Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-05
ECLI:NL:RBLIM:2026:1237
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
6,062 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1237 text/xml public 2026-02-20T13:21:36 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-05 12028559 AZ VERZ 25-147 Uitspraak Beschikking NL Roermond Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1237 text/html public 2026-02-20T10:07:31 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1237 Rechtbank Limburg , 05-02-2026 / 12028559 AZ VERZ 25-147 Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen. Geen sprake van verwijtbaar handelen. Werkgever te snel gehandeld. Bedrijfsarts moet opnieuw inschakeld worden. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rekestnummer: 12028559 \ AZ VERZ 25-147 Beschikking van 5 februari 2026 in de zaak van [werkgever] B.V. , gevestigd te [plaats 1] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werkgever] , gemachtigde: mr. D.J.M.C. Sieler, tegen [werknemer] , wonende te [plaats 2] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. R.A.J. van der Leeuw. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, - het verweerschrift met een tegenverzoek, met producties - de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, - de pleitaantekeningen van mr. Sieler. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [werknemer] , geboren [datum] 1999, is sinds 1 september 2023 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is Packaging Operator met een loon van € 2.998,00 bruto per maand exclusief ploegentoeslag en emolumenten. Voorafgaand aan het dienstverband is [werknemer] door [werkgever] ingeleend als uitzendkracht van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2023. 2.2. Op 4 december 2024 heeft zich een incident voorgedaan met een collega, waarbij dreigende taal door de collega tegen [werknemer] is geuit. Volgens [werknemer] werd hij ook bedreigd met een stanleymes. 2.3. [werknemer] is op 5 december 2024 ziek uitgevallen. 2.4. De bedrijfsarts heeft in zijn advies van 3 februari 2025 het volgende aangegeven: “ Betrokkene is momenteel nog niet arbeidsgeschikt. Hij is aangemeld voor een behandeltraject doch dit is nog niet gestart. In eerste instantie moet betrokkene nu volop inzetten voor herstel. Hij is aangemeld voor een adequaat traject waarbij ik hem geadviseerd heb om te checken wanneer dit zal starten. In een tweede instantie denk ik dat er probleemoplossende gesprekken moeten komen, door een neutrale bemiddelaar / mediator ( Dit vooraleer een duurzame opstart weer mogelijk is) ” (productie 7 van [werkgever] ). 2.5. Omdat [werknemer] op 3 februari 2025 niet mee wilde meewerken aan mediation voordat het behandeltraject was afgerond heeft [werkgever] een afspraak voor [werknemer] gemaakt bij een psycholoog op 20 maart 2025. [werknemer] is zonder afmelding niet verschenen bij dit gesprek (productie 9 van [werkgever] ). 2.6. In het verslag van het evaluatieconsult van de re-integratie en preventieadviseur van 26 maart 2025 is het volgende geadviseerd: “ In overleg met de bedrijfsarts adviseer ik om het mediationtraject op te starten. Indien gewenst, kan ik een verwijzing maken .” [werknemer] heeft herhaald dat hij nog niet wilde meewerken aan mediation. 2.7. [werknemer] is op 14 mei 2025 gestart met traumabehandeling bij [bedrijf] te [plaats 3] , omdat het incident met de collega trauma’s bij hem had getriggerd uit de oorlogssituatie van [werknemer] uit het verleden. 