Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-02-11
ECLI:NL:RBLIM:2026:1461
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummers : 03.028638.19, 03.196741.19, 03.040244.20 (ttz.gev.) Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw) Vonnis van de meervoudige kamer van 11 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [adres] op [geboortedag] 1986, vertrokken, onbekend waarheen. De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.P. Biesmans, advocaat te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 januari 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De voorzitter stelt vast dat de nabestaanden van het slachtoffer, mevrouw [nabestaande 1] en haar zoon de heer [nabestaande 2] , ter terechtzitting zijn verschenen. Zij worden bijgestaan door mr. D.M.H. Rademakers. Mr. Rademakers heeft ter zitting het spreekrecht voor mevrouw [nabestaande 1] uitgeoefend. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: In de zaak 03.028638.19 op 11 oktober 2018 in Heerlen [slachtoffer] heeft mishandeld met de dood ten gevolge (primair), dan wel [slachtoffer] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge (subsidiair); In de zaak 03.196741.19 op 15 augustus 2019 in Roermond een auto heeft geheeld; In de zaak 03.040244.20 op 27 februari 2019 in Heerlen: Feit 1: samen met een (of meer) ander(en) 0,6 gram cocaïne heeft verkocht; Feit 2: opzettelijk in het bezit was van 12,5 gram cocaïne en 4,6 gram heroïne; Feit 3: in het bezit was van 12,5 gram hasj en 0,5 gram hennep. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) tenlastegelegde feiten. De betrokkenheid van de verdachte bij feit 1 in de zaak 03.040244.20 (de verkoop van cocaïne) blijkt volgens de officier van justitie uit het feit dat de verdachte die dag naast de medeverdachte [medeverdachte] in de auto wordt aangetroffen, de koper van de cocaïne in die auto kwam zitten en deze koper – nadat hij met cocaïne op zak werd aangetroffen door de politie – duidelijk heeft verklaard dat hij het geld voor de drugs aan de verdachte heeft gegeven. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde in de zaak 03.028638.19 (mishandeling met de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel ten gevolge) en feit 1 in de zaak 03.040244.20 (de verkoop van cocaïne). Ten aanzien van de mishandeling stelt de raadsvrouw zich primair op het standpunt dat er geen mishandeling heeft plaatsgevonden. De verdachte ontkent het slachtoffer te hebben geduwd. Gezien het feit dat door het slachtoffer en de twee getuigen drie verschillende weergaven van het gebeuren zijn geschetst, valt op basis van het dossier niet onomstotelijk vast te stellen dat de verdachte het slachtoffer heeft geduwd. Bovendien voert de raadsvrouw aan dat de verdachte ten gevolge van de sprong van het afdak bebloede handen had en op de kleding van het slachtoffer geen bloed is aangetroffen. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de strafverzwarende component van het primair tenlastegelegde. De dood van het slachtoffer kan niet redelijkerwijs als gevolg van de gedraging aan de verdachte worden toegerekend, omdat uit het dossier blijkt dat de infectie die het slachtoffer heeft opgelopen een gevolg is geweest van de tweede ingreep in het ziekenhuis. Het ziekenhuis duidt de bacterie die de infectie heeft veroorzaakt aan als een lichaamseigen bacterie, maar dit lijkt niet te kloppen met de toelichting van de familie [familienaam] bij de (ingetrokken) vordering tot schadevergoeding, die de bacterie aanduidt als een vleesetende bacterie. Omdat een vleesetende bacterie zich doorgaans ontwikkelt in wonden die ni [slachtoffer] wordt wederom geopereerd en het linker heupgewricht wordt verwijderd. Er werd een infectie aangetroffen: gasgangreen. Infectie blijft toenemen. 15 april 2019 : Infectie bleef zich verspreiden en had zich inmiddels door het hele lichaam verspreid. Weer geopereerd. Dezelfde dag is [slachtoffer] overleden ten gevolge van bloedvergiftiging en multi orgaan falen. Het proces-verbaal Toestemmingsverklaring verwerving medische gegevens, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Lijkschouw : dhr. [slachtoffer] op 15 april 2019. Info niet natuurlijk overlijden: (..) De gevolgen van de val zijn goed gedocumenteerd. Uit de stukken blijkt dat de ingrepen lege artis en door deskundigen en bevoegde mensen zijn uitgevoerd. Bewijsoverweging Vaststelling van de feiten Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en het slachtoffer zich beiden bevonden in de [instelling 1] in Heerlen op 11 oktober 2018 en dat de verdachte over het dak van de instelling heeft gerend en van een afdak is gesprongen. Na de sprong heeft het slachtoffer, werkzaam als beveiliger bij [instelling 1] , geprobeerd de verdachte tegen te houden waarbij hij ten val is gekomen. Ten gevolge hiervan heeft hij een gebroken heup opgelopen. Aan deze heupfractuur is het slachtoffer diverse keren geopereerd, waaronder op 12 oktober 2018 en op 12 april 2019. Na de operatie op 12 april 2019 heeft het slachtoffer een infectie opgelopen die zich in de drie navolgende dagen heeft verspreid door het hele lichaam, waaraan het slachtoffer op 15 april 2019 is overleden. Mishandeling De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door hem te duwen. Uit de aangifte van het slachtoffer volgt dat de verdachte hem met kracht heeft geduwd en dat hij daardoor ten val is gekomen. Dat de verdachte het slachtoffer helemaal niet geraakt zou hebben, wordt weersproken door de getuigenverklaring van getuige [instelling 1] 308010, die het hele voorval heeft gezien en duidelijk heeft verklaard dat de verdachte het slachtoffer een beuk gaf en het slachtoffer daarna op de grond viel. De rechtbank ziet dan geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van het slachtoffer en de eerder genoemde getuige. