Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-01-28
ECLI:NL:RBLIM:2026:1287
vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/335020 / HA ZA 24-445 Vonnis van 28 januari 2026 in de zaak van de stichting STICHTING EIERKARTELSCHADE , gevestigd te Amsterdam , eiseres, advocaat mr. S. Tuinenga ; tegen: 1. de stichting STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR WULRO FOOD GROUP , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WULMS EGG GROUP B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EIPRODUKTEN WULRO B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VASTE ACTIVA LIQUID B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VASTE ACTIVA POWDER B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WULRO INTERNATIONAL B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DUTCH EGG POWDER SOLUTIONS B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MARPRO B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 10 [gedaagde 10] , wonende te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 11 [gedaagde 11] , wonende te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO BEHEER B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO EGG GROUP B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO EGG PRODUCTS B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO SERVICES B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEKO EIPRODUKTEN B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEKO EGG TRADING B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO TRADING B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEKO FOOD INTERNATIONAL B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. NEDERLANDSE INDUSTRIE VAN EIPRODUKTEN , gevestigd te Nunspeet , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OVOTECH B.V. , gevestigd te Beek, gemeente Montferland , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PAP EGGS B.V. , gevestigd te Nunspeet , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 23] B.V. , gevestigd te [plaats 2] , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 24 [gedaagde 24] , wonende te [plaats 3] , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 25 [gedaagde 25] , wonende te [plaats 4] , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 26] B.V., gevestigd te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 27. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 27] B.V. gevestigd te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 28. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GLOBAL INTEGRA B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. J.A. v De ACM heeft het bezwaar bij besluit van 27 oktober 2023 (besluit 1) ongegrond verklaard, behalve het bezwaar van Eiprodukten Wulro B.V. (gedaagde sub 3), Wulms Egg Group B.V. (gedaagde sub 2) en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group (gedaagde sub 1) voor zover dit zag op de hoogte van de opgelegde boete en de openbaarmaking ervan (dagvaarding, productie 2). De ACM heeft de aan laatstgenoemde partijen opgelegde boete met tien procent neerwaarts bijgesteld. Bij besluit van 9 november 2023 (besluit 2) heeft de ACM besloten om ook het bestreden besluit 1 te publiceren. 2.8. Vervolgens hebben de beboete vennootschappen beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, sector Bestuursrecht. De rechtbank heeft op 8 januari 2025 uitspraak gedaan. In die uitspraak is besluit 1 vernietigd voor zover dat ziet op de hoogte van de opgelegde boetes en op de publicatie van de boetebedragen en de onderbouwing daarvan. De totale boetebedragen die aan de ACM moeten worden voldaan zijn door de rechtbank voor de drie groepen van vennootschappen bepaald op respectievelijk € 7.655.000,--, € 15.736.500, en € 995.000,--. Verder heeft de rechtbank Rotterdam bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van besluit 1. Besluit 2 is door de rechtbank vernietigd voor zover dat ziet op de publicatie van de bij besluit 1 vastgestelde boetebedragen en de onderbouwing daarvan, alsmede voor zover daarin gegevens niet onleesbaar zijn gemaakt met inachtneming van de punten 12.6, 12.7 en 12.8 van een uitspraak van een voorzieningenrechter van 12 februari 2024. 2.9. Van deze uitspraak is door de beboete vennootschappen hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (verder te noemen: CBb). Deze heeft tot op heden nog geen uitspraak gedaan. 2.10. De leghennenhouders die zich hebben verenigd in de Stichting , hebben hun beweerde vorderingen op Wulro c.s. strekkende tot vergoeding van de schade die zij door de gestelde kartelvorming hebben geleden op de voet van artikel 3:94 lid 3 BW door middel van een onderhandse akte (stil) gecedeerd aan de Stichting . De afzonderlijke cessieovereenkomsten zijn, op diverse momenten, ter registratie aangeboden aan de Belastingdienst, afdeling Centrale administratieve processen, kantoor Rotterdam, laatstelijk op 19 juni 2025. 2.11. De Stichting heeft Wulro c.s. bij brieven van 29 april 2024 aansprakelijk gesteld voor de schade die de leghennenhouders hebben geleden als gevolg van het (gestelde) kartel (dagvaarding, productie 3). Daarbij is medegedeeld dat een groot aantal leghennenhouders (“ruim meer dan 100”) hun vorderingen tot schadevergoeding aan de Stichting hebben gecedeerd. De identiteit van de cederende leghennenhouders is daarbij niet bekend gemaakt 2.12. Door de leghennenhouders die hun beweerde vorderingen hebben gecedeerd aan de Stichting is telkens met de Stichting een gelijkluidende cessieovereenkomst gesloten, die – voor zover in het kader van dit geschil van belang – als volgt luidt: “(…) OVERWEGINGEN (A) De Autoriteit Consument en Markt (" ACM ") heeft op 22 december 2022 boetes opgelegd aan de ondernemingen Wulro , Interovo en Global1 ("de Kartellisten ") vanwege het maken van verboden afspraken met betrekking tot de inkoop van industrie-eieren. Deze afspraken omvatten onder andere overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen over de inkoopprijs van eieren van leghennenhouders, het verdelen van leveranciers en het uitwisselen van concurrentiegevoelige informatie (de " Kartels "). De Kartels duurden ten minste van 13 april 2015 tot en met 1 maart 2016 (tussen Wulro en Interovo ) en 1 maart 2016 en 1 augustus 2019 (tussen Wulro en Global) (de " Kartelperiode ”), waarbij de verboden afspraken in ieder geval effect hadden op de markt in Nederland, België en Noordwest-Duitsland. (B) De Leghennenhouder is gevestigd in Nederland of België en heeft eieren verkocht in de Kartelperiode . De Leghennenhouder heeft schade geleden als gevolg va Deze uitsluiting en vrijwaring gelden eveneens voor de eventuele hulppersonen en ondergeschikten die door de Stichting bij deze Overeenkomst of de uitvoering daarvan betrokken zijn. (…)” 2.13. De in de cessieovereenkomst onder (A) vermelde voetnoot 1 luidt als volgt: “ Interovo : Weko Egg Trading B.V., Interovo Services B.V., Interovo Egg Group B.V., en Interovo Beheer B.V. Wulro : Eiprodukten Wulro B.V., Wulms Egg Group B.V. en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group Global: Global Food Group B.V., Global Food Holding B.V en [gedaagde 26] B.V.” 2.14. De cessieovereenkomsten zijn door de Stichting (als productie 10) bij dagvaarding in het geding gebracht. De namen van de cederende leghennenhouders zijn in die producties weggelakt. Ten aanzien van twee gecedeerde vorderingen , te weten die van - [V.O.F.] en [persoon 1] (eveneens een vennootschap onder firma), beiden gevestigd te [plaats 5] (Nederland), aan [adres 1] en - [persoon 2] en [persoon 3] , te [plaats 6] (België), aan [adres 2] , is de identiteit door de Stichting bekend gemaakt in haar antwoordakte naar aanleiding van de rolbeschikking van 8 januari 2025. 