procedure. Hierop is in incident al afwijzend beslist. Betaling bedrag dat de zoon uit de nalatenschap toekomt 4.9. De zoon stelt dat hem als enig erfgenaam ‘het oorspronkelijke bedrag’ van de nalatenschap dan wel € 25.000,00 toekomt, wat door de vader wordt betwist. De zoon vordert in deze procedure betaling hiervan. 4.10. De rechtbank stelt het volgende voorop. De hoofdregel is dat een vereffenaar uit de nalatenschap alle schulden dient te voldoen en wat overblijft aan de erfgenamen uitkeert. In dit geval is de zoon de enige erfgenaam en de vereffenaar, maar omdat de zoon ten tijde van het overlijden van erflaatster minderjarig was, diende de vader als gezaghebbend ouder van de vereffenaar alle schulden van de nalatenschap te voldoen en het bedrag dat daarna het bedrag overbleef beschikbaar te stellen aan de zoon. Over dat bedrag zou de opa dan als bewindvoerder van de zoon het bewind moeten voeren totdat de zoon 23 jaar zou zijn. De vader heeft echter geen boedelbeschrijving opgemaakt en heeft het bedrag dat overbleef na voldoening van alle schulden van de erflaatster niet ter beschikking gesteld aan de zoon. Tot bewindvoering door de opa over het erfdeel van de zoon is het dus niet gekomen omdat het erfdeel niet ter beschikking is gesteld aan de zoon. De vraag is nu welk bedrag de vader aan de zoon uit hoofde van de nalatenschap ter beschikking had moeten stellen. 4.11. De zoon heeft ter onderbouwing dat hem uit de nalatenschap een erfdeel van € 25.000,00 toekomt de concept schikkingsovereenkomst van de vader overgelegd. Hierin staat onder meer: “ Overwegende dat: - [erflaatster] bij testament heeft bepaald; dat haar zoon, de erfgenaam, gerechtigd is tot het ontvangen van een bedrag van € 25.000,-, aan hem uit te keren bij het bereiken van de leeftijd van 23 jaar. (..) Gedurende de periode na het overlijden van erflaatster tot heden reeds substantiële delen van het erfdeel, uit bittere noodzaak, zijn aangewend ten behoeve van erfgenaam, wegens diens persoonlijke omstandigheden (o.a. schulden, boetes juridische kwesties in het algemeen en algeheel financieel disfunctioneren in het algemeen) Hierdoor het oorspronkelijk bedrag van € 25.000,- niet langer beschikbaar is. De bewindvoerder in overleg met enkele deskundigen en adviseurs, tot een herberekening is gekomen, op basis waarvan de, nog resterende, nalatenschap vast te stellen is op € 11.100,00.” Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat de vader zelf van mening is dat aan de zoon uit de nalatenschap van erflaatster een erfdeel van € 25.000,00 toekomt. Van dat bedrag zijn volgens de geciteerde passage verschillende uitgaven ten behoeve van de zoon gedaan. Het betreft dus niet uitgaven die ten behoeve van de nalatenschap zijn gedaan. De rechtbank oordeelt dat de zoon hiermee voldoende onderbouwt dat zijn erfdeel € 25.000,00 is. 4.12. De vader voert het verweer dat hij en zijn adviseur zich hebben vergist toen het schikkingsvoorstel werd gedaan. Die vergissing hield in dat de vader aan erflaatster had toegezegd om € 25.000,00 voor de zoon te sparen en hem dit op zijn drieëntwintigste levensjaar ter beschikking te stellen. De nalatenschap zelf zou volgens de vader een negatief saldo hebben. Deze betwisting is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het is onwaarschijnlijk dat de vader zo’n vergissing heeft gemaakt, zeker niet nu hij bijstand had van een juridisch adviseur. 4.13. Omdat de zoon voldoende heeft onderbouwd dat hem uit de nalatenschap een erfdeel van € 25.000,00 toekomt en de betwisting van de vader onvoldoende onderbouwd is, gaat de rechtbank er vanuit dat de zoon uit de nalatenschap € 25.000,00 toekomt. Dit bedrag had de vader aan de zoon als erfdeel beschikbaar moeten stellen. 4.14. Voor zover de vader stelt dat de uitgaven die hij ten behoeve van de zoon heeft gemaakt hierop in mindering moeten worden gebracht, is deze stelling onvoldoende onderbouwd. In bijlage 1 bij het concept voor schikkingsovereenkomst worden uitgaven opgesomd. Deze uitgaven zijn alleen al onvoldoende onderbouwd, omdat er geen stukken bij zitten die de uitgaven aantonen. Ook wordt bij de uitgaven onvoldoende omschreven waar deze op zien. Wat wel staat omschreven roept bovendien vragen op of dit wel terechte posten zijn. Verder heeft de vader geen beroep op verrekening gedaan. 4.15. De rechtbank oordeelt dat de vader zijn taak als gezaghebbende ouder van de minderjarige vereffenaar onzorgvuldig heeft verricht door geen boedelbeschrijving op te maken en de zoon zijn erfdeel niet uit te keren. De vader kan dat nu ook niet meer omdat hij niet langer gezaghebbend ouder van de erfgenaam/vereffenaar is. Dit onzorgvuldig handelen van de vader levert een onrechtmatige daad jegens de zoon op die maakt dat de vader de hierdoor ontstane schade moet vergoeden. De schade is gelijk aan de omvang van het erfdeel dat de vader aan hem beschikbaar had moeten stellen, te weten € 25.000,00. 4.16. De vordering onder 4 zal dan ook worden toegewezen in die zin dat de vader wordt veroordeeld om aan de zoon € 25.000,00 te betalen. Ook de vordering om dit bedrag te vermeerderen met wettelijke rente zal worden toegewezen. Omdat hieraan geen begindatum is gekoppeld, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 september 2025, de dag van de dagvaarding. Buitengerechtelijke incassokosten. 4.17. De zoon vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat de verplichting tot betaling voortvloeit uit een onrechtmatige daad, moet de aanspraak van de zoon op de buitengerechtelijke kosten worden beoordeeld aan de hand van het Rapport Voorwerk II. Daarin staat dat buitengerechtelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Uit de in de dagvaarding gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden leidt de rechtbank af dat de werkzaamheden betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen. Proceskosten 4.18. De vader wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De zoon heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisende partijen met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van gedaagde. 4.19.