Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-01-14
ECLI:NL:RBLIM:2026:128
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11805036 \ CV EXPL 25-3224 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eiseres] B.V. , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. I.P. Sigmond, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats 2] , 2. [gedaagde 2] , te [plaats 3] , gemachtigde: mr. B.A.L.H. Robijns, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiseres] heeft op 1 oktober 2024 een verhuizing uitgevoerd van een privéwoning in [plaats 4] naar een privéwoning aan de [straat ] in [plaats 5] . Hieraan voorafgaand heeft [eiseres] op 16 september 2024 een offerte uitgebracht. Deze offerte was aan [gedaagde 2] gericht. 2.2. [gedaagde 2] schrijft per e-mail op 17 september 2024 het volgende: “(..) Wij willen jullie graag hebben voor onze verhuizing. In de offerte staan 2 namen. De mijne en nog een andere. Ik denk dat dit even aangepast moet worden Mijn vraag was of het op rekening kan van het werk. … Factuur mag op naam en adres van: [B.V.] [straat ] [huisnummer] [postcode] [plaats 5] … “(..)” 2.3. De factuur van € 1.605,00 is gericht aan [B.V.] maar is, ondanks een herhaalde aanmaning, niet betaald. 2.4. De BV is inmiddels geliquideerd en op 5 juni 2025 uitgeschreven bij de kamer van koophandel. 3 Het geschil 3.1. [eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 1.605,00 aan hoofdsom en € 240,75 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Wie is contractspartij? 4.1. Partijen hebben in de eerste plaats discussie over de vraag wie als contractspartij moet worden aangemerkt. [eiseres] stelt dat het om een privéverhuizing van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gaat en dat deze als privépersonen de overeenkomst zijn aangegaan. Op verzoek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de factuur op naam van de BV gezet. Dit wordt wel vaker gedaan om zo aftrekbare kosten te creëren. 4.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat de opdracht door de BV is verstrekt. De factuur is ook gericht aan de BV. [eiseres] motiveert niet waarom [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in privé worden aangesproken. [gedaagde 2] is in het geheel niet betrokken bij de BV; zij heeft enkel namens de BV gecommuniceerd. Er is een woning verhuisd waar ook de zaak gevestigd was. Er is geen reden om [gedaagde 1] persoonlijk aansprakelijk te stellen. [eiseres] heeft ook niet onderbouwd of gemotiveerd dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid, aldus nog steeds [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . 4.3. Het antwoord op de vraag of iemand tegenover een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam — dat wil zeggen als wederpartij van die ander — is opgetreden, hangt af van wat hij en die ander daaromtrent tegenover elkaar hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. De offerte is gericht aan [gedaagde 2] . [gedaagde 2] accepteert die offerte en zij stelt de vraag of de factuur op naam van de BV kan worden gezet. Het toesturen van de offerte en de communicatie daarna verliep via een Hotmail account van [gedaagde 2] . Voor [eiseres] was er geen aanleiding om te denken dat zij een overeenkomst zou sluiten met de BV. Zij communiceerde immers met [gedaagde 2] , via een e-mailadres dat op geen enkele wijze aan een onderneming te koppelen was. 4.4. Dat het om een zakelijke opdracht zou gaan, zoals [