3 Het geschil Het geschil is in de rolbeschikking verkort weergegeven in nummer 2.1. In de ‘akte n.a.v. rolbeschikking d.d. 8 januari 2025, tevens vermeerdering van eis’ alsmede in de ‘akte producties ten behoeve van de mondelinge behandeling, tevens akte eiswijziging’ heeft de Stichting het petitum aldus gewijzigd dat zij ten aanzien van twee leghennenhouders (met de cessieakten nummer 4 en 14) de vordering tot schadevergoeding intrekt en dat zij ten aanzien van vijf leghennenhouder (met de cessieakten nummers 111, 112, 113, 114 en 115), die hun vorderingen tot schadevergoeding na het uitbrengen van de dagvaarding aan de Stichting hebben overgedragen, alsnog een vordering instelt. 4 De verdere beoordeling Inleidende opmerkingen 4.1. In de rolbeschikking van 8 januari 2025 heeft de rechtbank (onder r.o. 3.3.) overwogen dat het wenselijk is dat door de rechtbank op een aantal punten van procedurele aard beslissingen worden genomen, voordat er een inhoudelijke voortzetting van het debat plaatsvindt. Deze punten betroffen: - de incidentele vordering van gedaagden tot aanhouding van de zaak, in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het CBb; - de incidentele vordering van de Stichting tot inzage; - de inningsbevoegdheid van de Stichting op grond van de stille cessie dan wel lastgeving, waarbij mede een rol speelt de belangen die ieder der partijen heeft bij het al dan niet bekend worden van de identiteit van de leghennenhouders die hun vorderingen aan de Stichting hebben gecedeerd; 4.2. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich in de aktewisseling omtrent deze punten uit te laten. Buiten genoemde geschilpunten is van de zijde van Wulro c.s. in de aktewisseling het verweer gevoerd dat de cederende leghennenhouders blijkens de tekst van de cessieakten slechts vorderingen op de beboete vennootschappen aan de Stichting hebben overgedragen, zodat de vorderingen ten aanzien van alle overige gedaagden moeten worden afgewezen. 4.3. De rechtbank zal in dit vonnis slechts een beslissing nemen ten aanzien van de hiervoor (in 4.1. en 4.2.) genoemde onderwerpen. Dat betekent dat op eventuele andere geschilpunten die partijen in hun aktewisseling hebben opgeworpen, pas in een later vonnis zal worden beslist. 4.4. De rechtbank dient, alvorens zij kan toekomen aan de beoordeling van bedoelde procedurele punten te beoordelen of zij rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is, aangezien het geschil een internationaal aspect heeft in verband met de vestigingsplaats van in ieder geval één leghennenhouder (maar waarschijnlijk meerdere leghennenhouders) in het buitenland. De bevoegdheid van de rechtbank 4.5. In de inleidende dagvaarding heeft de Stichting gesteld dat de rechtbank bevoegd is op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parleme Uit het gestelde in randnummer 227 van de inleidende dagvaarding volgt dat de Stichting voor toepasselijkheid van Nederlands recht heeft gekozen. Dat brengt mee dat op de door de Stichting ingestelde vorderingen Nederlands recht van toepassing is. - het op de cessie toepasselijk recht 4.11. Ten aanzien van de (gepretendeerde) vorderingen die zijn gecedeerd door de Nederlandse leghennenhouders geldt dat de cessie van die vorderingen wordt beheerst door het Nederlandse recht, nu zowel de cedenten (in casu de leghennenhouders), de cessionaris (in casu de Stichting ) als de debiteuren (de gedaagden die door kartelvorming onrechtmatig hebben gehandeld) in Nederland zijn gevestigd. 4.12. Het nationaal recht dat van toepassing is op de cessies van de Belgische leghennenhouders wordt aangewezen door Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (verder te noemen: Rome I). Deze toepasselijkheid volgt uit de artikelen 1, 2 en 28 van Rome I. 4.13. Artikel 14 Rome I bevat een specifieke verwijzingsregel voor een cessie van vorderingen . Deze bepaling luidt als volgt: “1. De betrekkingen tussen cedent en cessionaris (…) worden beheerst door het recht dat ingevolge deze verordening op de tussen hen bestaande overeenkomst van toepassing is. 2. Het recht dat de gecedeerde of gesubrogeerde vordering beheerst, bepaalt de vraag of de vordering voor cessie of subrogatie vatbaar is alsmede de betrekkingen tussen cessionaris of subrogant en schuldenaar, de voorwaarden waaronder de cessie of subrogatie aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen en of de schuldenaar door betaling is bevrijd. 3. Het concept cessie in dit artikel omvat daadwerkelijke overdrachten van vorderingen , overdrachten van vorderingen tot zekerheid alsmede verpandingen en andere zekerheidsrechten op vorderingen .” 4.14. Uit deze bepaling volgt dat voor de beantwoording van de vraag welk recht van toepassing is op de cessie, moet worden onderscheiden tussen een aantal aspecten die aan de cessie zijn verbonden, te weten: (i) de overdraagbaarheid van de vordering, (ii) de verhouding tussen de cessionaris en de debiteur en (iii) de verhouding tussen cedent en cessionaris. 4.15. De vraag of de vordering overdraagbaar is, wordt blijkens artikel 14 lid 2 Rome I beheerst door het recht dat de gecedeerde vordering beheerst (het vorderingstatuut). In casu is dat, zoals hiervoor overwogen (rov. 4.10), ook ten aanzien van de door de Belgische leghennenhouders gecedeerde vorderingen het Nederlands recht. Op grond van artikel 14 lid 2 Rome I wordt ook de rechtsverhouding tussen de cessionaris (in casu de Stichting ) en de debiteur dan wel debiteuren (in casu de gedaagden die aansprakelijk zijn voor de kartelvorming), beheerst door het vorderingsstatuut c.q. het Nederlands recht. 4.16. Lid 1 van artikel 14 Rome I ziet op de verhouding tussen de cederende Belgische leghennenhouders en de Stichting . Volgens dat artikellid wordt die verhouding beheerst door het recht dat op grond van de verordening op de tussen hen bestaande cessieovereenkomst van toepassing is. Uit preambule 38 van Rome I volgt dat niet alleen de verbintenisrechtelijke verhouding tussen de cedent en cessionaris, maar ook de goederenrechtelijke aspecten van de verhouding tussen cedent en cessionaris door dit toepasselijke recht wordt beheerst. 4.17. Artikel 3 Rome I laat een rechtskeuze toe. Uit de cessieovereenkomsten betreffende in België gevestigde leghennenhouders die hun beweerde vorderingen op Wulro c.s. aan de Stichting hebben overgedragen, blijkt dat op die overeenkomsten Nederlands recht van toepassing is verklaard. De leghennenhouders als cedenten en de Stichting als cessionaris hebben rechtsgeldig kunnen kiezen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht op de cessieovereenkomsten. 