Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-18
ECLI:NL:RBLIM:2026:1411
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,970 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1411 text/xml public 2026-05-07T06:58:39 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-18 11804729 \ EZ VERZ 25-293 Uitspraak Beschikking NL Roermond Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0170 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0170 Notamail 2026/104 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1411 text/html public 2026-03-04T11:26:22 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1411 Rechtbank Limburg , 18-02-2026 / 11804729 \ EZ VERZ 25-293 Verlening van de termijnen van art. 4:74 lid 2 en lid 3 BW op grond van art. 4:77 BW. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rekestnummer: 11804729 \ EZ VERZ 25-293 Beschikking van 18 februari 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. L.J.J. van Wijk, tegen [verweerster] , te [plaats 2] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerster] , gemachtigde: mr. J.M.P. Schobbers-Deinum. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift d.d. 22 juli 2025 - het bericht van 23 september 2025 van de gemachtigde van [verweerster] - het gewijzigde c.q. aanvullende verzoek d.d. 6 november 2025 - het verweerschrift. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op [datum 1] 2025 is te [plaats 3] overleden de heer [erflater] , geboren te [plaats 4] op [datum 2] 1952, hierna te noemen erflater. Zijn laatste woonplaats was in [plaats 3] . Ten tijde van zijn overlijden was erflater ongehuwd en niet geregistreerd als partner. Wel woonde hij samen met mevrouw [persoon] . 2.2. Uit een eerdere relatie van erflater zijn (in 1978) [verweerster] en (in 1981) [verzoeker] geboren. 2.3. Bij testament heeft erflater [verweerster] tot zijn enig erfgenaam benoemd. Op 24 februari 2025 heeft [verweerster] de nalatenschap beneficiair aanvaard. 2.4. In het testament is [verweerster] ook tot executeur benoemd, welke benoeming zij heeft aanvaard. Zij heeft in die hoedanigheid ook verklaard dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. 2.5. Erflater heeft in zijn testament aan [verzoeker] een geldbedrag gelegateerd (kort gezegd) gelijk aan zijn legitieme portie. Daarbij is bepaald dat “ het legaat wordt uitgekeerd in vijf (5) gelijke jaarlijkse termijnen waarvan de eerste termijn uitgekeerd dient te worden binnen zes maanden na mijn overlijden en de volgende termijnen telkens één jaar daarna. Hieraan ligt ten grondslag dat zonder dit legaat en zonder de uitkering in termijnen de voortzetting van de onderneming (..) [bedrijf] B.V. (..) in ernstige mate bemoeilijkt zou worden ”. 2.6. De belastingadviseur van erflater heeft het totale vermogen van erflater berekend op € 1.639.945,00. 2.7. Onder meer bij brief van 28 mei 2025 heeft [verzoeker] om volledige inzage in de financiële gegevens van erflater en zijn bedrijf gevraagd. 3 Het verzoek 3.1. Na wijziging van het oorspronkelijke verzoek, verzoekt [verzoeker] op basis van artikel 4:77 BW de termijn van artikel 4:74 lid 2 en lid 3 BW te verlengen met een termijn van vijftien maanden te rekenen vanaf de dag van overlijden, tot 6 juli 2026. 3.2. [verzoeker] voert daarvoor aan dat hij slechts met veel moeite beperkte informatie heeft gekregen van [verweerster] en/of de belastingadviseur van zijn vader. De ontvangen stukken en informatie zijn niet volledig. Er ontbreekt nog steeds een boedelomschrijving met onderliggende stukken, evenals de aangifte inkomstenbelasting 2025 (voor zover ingediend), de bankafschriften van de Rabobank 2020 en 2021, de opgave van de (levens)verzekeringen, de aangifte erfbelasting (voor zover ingediend) en taxatierapporten met betrekking tot de onroerende zaken. Verlenging van de termijn is noodzakelijk om voldoende overzicht te krijgen van de omvang en samenstelling van de nalatenschap. De verstrekte stukken zijn nog onvoldoende om de hoogte van zijn vordering te berekenen. In het verlengde daarvan kan ook nog niet bepaald worden of bij een uitbetaling van de contante waarde van het legaat ineens, de continuïteit van de onderneming bemoeilijkt wordt. Ook voor welk bedrag [verweerster] zekerheid dient te stellen kan nog niet berekend worden. 