2.8. [werkgever] heeft op 19 mei 2025 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de vraag of de re-integratie-inspanningen van [werknemer] voldoende zijn. Tijdens het telefoongesprek met de arbeidsdeskundige van het UWV op 27 juni 2025 heeft [werknemer] alsnog ingestemd met mediation. Het UWV heeft op 1 juli 2025 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van [werknemer] in de periode vanaf de ziekmelding op 5 december 2024 tot de datum van de aanvraag van het deskundigenoordeel op 19 mei 2025 onvoldoende zijn geweest (productie 12 van [werkgever] ) 2.9. Op 26 mei 2025 heeft [werknemer] zich aangemeld bij MET GGZ. De informatie over het intakegesprek is vervat in de brief van MET GGZ van 30 september 2025 aan de huisarts van [werknemer] . Hierin staat onder meer het volgende vermeld: “(..) Luxerende oorzaak voor het ontstaan van zijn PTSS-klachten en stemmingsklachten wordt door cliënt beschreven als een bedreiging in 2024 vanuit een collega (…). Dhr. is toen ziekgemeld, hij voelde zich niet meer veilig, hij was bang om vermoord te worden. Sindsdien heeft hij zich teruggetrokken en is hij veel gaan vermijden, kreeg hij slaapproblemen, angsten en nachtmerries en was hij achterdochtig. De behandeling bij [bedrijf] heeft hij als moeilijk ervaren (..). De eerste week na de behandeling kreeg hij een sterke terugval, waarna dit afnam en de nachtmerries aanhielden. De laatste maand zijn de stemmingsklachten en nachtmerries terug toegenomen. Op klachtniveau beschrijft hij veel desinteresse, somberheid, verdriet, terugtrekgedrag (..) geheugen en concentratieproblemen. (..). Hij slaapt max 3 uur. Hij heeft bij triggers last van traumagerelateerde beelden, hij meldt schrikreacties bij harde geluiden, hij voelt zich onveilig bij mensen en ervaart forse vertrouwensproblemen (hij vertrouwt enkel zijn moeder momenteel). Dhr. noemt gedachten aan de dood, wordt hierin geremd door de gedachte aan zijn ouders. Inzake psychoticiteit wordt het horen van stemmen ontkend, wel hoort hij raketinslagen en geluiden van gevechtsvliegtuigen (traumagerelateerd). (..). Beschrijvende diagnose: Een alleenstaande jongvolwassene meldt zich met PTSS en depressieve klachten die ontstaan zijn na een incident op zijn werk (..). Deze gebeurtenis heeft geleidt tot een activatie van zijn traumatische herinneringen over de oorlog in Syrie en traumata tijdens zijn vlucht. Dhr. heeft zich volledig teruggetrokken van sociale activiteiten en sociale contacten, hij ervaart problemen om normaal te functioneren (..) Overzicht actuele medicatie Dhr. gebruikte bij aanmelding reeds Olanzapine 5 mg 1dd1 + dhr. is ingesteld op Mirtazapine 45 mg 1dd1 (..). ” (productie 3 van [werknemer] ). 2.10. [werknemer] is niet verschenen bij een afspraak met de bedrijfsarts op 30 juni 2025 ( [werkgever] verwijst naar haar productie B in de kortgedingprocedure). 2.11. Het mediationtraject is in juli 2025 opgestart en na één sessie succesvol afgerond. 2.12. De bedrijfsarts heeft in zijn evaluatieverslag van 1 september 2025 het volgende vermeld: “ Betrokkene is geleidelijk herstellende, er loopt nog wekelijks behandeling. Het lopende conflict met de collega is momenteel van de baan. Mijn advies is om nu nog de behandeling (die wekelijks loopt en sinds 6 weken geleden is gestart) verder aan te houden en einde september weer te starten met halve dagen in dag-ochtend en middagdiensten. Betrokkene en werkgever stemmen hierin af. ” (productie 13 van [werkgever] ). 2.13. Op 19 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen over hervatting van de werkzaamheden op 7 oktober 2025. Naar aanleiding van het gesprek heeft [werkgever] een e-mailbericht gestuurd op 19 september 2025, waarin het volgende is vermeld: “ Bij deze de net besproken punten: 7 oktober weer opstarten met werken, 4 uur op de ochtenddienst en 4 uur op de middagdienst Nog geen nachten Iedere cyclus kort samen zitten hoe het gaat en vervolg van re-integratie bespreken Je laat ons nog weten of je 7 oktober om 6:00 of 8:00 wilt starten ” (productie 14 van [werkgever] ). 2.14. Op 6 oktober 2025 is [werknemer] bij de psychotherapeut van MET GGZ gestart met EMDR vanwege het incident met de collega. 2.15. [werknemer] is op 7 oktober 2025 niet op zijn werk verschenen, was niet bereikbaar voor [werkgever] en heeft die dag ook geen contact opgenomen met [werkgever] . 2.16. [werkgever] heeft bij brief van 7 oktober 2025 een loonstop opgelegd omdat [werknemer] zich niet aan gemaakte afspraken zou hebben gehouden (productie 17 van [werkgever] ). 2.17.