4.18. De conclusie van het voorgaande is dat niet alleen op de cessies van de vorderingen van de Nederlandse leghennenh De beginselen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter er op toeziet dat een procedure voortvarend wordt afgehandeld en dat er binnen een redelijke termijn uitspraak wordt gedaan. Ook het beginsel van doeltreffendheid, zoals onder meer neergelegd in artikel 4 van Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 (hierna: de Kartelschaderichtlijn), brengt in mededingingszaken mee dat procedures niet onnodig mogen worden vertraagd, omdat dat afbreuk doet aan het recht van de benadeelden van kartelvorming om binnen een redelijke termijn een rechterlijk oordeel te krijgen over die kartelvorming en om de daaruit voortvloeide schade vergoed te krijgen. Als uitgangspunt heeft derhalve te gelden dat de Stichting (dan wel de benadeelden) er recht op en belang bij heeft dat onderhavige procedure niet onredelijk wordt vertraagd, zodat zij op korte termijn, nadat in de bestuursrechtelijke procedure onherroepelijk is beslist omtrent de boetebesluiten, in deze civielrechtelijke follow-on-procedure duidelijkheid verkrijgt omtrent de civielrechtelijke aansprakelijkheid van Wulro c.s. Het verzoek om aanhouding kan dan ook slechts worden toegewezen indien het belang dat Wulro c.s. daarbij hebben, zwaarder weegt dan voornoemd belang van de Stichting dan wel de benadeelden. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in casu geen sprake. 4.24. De enkele omstandigheid dat de boetebesluiten nog niet onherroepelijk zijn, is op zichzelf geen reden om onderhavige procedure aan te houden, zelfs niet indien de uiteindelijke beslechting van het geschil zou afhangen van de geldigheid van die boetebesluiten. Redengevend daarvoor is ten eerste dat de rechtbank Rotterdam de besluiten van de ACM naar de kern genomen in stand heeft gehouden. Hoewel de boetebesluiten momenteel nog geen formele rechtskracht hebben, moet de rechtbank in beginsel uitgaan van de juistheid van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en daarmee ook van de juistheid van de boetebesluiten (zie HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1700, NJ 1977/166, rov. 3.6). Anders dan door Wulro c.s. is betoogd, is het op grond van hetgeen Wulro c.s. hebben gesteld, niet evident dat de uitspraak van de rechtbank Rotterdam zal worden vernietigd en de boetebesluiten geen stand zullen houden. Er is in onderhavige procedure dus geen reden om op een eventuele vernietiging vooruit te lopen. Daarmee is op dit moment niet het oordeel gerechtvaardigd dat het doorprocederen voor de betrokkenen, waaronder de rechtbank, ineffectief is en nodeloos kostenverhogend, zodat Wulro c.s. om die reden belang zouden hebben bij de aanhouding. 4.25. De stelling van Wulro c.s. dat uit het Masterfoods-arrest zou volgen dat deze follow-on-procedure moet worden aangehouden totdat de boetebesluiten onherroepelijk zijn geworden, wordt verworpen. Het Hof van Justitie heeft in bedoeld arrest beslist dat de nationale rechter (als een met overheidsgezag beklede instantie van een lidstaat) zich moet onthouden van beslissingen die verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-Verdrag in gevaar kunnen brengen (rov. 49). Dit brengt onder meer mee dat, indien de beslechting van een geschil door de nationale rechter omtrent de geldigheid van overeenkomsten of gedragingen afhangt van de geldigheid van een beschikking van de Europese Commissie in het geval van parallelle procedures voor nationale en communautaire rechterlijke instanties, de nationale rechter de procedure moet schorsen totdat een definitieve beslissing is genomen door de communautaire rechterlijke instantie (rov. 57). In casu is sprake van een follow-on-procedure naar aanleiding van een boetebesluit van een nationale mededingingsautoriteit en niet van een beschikking van de Europese Commissie. Uit het Masterfoods-arrest, dat direct noch indirect van toepassing is op de verhouding tussen de nationale rechter en nationale mededingingsautoriteit, volgt dan ook geen verplichting om onderhavige zaak aan te houden. 4.26. Op dit moment ver De rechtbank zal hierna eerst de vraag behandelen met betrekking tot welke gedaagden door middel van de cessie een (gestelde) vordering aan de Stichting is overgedragen. Vervolgens zal aan de orde komen of de Stichting op grond van de cessies inningsbevoegd is geworden. - ten aanzien van de vraag welke vorderingen zijn overgedragen 4.32. Bij de beantwoording van de vraag ten aanzien van welke debiteuren op grond van de akte van cessie een vordering op de Stichting is gecedeerd, stelt de rechtbank het volgende voorop. De levering van een vordering op naam geschiedt ofwel bij een onderhandse akte met mededeling van de akte aan de schuldenaar (artikel 3:94 lid 1 BW) ofwel bij een authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de schuldenaar (artikel 3:94 lid 3 BW). Bij de uitleg van de akte van cessie komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan aan het uit art. 3:84 lid 2 voortvloeiende vereiste dat de cessieakte ten tijde van de cessie de te cederen vordering(en) in voldoende mate bepaalt (HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841, NJ 2020/33 m.nt. F.M.J. Verstijlen). Aan dit bepaaldheidsvereiste is volgens vaste rechtspraak voldaan als de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat (HR 14 oktober 1994; ECLI:NL:HR:1994:ZC1488, NJ 1995/447 m.nt. W.M. Kleijn). De bedoeling van de partijen bij de akte is voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste niet relevant, voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld. Of die bedoeling aan de hand van gegevens in de akte kan worden vastgesteld, berust op een waardering van de feiten. Gezien bovenstaande maatstaf is voor de beantwoording van de vraag of in onderhavige zaak behalve de vorderingen aan de beboete vennootschappen tevens vorderingen op de overige gedaagden zijn overgedragen, van belang of aan de hand van gegevens in de akte van cessie kan worden bepaald of de leghennenhouders naast vorderingen op de beboete vennootschappen ook vorderingen op andere (rechts)personen hebben overgedragen en zo ja, welke vorderingen dat betreft. 4.33. De vraag of partijen de bedoeling hebben gehad om aan de Stichting ook (gepretendeerde) vorderingen over te dragen op de gedaagden die niet door de ACM zijn beboet behoeft geen beantwoording. Ook indien de leghennenhouders en de Stichting die bedoeling hebben gehad - voor welk standpunt steun is te vinden in de tekst van de cessieovereenkomsten -, dan nog heeft te gelden dat partijen in de tekst van de akte, bij de definiëring van de vorderingen die worden overgedragen, uitsluitend vorderingen op de beboete vennootschappen in de definitie hebben opgenomen als de vorderingen die op de Stichting worden overgedragen. Daarmee zijn dus slechts de vorderingen op de beboete vennootschappen in voldoende mate bepaald als de vorderingen die worden overgedragen. De rechtbank komt op grond van onderstaande overwegingen tot dit oordeel. 