4 De beoordeling 4.1. Tot de nalatenschap behoort een onderneming. Erflater heeft in zijn testament bepaald dat het gelegateerde geldbedrag in termijnen dient te worden uitgekeerd, om te voorkomen dat de voortzetting van zijn onderneming in ernstige mate wordt bemoeilijkt. Artikel 4:74 lid 1 BW bepaalt dat als in zo een situatie de legitimaris een dergelijk legaat verwerpt, dat in mindering komt van zijn legitieme portie. Lid 2 van dat artikel bepaalt echter dat indien de voortzetting niet ernstig bemoeilijkt wordt, de legataris kan verklaren dat hij de contante waarde ineens verlangt. In dat geval kan de rechter de verbintenis uit het legaat in die zin wijzigen. Lid 3 van voornoemd artikel geeft de mogelijkheid aan de legataris om de kantonrechter te verzoeken te bevelen dat de met het legaat belaste persoon zekerheid stelt. Beide leden bepalen dat een dergelijke verklaring c.q. verzoek binnen die maanden na het overlijden van de erflater dient te gebeuren. 4.2. Erflater is overleden op [datum 1] 2025, zodat die drie maandstermijn van artikel 4:74 lid 2 en 3 reeds is geëindigd op 6 april 2025, dus voordat het oorspronkelijke verzoek werd ingediend. Artikel 4:77 BW maakt het echter mogelijk om voornoemde termijn van drie maanden te verlengen nadat die termijn al is verstreken, indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. 4.3. Naar het oordeel van de kantonrechter doen zich die omstandigheden hier voor: er is een slecht contact tussen [verweerster] en [verzoeker] . Het opvragen van informatie bij haar heeft nog niet alle stukken die [verzoeker] nodig heeft om zijn legaat te kunnen berekenen opgeleverd. De notaris heeft [verzoeker] niet gewezen op de voor hem als legitimaris van belang zijnde termijn van drie maanden, hetgeen wel van die notaris verwacht had mogen worden. Al deze door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden zijn niet door [verweerster] tegengesproken, zodat zij vaststaan. 4.4. [verzoeker] heeft als legitimaris recht op deugdelijk onderbouwde informatie, om daarmee zijn rechtspositie goed te kunnen bepalen. Het is de taak van [verweerster] als executeur om die informatie volledig te verstrekken. Omdat zij dit nalaat heeft [verzoeker] juridische hulp moeten inschakelen om zijn belangen goed te behartigen. 4.5. [verweerster] heeft middels tussenkomst van haar gemachtigde aangegeven geen inhoudelijk verweer te voeren en zich te refereren aan het oordeel van de kantonrechter. In verband daarmee heeft de kantonrechter geen mondelinge behandeling gehouden. Gelet op vorenstaande, zal de kantonrechter bij gebreke van enig verweer het verzoek toewijzen. 4.6. Dat geldt ook voor de verzochte verlenging van vijftien maanden tot 6 juli 2026. Hoewel dit een veel ruimere termijn is dan drie maanden, heeft [verzoeker] aangegeven dat die ruime termijn nodig is omdat hij inschat dat [verweerster] niet vrijwillig zal overgaan tot het verstrekken van de relevante stukken en informatie en mogelijk afgifte daarvan in rechte nodig zal zijn. Ook dat heeft [verweerster] niet tegengesproken. Mede gelet op het feit dat artikel 4:77 BW meermaals een verlenging toestaat, beslist de kantonrechter als volgt. 4.7. Gelet op de familierelatie zullen de proceskosten worden gecompenseerd. 