Volledig
[werknemer] is niet verschenen bij een afspraak met de bedrijfsarts op 13 oktober 2025 (productie 18 van [werkgever] ). 2.18. Op 13 oktober 2025 heeft [werknemer] contact opgenomen met MET GGZ en hij is op het kantoor van MET GGZ geweest samen met de psychiater. Bij e-mailbericht van 6 november 2025 aan [werknemer] geeft de psychotherapeut van MET GGZ een overzicht van de afspraken van [werknemer] , waarbij ze onder meer het volgende schrijft: “- Op 9 oktober heb ik je zelf gebeld om na te vragen hoe het ging met je gezien de zware sessie van 6 oktober, hierop gaf je aan dat je een klachtentoename had in nachtmerries, slaapproblemen en angsten. Ik heb je toen uitgelegd dat EMDR sessies gepaard kunnen gaan met tijdelijke klachtenverhogingen van enkele dagen. - Op 13 oktober heb je zelf gebeld met MET ggz, je gaf aan dat je het erg zwaar had, we hebben je die dag op kantoor gezien samen met de psychiater. We begrepen van je dat je een loonstop had omdat je je niet aan afspraken zou gehouden hebben, we begrepen ook van je dat deze afspraken niet duidelijk voor je waren en dat je o.a. wegens je klachten ook je mails en post niet tijdig had gezien. We hebben gezien de huidige stressoren de behandeling geïntensiveerd ter ondersteuning bij de huidige stressoren. Door de huidige psycho-sociale stressoren is de EMDR behandeling tijdelijk gepauzeerd gezien het ontbreken van de basisvoorwaarden voor traumabehandeling en je beperkte belastbaarheid. ” (productie 5 van [werknemer] ). 2.19. [werknemer] heeft zich op 13 oktober 2025 telefonisch gemeld bij de heer [naam] , HR Manager bij [werkgever] , waarna partijen een afspraak hebben gemaakt voor 15 oktober 2025. Op 20 oktober 2025 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden, waarbij door [werkgever] aan [werknemer] een vaststellingsovereenkomst is aangeboden. 2.20. Bij brief van 28 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan [werkgever] om meer het volgende geschreven: “ Het incident heeft geleidt tot een activatie van zijn traumatische herinneringen en hij is daarvoor onder behandeling. Cliënt stond lange tijd op een wachtlijst voor behandeling, maar door een verslechtering van het beeld werd hij versneld gezien. De behandeling verloopt voorspoedig, maar met ups en downs. Hij heeft een sterke terugval ervaren. (..) Ik verzoek u evenwel om client opnieuw op spreekuur van de bedrijfsarts te doen uitnodigen om de situatie te beoordelen. Daarbij is het mijns inziens van belang dat de bedrijfsarts kennis neemt van de informatie over zijn traumabehandeling en daaraan gerelateerde klachten (..met GGZ..). (productie 7 van [werknemer] ). 2.21. [werkgever] heeft [werknemer] niet opnieuw uitgenodigd om het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken. 2.22. Op 6 november 2025 heeft [werknemer] een deskundigenoordeel aan het UWV gevraagd (productie 1 van [werknemer] ). 2.23. Bij brief van 27 november 2025 bericht het UWV aan [werknemer] onder meer het volgende “ Wij kunnen geen deskundigenoordeel geven. De reden hiervoor is dat er geen uitspraak kan worden gedaan over het feit of uw re-integratie-inspanningen voldoende zijn, hiervoor zal eerst door de bedrijfsarts een uitspraak gedaan moeten worden, nu de verzekeringsarts op basis van de aangeleverde medische gegevens constateert dat het niet nakomen van afspraken mogelijk een gevolg is van ziekte .” Deze brief is door het UWV ook aan [werkgever] verzonden. (productie 2 van [werknemer] ). 