4.34. In de cessieovereenkomsten is in de considerans (onder A) opgenomen dat de ACM op 22 december 2022 boetes heeft opgelegd aan de ondernemingen Wulro , Interovo en Global, welke vennootschappen in de considerans worden gedefinieerd als "de Kartellisten ". Volgens noot 1 van die overeenkomst moeten de “ Kartellisten ” nader worden omschreven als een groep bestaande uit de volgende ondernemingen: Interovo : Weko Egg Trading B.V., Interovo Services B.V., Interovo Egg Group B.V., en Interovo Beheer B.V.; Wulro : Eiprodukten Wulro B.V., Wulms Egg Group B.V. en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group ; Global: Global Food Group B.V., Global Food Holding B.V. Zij hebben vaak maar één of enkele afnemers, die allen behoren tot de ondernemingen van Wulro c.s. Indien de identiteit van de leghennenhouders bekend moet worden gemaakt, zullen Wulro c.s. hun sterkere onderhandelingspositie misbruiken om repercussies te nemen, hetgeen negatieve consequenties zal hebben voor de bedrijfsvoering van de leghennenhouders. Leghennenhouders die hun vordering hebben gecedeerd, zullen er dan ook voor kiezen om hun vordering in te trekken, indien zij hun naam bekend moeten maken. 4.39. Volgens de Stichting is het voor haar bevoegdheid om de vorderingen te innen, niet nodig dat (reeds thans) de identiteit van de cederende leghennenhouders aan Wulro c.s. bekend wordt gemaakt. Daartoe voert de Stichting aan dat door het opstellen en de registratie van de aktes van cessie een rechtsgeldige stille cessie heeft plaatsgevonden, die heeft geleid tot een overdracht van de gecedeerde vorderingen . Een mededeling van de cessie aan de debiteur is voor de geldigheid van de stille cessie niet vereist. De vorderingen zijn door de cessies tot het vermogen van de Stichting gaan behoren, zodat de Stichting als rechthebbende inningsbevoegd is (dagvaarding, 169). Indien een mededeling wel noodzakelijk zou worden geacht, dan kan die mededeling altijd nog in een later stadium van de procedure plaatsvinden. Dit doet niet af aan de inningsbevoegdheid voordat die mededeling is gedaan (akte na rolbeschikking Stichting , 78 e.v.) 4.40. Voort stelt de Stichting dat zij bovendien van de cessie mededeling heeft gedaan aan Wulro c.s. in haar brieven van 29 april 2024, zodat zij in ieder geval vanaf dat moment proces- dan wel inningsbevoegd is geworden (dagvaarding, 166; akte na rolbeschikking Stichting , 70 e.v.). Voor de geldigheid van de mededeling is niet vereist dat de namen van de cederende leghennenhouders aan Wulro c.s. worden bekend gemaakt. Mocht het zo zijn dat de Stichting , op grond van het daartoe gevoerde verweer van Wulro c.s., gehouden is om duidelijkheid te verschaffen omtrent haar inningsbevoegdheid, dan kan die duidelijkheid ook worden verschaft zonder de namen van de cedenten te noemen (dagvaarding, 170). Die duidelijkheid is in deze procedure ook daadwerkelijk verschaft, aldus de Stichting . De Stichting int immers de vorderingen tot schadevergoeding die de cedenten hebben op Wulro c.s. ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Wulro c.s. door inbreuken op het mededingingsrecht. Daarbij wordt ook per leghennenhouder gespecificeerd om welke type eieren het gaat, de hoeveelheid eieren en een indicatie van de vestigingsplaats. Daarmee is, zo begrijpt de rechtbank, voor Wulro c.s. voldoende duidelijk om welke vorderingen het in deze procedure gaat. 4.41. Verder voert de Stichting aan dat bij de beoordeling van de vraag of de Stichting mag procederen zonder de identiteit van de leghennenhouders bekend te maken in het kader van een belangenafweging, rekening moet worden gehouden met de effectiviteit van de handhaving van het mededingingsrecht. Onder meer het doeltreffendheidsbeginsel, dat volgt uit regels van Europees mededingingsrecht (zoals artikel 47 van het Handvest en de artikelen 3 en 4 van de Kartelschaderichtlijn), brengt mee dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat gedupeerden van een inbreuk op het mededingingsrecht effectief de mogelijkheid hebben om vergoeding van hun schade te vorderen. Lidstaten dienen er daarbij op grond van artikel 4 van de Kartelschaderichtlijn voor te zorgen dat alle nationale regels en procedures betreffende de uitoefening van schadeclaims zodanig ontworpen en toegepast worden dat zij de uitoefening van het Europese recht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken. Indien toepassing van nationaal (procedureel) recht ertoe leidt dat het uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk wordt gemaakt om schadevorderingen in te stellen, dan dient de nationale rechter dit nationaal recht en, zo ja, hoe groot die schade is. Ter bepaling van de inningsbevoegdheid is enkel van belang of de beweerde vorderingen correct zijn gecedeerd aan Wulro c.s. en of de identiteit van de cedenten aan Wulro c.s. dient te wordt medegedeeld voordat de Stichting bevoegd is de gecedeerde vorderingen in rechte te innen. 4.47. Hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de inningsbevoegdheid van de Stichting geldt ten aanzien van de cessies waarvan de namen van de cedenten nog niet aan Wulro c.s. zijn medegedeeld. Hieromtrent geldt het volgende. 4.48. Op grond van artikel 3:94 lid 3 BW kan een vordering op naam worden geleverd door een geregistreerde onderhandse akte. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van geldige onderhandse cessieakten alsmede van een registratie van die akten bij de belastingdienst. Voor zover die cessies zijn verricht door een beschikkingsbevoegde ( Wulro c.s. hebben gesteld dat zij op dit punt geen verweer kunnen voeren, omdat zij niet weten door wie de vorderingen feitelijk zijn overgedragen en daarmee ook niet kunnen bepalen of die persoon daartoe ten aanzien van de betreffende vordering bevoegd was), zijn de vorderingen aan de Stichting overgedragen. Die levering, en daarmee de overdracht, van de vorderingen heeft telkens plaatsgevonden op het moment van het registreren van de akte (HR 23 maart 2018; ECLI:NL:HR:2018:428). De overdracht heeft als gevolg dat de vordering niet langer deel uitmaakt van het vermogen van de cedent (in casu de leghennenhouder), maar dat zij is gaan behoren tot het vermogen van de cessionaris (in casu de Stichting ). Die goederenrechtelijke werking heeft de cessie vanaf het moment van de overdracht ook ten aanzien van de debiteur (in casu Wulro c.s.), ook indien er nog geen geldige mededeling van de cessie heeft plaatsgevonden. 4.49. In de tweede volzin van artikel 3:94 lid 3 BW is bepaald dat de cessie pas aan de debiteur kan worden tegengeworpen vanaf het moment van de mededeling. De rechtbank is het met de Stichting eens dat deze volzin, die een lex specialis is van artikel 6:34 BW, als een zuivere beschermingsbepaling zou kunnen worden gelezen. Aldus gelezen is de strekking ervan slechts om bescherming te bieden aan de debiteur die, voordat de cessie hem is medegedeeld, in de verhouding tot de cedent bepaalde handelingen heeft verricht of nagelaten en waardoor hij zou kunnen worden benadeeld indien de cessie hem achteraf door de cessionaris kan worden tegengeworpen. Indien de tweede volzin van artikel 3:94 lid 3 BW aldus wordt gelezen, brengt zij niet zonder meer mee dat de debiteur voorafgaand aan de mededeling niet rechtsgeldig zou kunnen betalen aan de cessionaris en dat deze die vordering niet rechtsgeldig zou kunnen innen. Daar staat echter tegenover dat uit de Parlementaire Geschiedenis (Kamerstukken II, 2003/04, 28878, nr. 5, pag. 11) volgt dat volgens de wetgever de tweede volzin van artikel 3:94 lid 3 BW niet in de hiervoor bedoelde zin moet worden uitgelegd, maar dat de bepaling meebrengt dat de cedent, zolang de mededeling niet is gedaan, exclusief bevoegd is om de vordering te innen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de zienswijze van de wetgever worden beschouwd als het geldende recht op dit punt (zie onder meer Asser-Bartels & Van Mierlo, 3-IV, 2021/342; Rongen, Cessie (O&R nr. 70) 2012, 6.2.2.1 e.v.). De rechtbank volgt die opvatting. Dat betekent dat de cederende leghennenhouders, zolang geen geldige mededeling van de cessies aan Wulro c.s. is gedaan, exclusief inningsbevoegd zijn en dat voorafgaand aan de mededeling aan de Stichting geen inningsbevoegdheid toekomt. Dat die mededeling ook in een later stadium van de procedure, of zelfs in hoger beroep kan worden gedaan, zoals de Stichting terecht heeft betoogd, doet hier niet aan af en maakt haar vooruitlopend op die mededeling nog niet inningsbevoegd. Pas vanaf de mededeling is daarvan sprake. 