Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-12
ECLI:NL:RBLIM:2026:1392
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
2,024 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:1392 text/xml public 2026-02-20T14:49:39 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-12 12000423 \ AZ VERZ 25-131 Uitspraak Beschikking NL Roermond Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1392 text/html public 2026-02-20T12:16:41 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1392 Rechtbank Limburg , 12-02-2026 / 12000423 \ AZ VERZ 25-131 Werkgever wordt veroordeeld tot medewerking aan beeindiging dienstverband met langdurig arbeidsongeschikte werkenemer. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rekestnummer: 12000423 \ AZ VERZ 25-131 Beschikking van 12 februari 2026 in de zaak van [werknemer] , wonende te [plaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. P.J.E. Fleurkens (ARAG SE), tegen [werkgever] BV , gevestigd te [plaats 2] en kantoorhoudende te [plaats 1] , verwerende partij, hierna te noemen: [werkgever] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - de mondelinge behandeling van 12 februari 2026 - de door mr. Fleurkens overgelegde kopie van het exploot van oproeping van 19 januari 2026. 1.2. De beschikking is vervolgens bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op basis van de onweersproken stellingen van [werknemer] gaat de kantonrechter uit van de volgende feiten. 2.2. [werknemer] , geboren op [datum] 1960, is sinds 10 september 2014 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is allround constructiebankwerker/lasser tegen een salaris van € 3.925,25 bruto per maand, inclusief vakantiegeld. 2.3. [werknemer] heeft zich op 5 juli 2022 ziekgemeld. Na einde wachttijd werd aan [werkgever] een loonsanctie opgelegd wegens het niet voldoende naleven van de re-integratieverplichtingen. Per 28 juli 2025 eindigde de loondoorbetalingsverplichting van [werkgever] . 2.4. [werknemer] is nog steeds arbeidsongeschikt en kan zijn eigen functie niet langer uitvoeren. Aanpassing is niet mogelijk en passende werkzaamheden zijn niet aanwezig binnen de onderneming van [werkgever] . Hierin valt binnen 26 weken geen verandering te verwachten. [werknemer] ontvangt vanaf 28 juli 2025 een WIA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. 3 Het verzoek 3.1. [werknemer] verzoekt de kantonrechter om [werkgever] te veroordelen: om binnen 7 dagen na betekening van deze beschikking mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat [werkgever] nalatig is aan deze veroordeling te voldoen; tot betaling van een (schade)vergoeding van € 14.242,62 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2025; tot betaling van het tegoed aan verlofuren van € 5.996,53 bruto inclusief vakantiegeld én € 178,07 bruto vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te bepalen op 10% voor zover betaling niet plaatsvindt binnen 14 dagen na datum van deze beschikking; om binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking aan [werknemer] een bruto/netto specificatie van de onder b) en c) genoemde bedragen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag dat [werkgever] met verstrekking van die specificaties in gebreke blijft; tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 979,17; in de kosten van deze procedure; tot betaling van de nakosten. 3.2. [werknemer] voert het volgende aan. Op 1 augustus 2025 heeft [werknemer] aan [werkgever] gevraagd om de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid te beëindigen met wederzijds goedvinden, onder betaling van een correcte eindafrekening en de wettelijke transitievergoeding van € 14.242,62 bruto. Aangezien een reactie uitbleef, heeft [werknemer] [werkgever] op respectievelijk 12 augustus 2025, 19 augustus 2025 en 19 september 2025 nogmaals aangeschreven. [werkgever] heeft op geen enkele brief gereageerd. [werknemer] is van mening dat [werkgever] uit hoofde van goed werkgeverschap gehouden is mee te werken aan een beëindiging met wederzijds goedvinden en daarbij een vergoeding te betalen gelijk aan de wettelijke transitievergoeding verschuldigd per eerst mogelijke einddatum na afloop van de loondoorbetalingsplicht, en daarnaast zorg te dragen voor een correcte financiële afwikkeling van het dienstverband. [werknemer] verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1734). 3.3. [werkgever] heeft geen verweer gevoerd en is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 3.4. Op de stellingen van [werknemer] wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat [werkgever] behoorlijk is opgeroepen. De gemachtigde van [werknemer] heeft een kopie van het oproepingsexploot overgelegd waaruit blijkt dat op 19 januari 2026 een afschrift van het verzoekschrift aan het adres van [werkgever] is achtergelaten door overhandiging van het verzoekschrift aan de heer [naam], aldaar werkzaam, en dat [werkgever] is opgeroepen om op de mondelinge behandeling van 29 januari 2026 te verschijnen. 4.2. Tijdens de mondelinge behandeling waren genoemde heer [naam] evenals mevrouw [naam] aanwezig, beiden werknemers van [werkgever] . Zij verklaarden echter geen bestuurder te zijn en beschikten ook niet over een volmacht van [werkgever] om haar in rechte te vertegenwoordigen. Dit heeft tot gevolg dat [werkgever] niet is verschenen in deze procedure. De omstandigheid dat zij niet verschenen is, komt voor haar risico. De kantonrechter zal tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek overgaan. 4.3. Op grond van de onweersproken stellingen van [werknemer] komt de kantonrechter tot het oordeel dat [werkgever] gehouden is om in te stemmen met het beëindigingsverzoek van [werknemer] onder toekenning van een schadevergoeding gelijk aan de transitievergoeding. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de veroordeling om mee te werken aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst een dwangsom te verbinden. [werknemer] kan de arbeidsovereenkomst immers ook zelf opzeggen. Een opzegging door [werknemer] laat onverlet dat hij recht heeft op de schadevergoeding, waartoe [werkgever] wordt veroordeeld. 4.4. De overige verzoeken van [werknemer] komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, en zullen daarom worden toegewezen. De kantonrechter ziet wel aanleiding om aan de verzochte dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [werkgever] geen bruto/netto specificatie verstrekt, een maximum te verbinden van € 2.500,00. 4.5. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.453,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [werkgever] om binnen 7 dagen na betekening van deze beschikking mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, 5.2. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een (schade)vergoeding te betalen van € 14.242,62 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2025 tot de dag van de gehele betaling, 5.3. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het tegoed aan verlofuren ad € 5.996,53 bruto inclusief vakantiegeld, én € 178,07 bruto vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met de wettelijke verhoging - vastgesteld op 10% - voor zover betaling niet plaatsvindt binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking, 5.4. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking een bruto/netto-specificatie van de onder 5.2. en 5.3. genoemde bedragen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [werkgever] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 2.500,00, 5.5.