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft geduwd en daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer hierdoor pijn heeft ervaren en letsel heeft opgelopen. Het verweer van de verdediging – voor het eerst naar voren gebracht op de terechtzitting van 28 januari 2026 – dat de verdachte op 11 oktober 2019 na de sprong van het afdak bloedende handen had – onder het tonen van een verder niet te verifiëren foto van bebloede handen – en dat daaruit kan worden geconcludeerd dat verdachte niet heeft geduwd nu er geen bloed op de kleren van het slachtoffer zat, passeert de rechtbank, nu de rechtbank uitgaat van de juistheid van de verklaring van aangever en voornoemde getuige als het gaat om het duwen van het slachtoffer door verdachte, ten gevolge waarvan het slachtoffer gevallen is. Causaal verband tussen de mishandeling en de dood van [slachtoffer] De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze mishandeling – in strafrechtelijke zin – de dood van slachtoffer [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad. Voor een bewezenverklaring is vereist dat een causaal verband wordt vastgesteld tussen de gedraging van de verdachte en het tenlastegelegde gevolg. De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of een causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verrichte gedraging en het tenlastegelegde gevolg, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of dit gevolg redelijkerwijs als gevolg van de gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er naar aanleiding van de gebroken heup op 12 oktober 2018 een noodzakelijke operatie heeft plaatsgevonden om de heupfractuur te zetten met schroeven. Uit de bevindingen van de forensisch arts blijkt dat het 3.3.4 Bezitten cocaïne en heroïne (feit 2 in de zaak 03.040244.20) De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 februari 2019 opzettelijk 12,5 gram cocaïne en 4,6 gram heroïne aanwezig heeft gehad. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin Sv, omdat de verdachte het feit tijdens het verhoor bij de politie duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. - het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2019; - de kennisgeving van inbeslagneming van 28 februari 2019; - het rapport van het NFI van 26 april 2019; - het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2019. 3.3.5 Bezitten hasj en hennep (feit 3 in de zaak 03.040244.20) De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 februari 2019 12,5 gram hasj en 0,5 gram hennep aanwezig heeft gehad. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin Sv, omdat de verdachte het feit tijdens het verhoor bij de politie duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. - het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2019; - de kennisgeving van inbeslagneming van 25 april 2019; - het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2019. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte In de zaak 03.028638.19 feit 1 primair: op 11 oktober 2018 te Heerlen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te duwen waardoor hij ten val is gekomen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad; In de zaak 03.196741.19: op 15 augustus 2019 te Roermond, een auto (Audi SQ5 voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; In de zaak 03.040244.20 feit 2: op 27 februari 2019 in de gemeente Heerlen opzettelijk aanwezig heeft gehad 12,5 gram cocaïne en 4,6 gram heroïne, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; In de zaak 03.040244.20 feit 3: op 27 februari 2019 in de gemeente Heerlen aanwezig heeft gehad 12,5 gram hasjiesj en 0,5 gram hennep, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: In de zaak 03.028638.19 feit 1 primair: mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft; In de zaak 03.196741.19: opzetheling; In de zaak 03.040244.20 feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; In de zaak 03.040244.20 feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van 7 dagen met aftrek van het voorarrest (van 7 dagen). 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten zou komen, geschaard achter de eis van de officier van justitie gelet op de strafdoelen preventie en vergelding, maar ook rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte geleerd heeft van zijn detentie in Duitsland. Hi De rechtbank zal tot slot een tenuitvoerleggingsadvies als bedoeld in artikel 6:1:1 Sv geven, inhoudende dat de opgelegde taakstraf en het toezicht wordt overgedragen naar de Duitse reclassering zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 22 december 2023, nu de verdachte daar al onder toezicht staat en hij momenteel ook in Duitsland woont. 7 Het beslag Onder de verdachte is in beslag genomen in de zaak 03.040244.20: - 25 EUR (IBN28-02-2019, goednummer PL2300-2019031259-1171591) Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het geld dient te woorden teruggegeven aan de beslagene, zijnde de verdachte. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 9 De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 1 in de zaak 03.040244.20; Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen , waarvan 173 dagen voorwaardelijk ; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; Taakstraf veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren ; beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen; Geen straf of maatregel - geeft voor feit 3 in de zaak 03.040244.20 toepassing aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepaalt dat daarvoor geen straf of maatregel wordt opgelegd; Beslag - gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp in de zaak 03.040244.20 aan de verdachte: 25 EUR (IBN28-02-2019, goednummer PL2300-2019031259-1171591); Advies omtrent de tenuitvoerlegging - adviseert Onze Minister om de taakstraf en het toezicht over te dragen aan de Duitse reclassering nu de veroordeelde daar al onder toezicht staat en in Duitsland woonachtig is. Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. C.J.M. Brands en mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.R.G. Rebergen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2026. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat T.a.v. 03-028638-19 primair: hij op of omstreeks 11 oktober 2018 te Heerlen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te duwen waardoor hij ten val is gekomen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad; T.a.v. 03-028638-19 subsidiair: hij op of omstreeks 11 oktober 2018 te Heerlen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te duwen waardoor hij ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken heup ten gevolge heeft gehad; T.a.v. 03-196741-19: hij op of omstreeks 15 augustus 2019 te Roermond, althans in Nederland, een auto (Audi SQ5 voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; T.a.v. 03-040244-20 feit 1: hij op of omstreeks 27 februari 2019 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,