4.50. Ter beoordeling ligt dan ook vervolgens de vraag voor of de cessies aan Wulro c.s. zijn medegedeeld De slotsom van het voorgaande is dat de Stichting op dit moment op grond van de stille cessie niet bevoegd is om in deze procedure tot inning van de vorderingen over te gaan. 4.57. Anders dan door de Stichting is betoogd, kan het doeltreffendheidsbeginsel niet tot een ander oordeel leiden. Op grond van overweging 4 uit de preambule, alsmede artikel 4 van de Kartelschaderichtlijn dient een lidstaat, in verband met de vergoeding van schade die voortvloeit uit inbreuken op het Europees dan wel nationaal mededingingsrecht, over procedurele regels te beschikken die een effectieve uitoefening van dat recht garanderen. In artikel 4 van de Kartelschaderichtlijn is bepaald dat de nationale regels en procedures betreffende de uitoefening van schadeclaims zodanig moeten zijn ontworpen en worden toegepast dat zij de uitoefening van het recht tot verkrijging van volledige schadevergoeding in verband met een inbreuk op het mededingingsrecht, niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken. Op grond hiervan is het ook vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat voor de toetsing van het doeltreffendheidsbeginsel doorslaggevend is of nationale regelingen het uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk maken om een recht op schadevergoeding uit te oefenen (zie onder meer HvJ EU 18 april 2024, ECLI:EU:C:2024:324, nummer 51; Heureka/Google). 4.58. In dit geval hebben de leghennenhouders voldoende procedurele mogelijkheden om individueel dan wel collectief hun recht op schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht jegens Wulro c.s. te effectueren (zie ook Hof van Justitie van 28 januari 2025; ECLI:EU:C:2025:40). Het doeltreffendheidsbeginsel zoals dat is vorm gegeven in de hiervoor genoemde bepalingen, gaat niet zover dat bepalingen van materieel recht, zoals in casu die betreffende de overdracht van vorderingen , door de nationale rechter buiten toepassing moeten worden gelaten om het instellen van een vordering tot vergoeding van schade te vergemakkelijken. 4.59. Daar komt bij dat de omstandigheid dat het bekend maken van de identiteit van de leghennenhouders die hun vordering hebben gecedeerd mogelijk negatieve consequenties heeft voor de zakelijke relaties die ieder van die leghennenhouders onderhoudt met één of meerdere gedaagden ( Wulro c.s. hebben ontkend dat dit het geval zou zijn), niet het oordeel rechtvaardigt dat daarmee het vorderen van schadevergoeding buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk is. 4.60. Bovendien wegen de belangen die Wulro c.s. hebben bij het bekend maken van de namen van de cederende leghennenhouders zwaarder dan het belang dat die leghennenhouders hebben bij geheimhouding van hun identiteit. Wulro c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling aan de hand van de twee gecedeerde vorderingen van wie de namen van de cedenten wel zijn medegedeeld, gemotiveerd onderbouwd dat het voor het voeren van concreet verweer ten aanzien van iedere individueel ingestelde vordering – zowel waar het de aansprakelijkheid als de hoogte van de gestelde schade betreft – noodzakelijk is dat zij weten welke vordering het betreft, hetgeen impliceert dat zij weten wie de schuldeiser is. Het niet meedelen van de namen van de cedenten zal naar het oordeel van de rechtbank dan ook meebrengen dat Wulro c.s. niet afdoende in staat zijn om een adequaat verweer te voeren. Dit is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens neergelegde beginsel dat een ieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak. 4.61. Het voorstel van de Stichting om de namen van de cederende leghennenhouders slechts in beperkte kring bekend te maken en om de vertrouwelijkheid te waarborgen door het instellen van een confidentiality ring , waarbij uitsluitend de advocaten en ingeschakelde experts van Wulro c.s. toegang verkrijgen tot de vertrouwelijke informatie van de Stichting , waaronder informatie in de cessie-documentatie waaruit de ide Ten aanzien van de niet beboete vennootschappen dan wel natuurlijke personen, waartegen de Stichting wel op grond van lastgeving kan procederen (zie hiervoor nummer 4.36) geldt het volgende. 4.66. Het is vaste rechtspraak dat een lasthebber die in eigen naam in rechte optreedt ten behoeve van een ander (de lastgever), op zichzelf niet is gehouden om in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt, zodat hij ook de naam van die ander niet behoeft te vermelden. Eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden (vgl. onder meer HR 16 nov 2018; ECLI:NL:HR:20182112 en voor eerdere uitspraken HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP9665, rov. 3.3; HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0874, rov. 3.5.1; en HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4995, rov. 4.4.2). Wulro c.s. hebben betwist (akte na rolbeschikking, nummer 60) dat de Stichting bevoegd is om in deze procedure ten aanzien van de ingestelde vorderingen als lasthebber op te treden. Gezien die betwisting zal de Stichting moeten stellen en zo nodig bewijzen dat zij bevoegd is om uit hoofde van lastgeving in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden. Dit impliceert dat zij zal moeten stellen namens wie zij de vorderingen instelt. In dat verband zal zij dus moeten stellen wie de schuldeisers zijn die aan haar een last tot inning van de vorderingen hebben verstrekt. Ook op grond van lastgeving kan de Stichting thans de vordering niet incasseren. De incidentele vordering tot inzage 4.67. De Stichting vordert in het incident, na vermeerdering van eis, dat rechtbank bij vonnis, voor zover wettelijk mogelijk hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad: - Wulro c.s. veroordeelt tot afgifte van de volgende bescheiden, binnen één maand na betekening van het in dezen te wijzen (incidentele) vonnis, met daarbij de verdere bepaling en veroordeling dat Wulro c.s. de inzage en afschriften dienen te verschaffen in leesbare en doorzoekbare digitale vorm, op een geordende wijze op USB-sticks, op straffe van een hoofdelijke dwangsom van € 500.000,-- voor iedere overtreding, te vermeerderen met een dwangsom van € 