5. De beslissing De kantonrechter 5.1. verlengt de in artikel 4:74 lid 2 en lid 3 BW genoemde termijnen met vijftien maanden, tot 6 juli 2026, 5.2. compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij zijn eigen kosten betaalt en 5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1411 text/xml public 2026-05-07T06:58:39 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-18 11804729 \ EZ VERZ 25-293 Uitspraak Beschikking NL Roermond Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0170 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0170 Notamail 2026/104 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1411 text/html public 2026-03-04T11:26:22 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1411 Rechtbank Limburg , 18-02-2026 / 11804729 \ EZ VERZ 25-293 Verlening van de termijnen van art. 4:74 lid 2 en lid 3 BW op grond van art. 4:77 BW. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rekestnummer: 11804729 \ EZ VERZ 25-293 Beschikking van 18 februari 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. L.J.J. van Wijk, tegen [verweerster] , te [plaats 2] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerster] , gemachtigde: mr. J.M.P. Schobbers-Deinum. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift d.d. 22 juli 2025 - het bericht van 23 september 2025 van de gemachtigde van [verweerster] - het gewijzigde c.q. aanvullende verzoek d.d. 6 november 2025 - het verweerschrift. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op [datum 1] 2025 is te [plaats 3] overleden de heer [erflater] , geboren te [plaats 4] op [datum 2] 1952, hierna te noemen erflater. Zijn laatste woonplaats was in [plaats 3] . Ten tijde van zijn overlijden was erflater ongehuwd en niet geregistreerd als partner. Wel woonde hij samen met mevrouw [persoon] . 2.2. Uit een eerdere relatie van erflater zijn (in 1978) [verweerster] en (in 1981) [verzoeker] geboren. 2.3. Bij testament heeft erflater [verweerster] tot zijn enig erfgenaam benoemd. Op 24 februari 2025 heeft [verweerster] de nalatenschap beneficiair aanvaard. 2.4. In het testament is [verweerster] ook tot executeur benoemd, welke benoeming zij heeft aanvaard. Zij heeft in die hoedanigheid ook verklaard dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. 2.5. Erflater heeft in zijn testament aan [verzoeker] een geldbedrag gelegateerd (kort gezegd) gelijk aan zijn legitieme portie. Daarbij is bepaald dat “ het legaat wordt uitgekeerd in vijf (5) gelijke jaarlijkse termijnen waarvan de eerste termijn uitgekeerd dient te worden binnen zes maanden na mijn overlijden en de volgende termijnen telkens één jaar daarna. Hieraan ligt ten grondslag dat zonder dit legaat en zonder de uitkering in termijnen de voortzetting van de onderneming (..) [bedrijf] B.V. (..) in ernstige mate bemoeilijkt zou worden ”. 2.6. De belastingadviseur van erflater heeft het totale vermogen van erflater berekend op € 1.639.945,00. 2.7. Onder meer bij brief van 28 mei 2025 heeft [verzoeker] om volledige inzage in de financiële gegevens van erflater en zijn bedrijf gevraagd. 3 Het verzoek 3.1. Na wijziging van het oorspronkelijke verzoek, verzoekt [verzoeker] op basis van artikel 4:77 BW de termijn van artikel 4:74 lid 2 en lid 3 BW te verlengen met een termijn van vijftien maanden te rekenen vanaf de dag van overlijden, tot 6 juli 2026. 3.2. [verzoeker] voert daarvoor aan dat hij slechts met veel moeite beperkte informatie heeft gekregen van [verweerster] en/of de belastingadviseur van zijn vader. De ontvangen stukken en informatie zijn niet volledig. Er ontbreekt nog steeds een boedelomschrijving met onderliggende stukken, evenals de aangifte inkomstenbelasting 2025 (voor zover ingediend), de bankafschriften van de Rabobank 2020 en 2021, de opgave van de (levens)verzekeringen, de aangifte erfbelasting (voor zover ingediend) en taxatierapporten met betrekking tot de onroerende zaken. Verlenging van de termijn is noodzakelijk om voldoende overzicht te krijgen van de omvang en samenstelling van de nalatenschap. De verstrekte stukken zijn nog onvoldoende om de hoogte van zijn vordering te berekenen. In het verlengde daarvan kan ook nog niet bepaald worden of bij een uitbetaling van de contante waarde van het legaat ineens, de continuïteit van de onderneming bemoeilijkt wordt. Ook voor welk bedrag [verweerster] zekerheid dient te stellen kan nog niet berekend worden. 4 De beoordeling 4.1. Tot de nalatenschap behoort een onderneming. Erflater heeft in zijn testament bepaald dat het gelegateerde geldbedrag in termijnen dient te worden uitgekeerd, om te voorkomen dat de voortzetting van zijn onderneming in ernstige mate wordt bemoeilijkt. Artikel 4:74 lid 1 BW bepaalt dat als in zo een situatie de legitimaris een dergelijk legaat verwerpt, dat in mindering komt van zijn legitieme portie. Lid 2 van dat artikel bepaalt echter dat indien de voortzetting niet ernstig bemoeilijkt wordt, de legataris kan verklaren dat hij de contante waarde ineens verlangt. In dat geval kan de rechter de verbintenis uit het legaat in die zin wijzigen. Lid 3 van voornoemd artikel geeft de mogelijkheid aan de legataris om de kantonrechter te verzoeken te bevelen dat de met het legaat belaste persoon zekerheid stelt. Beide leden bepalen dat een dergelijke verklaring c.q. verzoek binnen die maanden na het overlijden van de erflater dient te gebeuren. 4.2. Erflater is overleden op [datum 1] 2025, zodat die drie maandstermijn van artikel 4:74 lid 2 en 3 reeds is geëindigd op 6 april 2025, dus voordat het oorspronkelijke verzoek werd ingediend. Artikel 4:77 BW maakt het echter mogelijk om voornoemde termijn van drie maanden te verlengen nadat die termijn al is verstreken, indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. 4.3. Naar het oordeel van de kantonrechter doen zich die omstandigheden hier voor: er is een slecht contact tussen [verweerster] en [verzoeker] . Het opvragen van informatie bij haar heeft nog niet alle stukken die [verzoeker] nodig heeft om zijn legaat te kunnen berekenen opgeleverd. De notaris heeft [verzoeker] niet gewezen op de voor hem als legitimaris van belang zijnde termijn van drie maanden, hetgeen wel van die notaris verwacht had mogen worden. Al deze door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden zijn niet door [verweerster] tegengesproken, zodat zij vaststaan. 4.4. [verzoeker] heeft als legitimaris recht op deugdelijk onderbouwde informatie, om daarmee zijn rechtspositie goed te kunnen bepalen. Het is de taak van [verweerster] als executeur om die informatie volledig te verstrekken. Omdat zij dit nalaat heeft [verzoeker] juridische hulp moeten inschakelen om zijn belangen goed te behartigen. 4.5. [verweerster] heeft middels tussenkomst van haar gemachtigde aangegeven geen inhoudelijk verweer te voeren en zich te refereren aan het oordeel van de kantonrechter. In verband daarmee heeft de kantonrechter geen mondelinge behandeling gehouden. Gelet op vorenstaande, zal de kantonrechter bij gebreke van enig verweer het verzoek toewijzen. 4.6. Dat geldt ook voor de verzochte verlenging van vijftien maanden tot 6 juli 2026. Hoewel dit een veel ruimere termijn is dan drie maanden, heeft [verzoeker] aangegeven dat die ruime termijn nodig is omdat hij inschat dat [verweerster] niet vrijwillig zal overgaan tot het verstrekken van de relevante stukken en informatie en mogelijk afgifte daarvan in rechte nodig zal zijn. Ook dat heeft [verweerster] niet tegengesproken. Mede gelet op het feit dat artikel 4:77 BW meermaals een verlenging toestaat, beslist de kantonrechter als volgt. 4.7. Gelet op de familierelatie zullen de proceskosten worden gecompenseerd. 5. De beslissing De kantonrechter 5.1. verlengt de in artikel 4:74 lid 2 en lid 3 BW genoemde termijnen met vijftien maanden, tot 6 juli 2026, 5.2. compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij zijn eigen kosten betaalt en 5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.