50.000,-- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt, waarbij de veroordeling om de stukken op geordende wijze te leveren mede omvat de plicht ervoor te zorgen dat een inhoudsopgave wordt verschaft van wat op de USB-stick staat: Correspondentie tussen Wulro c.s. ( i) alle correspondentie in de periode 2013 tot en met 2022, waaronder maar niet beperkt tot Whatsapp-correspondentie, tussen Wulro c.s., waaronder in ieder geval correspondentie waarbij een of meer van de volgende personen betrokken waren: a) [gedaagde 10] en [gedaagde 11] , Wulro -bestuurders; b) [persoon 4] , [gedaagde 24] en [gedaagde 25] , Interovo -bestuurders; en ( c) [gedaagde 31] en [persoon 5] , Global-bestuurders; waaronder communicatie over leveranciers van eieren, inkoopprijzen van eieren en overige commerciële voorwaarden van eieren; waarbij de Stichting van de ondernemingen van Wulro c.s. steeds de correspondentie vordert waarbij zij zelf betrokken was, dus zij vordert van de Wulro -gedaagden de correspondentie tussen de Wulro -bestuurders enerzijds en de Interovo - en Global-bestuurders anderzijds, van de Interovo -gedaagden de correspondentie tussen de Interovo -bestuurders enerzijds en de Wulro - en Global-bestuurders anderzijds, en van de Global-gedaagden de correspondentie tussen de Global-bestuurders enerzijds en de Wulro - en Interovo -bestuurders anderzijds. Bescheiden met betrekking tot de prijzen van ingekochte eieren (ii) alle informatie over de door Wulro c.s. in de periode 2010 tot en met de datum van vonnis ingekochte eieren (waaronder maar niet beperkt tot scharrel- en kooieieren), waaronder alle: ( a) contracten met aan dat: niet duidelijk is tegen welke cedenten Wulro c.s. onrechtmatig hebben gehandeld als gevolg van het gestelde kartel; de Stichting onvoldoende heeft gesteld met betrekking tot welke transacties schadevergoeding wordt gevorderd, hetgeen noodzakelijk is om aan de stelplicht te voldoen; de Stichting niet onderbouwt wat de relevantie is van elk van de door haar gevorderde bescheiden en ook niet onderbouwt op welke wijze de gevorderde stukken kunnen bijdragen aan de vaststelling van de gestelde inbreuken alsmede van de schade en de causaliteit; de verzochte transactie-informatie over de bij de leghennenhouders ingekochte eieren gegevens betreft die bij de leghennenhouders zelf beschikbaar zijn, zodat de Stichting onderzoekswerk dat zij zelf moet verrichten, neerlegt bij Wulro c.s.; de Stichting ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de twee afzonderlijke gedragingen van enerzijds Wulro en Interovo en anderzijds Wulro en Global, die zich gedurende verschillende periodes hebben voorgedaan; de Stichting niet voldoende stelt waarom zij zonder het Oxera-rapport haar schade niet kan onderbouwen en waarom inzicht in de marktaandelen relevant zou zijn; de Stichting slechts belang heeft bij de inzage in prijsbescheiden voor zover die betrekking hebben op kooi- en scharreleieren en niet op alle type eieren; op dit moment de Stichting geen belang heeft bij bescheiden om de omvang van de schade vast te stellen, omdat in deze procedure slechts een verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd en een begroting van de schade thans nog niet aan de orde is; toewijzing van de vordering voor Wulro c.s. zou betekenen dat zij aanzienlijke tijd en middelen moet besteden aan het verzamelen van de documenten, hetgeen hoge kosten met zich brengt. 4.70.2. Ten tweede voeren Wulro c.s. aan dat de verzochte bescheiden onvoldoende bepaald zijn (akte procedurele aspecten, IV.2.4). Het inzagerecht kan slechts worden uitgeoefend, aldus Wulro c.s., met betrekking tot bepaalde bescheiden. Uit de vordering moet dus blijken om welke stukken het gaat en om welke reden zij van belang zijn. De vordering tot inzage in alle correspondentie en alle informatie omtrent de ingekochte eieren voldoet daar niet aan. 4.70.3. Als derde grond voor het afwijzen van de vordering tot inzage, stellen Wulro c.s. dat er geen rechtsbetrekking is in de zin van artikel 843a Rv (akte procedurele aspecten, IV.2.5.). Daartoe voeren Wulro c.s. aan dat nog niet onherroepelijk is vastgesteld dat Wulro , Interovo en Global zich schuldig hebben gemaakt aan kartelvorming. Bovendien is de Stichting niet inningsbevoegd. 4.70.4. Tot slot, zo stellen Wulro c.s., zijn er gewichtige redenen die zich verzetten tegen inzage (akte procedurele aspecten, IV.2.6). Op dit punt voeren Wulro c.s. aan dat de inzage vertrouwelijke bescheiden betreft (waaronder gegevens jonger dan vijf jaar), dat een deel van de bescheiden onder het afgeleide verschoningsrecht vallen (waaronder in ieder geval het rapport van en alle correspondentie met Oxera) en dat een deel van de bescheiden niet meer beschikbaar is aangezien de administratie slechts zeven jaar wordt bewaard. 4.71. Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot inzage stelt de rechtbank het volgende voorop. 4.72. Omdat in deze procedure de vordering tot inzage is ingesteld voor 1 januari 2025, is in deze zaak het recht van toepassing dat gold voor de inwerkingtreding op 1 januari 2025 van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Stb. 2024, 62, en Stb. 2024, 72). 4.73. Op grond van artikel 843a Rv (oud) kan een partij bij een juridische procedure inzage, afgifte of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden wanneer hij daarbij een rechtmatig belang heeft en de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is. Artikel 843a lid 4 Rv (oud) bepaalt dat er geen gehoudenheid bestaat om aan de vordering te voldoen als dat niet nodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling. Aldus kunnen de belangen van partijen w Ten aanzien van de cederende leghennenhouders van wie de namen niet zijn medegedeeld aan Wulro c.s. (dan wel anderszins in deze procedure bekend zijn gemaakt) en van wie evenmin is gesteld over welke periode zij eieren hebben geleverd aan Wulro c.s., is thans onvoldoende aannemelijk geworden dat zij daadwerkelijk een vordering tot schadevergoeding op Wulro c.s. hebben uit hoofde van kartelvorming en dat de Stichting door een cessie van die gestelde vorderingen in een rechtsbetrekking tot Wulro c.s. is komen te staan. Voor zover de vorderingen van de Stichting zijn gebaseerd op de cessies waarvan de namen van de cedenten niet bekend zijn gemaakt, dient de vordering tot inzage te worden afgewezen. 4.78. Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen vaststaat dat er in ieder geval ten aanzien van twee gecedeerde vorderingen , te weten die van: (i) [V.O.F.] en [persoon 1] (eveneens een vennootschap onder firma), beiden gevestigd te [plaats 5] (Nederland), aan [adres 1] , en (ii) [persoon 2] en [persoon 3] , te [plaats 6] (België), aan [adres 2] , de identiteit door de Stichting bekend is gemaakt. Deze namen zijn bekend gemaakt in de antwoordakte van de Stichting d.d. 30 april 2025. Ter onderbouwing van de vorderingen die deze leghennenhouders uit hoofde van onrechtmatige daad op Wulro c.s. hebben, heeft de Stichting verwezen naar de als producties STEI-27 en STEI-28 overgelegde overeenkomsten. 4.79. Wulro c.s. heeft hierop kunnen reageren op de mondelinge behandeling. Volgens Wulro c.s. blijkt uit de stelling van de Stichting niet dat deze cedenten overeenkomsten met gedaagde partijen hebben gesloten in de periodes waarop de boetes van de ACM betrekking hebben. Om die reden geldt volgens Wulro c.s. ook ten aanzien van deze leghennenhouders dat onvoldoende aannemelijk is dat zij een vordering tot schadevergoeding op Wulro c.s. hebben en dat de Stichting door de cessie van die vordering in een rechtsbetrekking tot Wulro c.s. is komen te staan. 4.80. Op grond van het partijdebat staat vast, zo oordeelt de rechtbank, dat zowel ten aanzien van [persoon 1] als [persoon 3] door de Stichting slechts een overeenkomst tot levering van eieren is overgelegd met Weko Egg Trading B.V., welke onderneming onderdeel is van Interovo . Zoals door Wulro c.s. terecht als verweer is gevoerd, is de overeenkomst met [persoon 1] gesloten op 29 december 2014 (ten behoeve van de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015) en is de overeenkomst met [persoon 3] gesloten op 1 november 2014. In die overeenkomsten worden de prijzen vastgesteld voor de eieren die Weko gedurende de looptijd van de overeenkomsten zal betalen. Zoals hierna (in nummer 4.90) zal worden geoordeeld, is ten aanzien van Interovo niet komen vast te staan dat zij vóór februari 2015 mededingingsbeperkende afspraken met Wulro heeft gemaakt. Met de overlegging van deze overeenkomsten is door de Stichting dan ook onvoldoende onderbouwd dat door Interovo en Wulro jegens [persoon 1] dan wel [persoon 3] onrechtmatig is gehandeld en dat zij uit dien hoofde een vordering tot schadevergoeding op Interovo en Wulro hebben. Ook ten aanzien van deze gecedeerde vorderingen geldt derhalve dat thans onvoldoende aannemelijk is geworden dat de Stichting in een rechtsbetrekking op grond van onrechtmatige daad tot Wulro c.s. is komen te staan. 4.81. Het ontbreken van een rechtsbetrekking staat er aan in de weg dat de vordering tot inzage kan worden toegewezen. Dat het bestaan van een rechtsbetrekking thans niet voldoende aannemelijk is, neemt echter niet weg dat het op grond van (i) de door de Stichting gestelde feiten omtrent onder meer de cessies en (ii) hetgeen thans voldoende aannemelijk is omtrent de kartelvorming door Wulro c.s., niet is uitgesloten dat aan de Stichting door gedupeerde leghennenhouders gegronde vorderingen tot schadevergoeding zijn gecedeerd en dat de Stichting aldus in een rechtsbetrekking tot Wulro c.s. is komen te staan. Dit is onvoldoende om de vordering tot inzage Zij heeft daartoe verwezen naar het Boetebesluit van de ACM (prod. 1 bij dagv., randnummer 109) waarin chats tussen Wulro en Interovo uit februari 2015 en van 17 maart 2015 worden aangehaald. Uit een Whatsapp-gesprek van begin 2018 tussen Wulro en Interovo volgt volgens de Stichting dat zij in die periode (en dus na 22 augustus 2016) gezamenlijk zijn opgetreden tegen de prijsstijgingen ten gevolge van de Fipronilcrisis. Op 27 september 2019 hebben Wulro en Interovo blijkens het Boetebesluit nog prijsinformatie uitgewisseld over kooi- en scharreleieren, aldus de Stichting . 4.87. Voor Wulro en Global heeft de Stichting gesteld dat de afstemming ook nog plaatsvond na 1 augustus 2019 en wel tot 5 november 2019, zijnde het moment van de onaangekondigde bedrijfsbezoeken van de ACM , omdat er tot laatstgenoemde datum voortdurend Whatsappcontact was tussen hen over mededingingsbeperkende onderwerpen. Door Wulro c.s. is betwist dat er buiten de door de ACM vastgestelde periodes verboden prijsafspraken zijn gemaakt. 4.88. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de contacten tussen Wulro en Interovo in het eerste kwartaal van 2018 over de prijsstijgingen als gevolg van de Fipronilcrisis niet dat er op dat moment mededingingsbeperkende afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de inkoopprijzen van eieren. Weliswaar volgt uit het Boetebesluit (randnummer 122) dat van de zijde van Wulro aan Interovo het voorstel is gedaan om collectief op te treden tegen de prijsstijgingen, maar uit het Boetebesluit volgt eveneens dat van de zijde van Interovo is gereageerd dat de enige oplossing was om de prijzen te verhogen. Dat een afspraak is gemaakt om de inkoopprijzen gezamenlijk laag te houden, volgt hieruit dus niet. Ook uit de uitwisseling van prijsinformatie met betrekking tot kooi- en scharreleieren op 27 september 2019 volgt op zichzelf nog niet dat er op dat moment prijsbeperkende afspraken tussen partijen zijn gemaakt. 4.89. Uit de inhoud van de overige Whatsapp- c.q. chatgesprekken waarnaar de Stichting heeft verwezen, volgt naar het oordeel van de rechtbank wel dat de inhoud ervan de stelling van de Stichting onderbouwt dat in die berichten mededingingsbeperkende afspraken worden gemaakt. Dat brengt mee dat de Stichting aldus gemotiveerd heeft gesteld dat iedere deelnemer aan één van die betreffende gesprekken zich op het moment van die berichtenwisseling (en daarmee in een tijdvak die ligt buiten de periodes waarop de boetebesluiten zien) schuldig heeft gemaakt aan schending van het mededingingsrecht. Indien die berichten, ondanks hun inhoud, niet waren gericht op beperking van de mededinging of althans niet feitelijk hebben geleid tot een afstemming van gedragingen en daarmee tot een beperking van de mededinging, had van Wulro c.s. mogen worden verwacht dat zij op dit punt gemotiveerd verweer had gevoerd. Dat heeft Wulro c.s. niet gedaan. De rechtbank acht het op dit moment voldoende aannemelijk dat er buiten de periodes waarop de boetebesluiten van de ACM zien, ook nog in strijd met het mededingingsrecht is gehandeld door Wulro en Interovo in februari 2015 en 17 maart 2015 en door Wulro en Global tot en met 5 november 2019. 4.90. Er zijn daarmee door de Stichting onvoldoende onderbouwde feiten gesteld waaruit volgt dat: - Interovo reeds voor februari 2015 dan wel na 22 augustus 2016, - Global voor 1 maart 2016 dan wel na 5 november 2019 en - Wulro voor februari 2015 dan wel na 5 november 2019 de mededinging heeft beperkt op grond van onderling (prijs)afspraken. Dat brengt mee dat de Stichting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Interovo , Global en Wulro buiten de hiervoor bedoelde periodes onrechtmatig jegens leghennenhouders hebben gehandeld en dat er aldus op die grond een rechtsbetrekking bestaat die toewijzing van de vordering tot inzage rechtvaardigt. Voor die periodes geldt dat de verzochte informatie meer lijkt te worden opgevraagd om een zaak op te zetten dan om deze te kunnen onderbouwen (fishing expedition), hetgeen Daarmee heeft de Stichting voldoende belang bij inzage in ook die bescheiden die nodig zijn om in een eventuele vervolgprocedure de omvang van de schade en de causaliteit vast te stellen. Daar komt nog bij dat de rechtbank gehouden is om thans in deze procedure tot begroting van de schade over te gaan, indien dit mogelijk is (art. 612 Rv). Gezien de tijdsperiode waarover schadevergoeding wordt gevorderd, is het niet uitgesloten dat, in het geval aansprakelijkheid wordt vastgesteld, de rechtbank zal beslissen dat in deze procedure ook tot begroting van de schade zal worden overgegaan. Het verweer van Wulro c.s. dat de Stichting (thans nog) geen belang heeft bij inzage in bescheiden betreffende de vaststelling van de schade wordt dan ook verworpen. De bepaalbaarheid en relevantie van de bescheiden waarop de vordering tot inzage ziet 4.97. Het verweer dat de gevorderde bescheiden onvoldoende bepaald zijn, wordt eveneens verworpen. Anders dan door Wulro c.s. is gesteld, vordert de Stichting niet ongespecificeerd inzage in ‘alle correspondentie’. De Stichting heeft de bescheiden, waarvan zij inzage vordert, voldoende concreet en gespecificeerd omschreven, zowel waar het de correspondentie als de prijsbescheiden betreft. Aan de hand hiervan kan worden vastgesteld welke bescheiden onder de vordering tot inzage vallen. 4.98. Uit de aard van de bescheiden waarvan de Stichting inzage vordert, volgt dat deze kunnen bijdragen aan de vaststelling van de gestelde inbreuken en causaliteit (in het bijzonder de correspondentie en het rapport Oxera) alsmede aan de begroting van de schade (in het bijzonder de prijsbescheiden). Het verweer van Wulro c.s. dat die relevantie er niet is, wordt om die reden verworpen. Informatie die bij de leghennenhouders beschikbaar is 4.99. Volgens Wulro c.s. betreft de verzochte transactie-informatie over de bij de leghennenhouders ingekochte eieren gegevens die bij de leghennenhouders zelf beschikbaar zijn. Door het opvragen van deze informatie legt de Stichting onderzoekswerk dat zij zelf moet verrichten om haar vorderingen te kunnen onderbouwen, neer bij Wulro c.s. Behalve dat dit aanzienlijke inspanningen van Wulro c.s. vergt, brengt dit ook aanzienlijke kosten mee. 4.100. De Stichting heeft dit verweer betwist. Zij voert daartoe aan dat het in de praktijk gebruikelijk was dat Wulro c.s. als afnemers van de eieren de contracten en facturen voor hun inkopen bij de leghennenhouders opstelden. Daartoe hielden Wulro c.s. bij hoeveel eieren er in een bepaalde periode bij hen werden ingekocht. De leghennenhouders ontvingen slechts een fysiek afschrift van de facturen, terwijl Wulro c.s. de volledige digitale administratie ter beschikking hebben. 4.101. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende. 4.102. De Stichting wenst inzage te verkrijgen in contracten en facturen alsmede in de specifieke transactie-informatie zoals hiervoor in nummer 4.67 is vermeld bij de weergave van de vordering onder (ii) (c). De Stichting heeft als productie STEI-029 voorbeelden overgelegd van facturen die door Global, Weko (is Interovo ) respectievelijk Wulro aan leghennenhouders zijn verzonden. De informatie waarvan de Stichting inzage vordert, staat (voor het grootste deel) op ieder der facturen vermeld. Zo vermelden de facturen van: - Global het weeknummer van de inkoop, het type ingekochte eieren (scharrel), de kwaliteitskeurmerken (wit, ongesorteerd), de hoeveelheid ingekochte eieren (waaronder in kg) en de prijs; - Weko het weeknummer van de inkoop, het type ingekochte eieren (scharrel), de kwaliteitskeurmerken (1e soort, 2e soort), de hoeveelheid ingekochte eieren (waaronder in aantal en in nettogewicht) en de prijs; - Wulro het weeknummer van de inkoop, de kwaliteitskeurmerken (wit, ongesorteerd), de hoeveelheid ingekochte eieren (waaronder in aantal en in nettogewicht) en de prijs. 4.103. Uit de stellingen van de Stichting volgt dat Wulro c.s. wekelijks facturen in hardcopy verzonden aan de leghennenhouders betreffende de in van oordeel zijn dat de informatie vertrouwelijk is omdat zij de reputatie van de ondernemingen die aan het kartel hebben deelgenomen wensen te beschermen dan wel aansprakelijkheid van die ondernemingen willen voorkomen, heeft te gelden dat die belangen geen bescherming verdienen. 4.107. Voorts hebben Wulro c.s. nog summier als verweer gevoerd dat ‘de bescheiden data met een privékarakter [bevatten], zoals persoonlijke Whatsappberichten, e-mails en foto’s’ en dat om die reden ook hiervan geen afschrift kan worden verstrekt. Ook dit verweer wordt verworpen. Uit de omschrijving van de correspondentie waarvan de Stichting inzage vordert, volgt dat het de correspondentie betreft die ziet op de inkoop van eieren. Dit zijn geen gegevens die een privé-karakter dragen. Voor zover in de gevorderde correspondentie ook sprake zou zijn van uitwisseling van gegevens die een privé-karakter dragen en waarvan het vertrouwelijke karakter zich tegen inzage verzet, had van Wulro c.s. mogen worden verwacht dat zij dat concreet had onderbouwd. Nu zij dit niet hebben gedaan, zal het summiere verweer worden verworpen. 4.108. De slotsom is dan ook dat de gestelde vertrouwelijkheid zich niet verzet tegen de toewijzing van de vordering. - afgeleid verschoningsrecht 4.109. In het kader van de bestuursrechtelijke procedure tegen de boetebesluiten van de ACM heeft Wulro c.s. door Oxera een rapport laten opstellen. Dit rapport is (kennelijk) gebaseerd op door Wulro c.s. aan Oxera verstrekte informatie. Volgens de rechtbank zijn door Wulro c.s. geen feiten gesteld waaruit volgt dat op grond van een afgeleid verschoningsrecht de inzage in het Oxera-rapport moet worden geweigerd. Daartoe geldt het volgende. 4.110. Dat Oxera een (rechts)persoon is die uit hoofde van ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is (art. 843a lid 3 Rv (oud)) is door Wulro c.s. niet gesteld. Evenmin volgt impliciet uit de door Wulro c.s. gestelde feiten dat Oxera zich op een verschoningsrecht kan beroepen. Van een afgeleid verschoningsrecht van Wulro c.s. kan reeds om die reden geen sprake zijn. Daar komt bij dat een afgeleid verschoningsrecht slechts toekomt aan personen die werkzaamheden verrichten voor degene die tot geheimhouding verplicht is. De (rechts)persoon die zich om advies heeft gewend tot degene die tot geheimhouding verplicht is, heeft zelf geen afgeleid verschoningsrecht. Wel kan deze (rechts)persoon een gerechtvaardigd belang hebben om te weigeren om mee te werken aan inzage, indien die inzage betrekking heeft op informatie die hij met degene die tot geheimhouding verplicht is in diens hoedanigheid heeft uitgewisseld (HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600). Zoals hiervoor al is overwogen, volgt uit de stellingen van Wulro c.s. niet dat Oxera een verschoningsrecht heeft, zodat de in de vorige zin bedoelde weigeringsgrond zich ook niet voordoet. Hieruit volgt dat, indien het bestaan van een rechtsbetrekking tussen de Stichting en Wulro c.s. alsnog voldoende aannemelijk wordt gemaakt, de vordering tot inzage in het Oxera-rapport toewijsbaar is. Datzelfde geldt ook voor het Centerdata-rapport. - het niet meer voorhanden zijn van de bescheiden 4.111. Volgens Wulro c.s. moet de vordering tot inzage worden afgewezen, omdat een deel van de gevorderde bescheiden niet meer beschikbaar is aangezien de administratie slechts zeven jaar wordt bewaard. Om die reden zouden bescheiden die dateren van voor 2019 niet beschikbaar zijn. 4.112. Een vordering tot inzage kan alleen worden toegewezen ten aanzien van bescheiden die nog aanwezig zijn in de administratie van Wulro c.s. De rechtbank ziet in het verweer van Wulro c.s. dat bescheiden van vóór 2019 niet meer beschikbaar zijn, echter geen reden om de vordering tot inzage af te wijzen. Daartoe geldt dat het verweer slechts in algemene bewoordingen (in slechts één zin) is geformuleerd, zonder dat dit verder wordt onderbouwd en geconcretiseerd. Het verweer betreft alle 31 gedagvaarde (rechts)personen, waaronder tal van ond