2.24. Bij e-mailbericht van 27 november 2025 heeft de gemachtigde van [werknemer] de gemachtigde van [werkgever] op de hoogte gebracht van het bericht van het UWV en verzocht om de uitnodiging voor [werknemer] van de bedrijfsarts (productie 10 van [werknemer] ). 2.25. [werkgever] heeft [werknemer] niet opnieuw uitgenodigd om het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken. 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. [werkgever] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen, zonder toekenning van een transitievergoeding en zonder inachtneming van een opzegtermijn, met veroordeling van [werknemer] in de (na)kosten van de procedure. 3.2. [werkgever] heeft aan het verzoek - verkort weergegeven - ten grondslag gelegd dat er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van [werknemer] vanwege: - het niet opvolgen van verschillende adviezen van de bedrijfsarts, ook niet na een deskundigenoordeel van het UWV en evenmin na een loonstop, - het zonder bericht meerdere malen niet verschijnen bij spreekuren van de bedrijfsarts, - het zonder deugdelijke grond in beginsel niet meewerken aan het opstarten van mediation, - het zonder bericht niet nakomen van afspraken met [werkgever] en telefonisch onbereikbaar zijn. [werkgever] heeft een deskundigenoordeel overgelegd en [werknemer] zowel schriftelijk gemaand tot nakoming van zijn verplichtingen, als een loonsanctie opgelegd, aldus [werkgever] . 3.3. [werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat [werkgever] niet ontvankelijk moet worden verklaard, althans de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [werknemer] heeft een tegenverzoek gedaan. [werknemer] verzoekt de veroordeling van [werkgever] tot loondoorbetaling over de periode 7 oktober 2025 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met diverse emolumenten, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. [werkgever] vordert verder om binnen veertien dagen na vandaag te worden toegelaten tot (re-integratie)werkzaamheden, indien en voor zover de bedrijfsarts hem daartoe in staat acht. Daarnaast verzoekt [werknemer] , in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, toekenning van de transitievergoeding met vaststelling van de einddatum van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn, met veroordeling van [werkgever] in de proceskosten. 4 De beoordeling van het verzoek 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Opzegverbod 4.2. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod wegens ziekte, zoals bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW, omdat [werknemer] ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat - gezien artikel 7:671b lid 6 BW - echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [werknemer] . Het verzoek is immers gebaseerd op het verwijt dat [werknemer] - kort gezegd - onvoldoende re-integratie-inspanningen levert en de voorschriften die gelden bij ziekte herhaaldelijk, ook na toepassing van een loonstop, niet naleeft. Dit staat los van de feitelijke ongeschiktheid wegens ziekte van [werknemer] . [werkgever] is daarom ontvankelijk in haar verzoek. Verwijtbaar handelen of nalaten 4.3. [werkgever] voert bij haar verzoek aan dat de redelijke grond gelegen is in artikel 7:669 lid 3 onderdeel e (e-grond). Uit deze grond volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hierbij is de mate van het verwijtbaar handelen of nalaten bepalend voor de vraag of sprake is van een redelijke grond voor ontslag. Het verwijtbaar handelen van [werknemer] bestaat volgens [werkgever] kort gezegd uit het bij herhaling niet verschijnen bij de bedrijfsarts of anderszins niet houden aan de aan hem opgelegde re-integratieverplichtingen. 4.4. Op grond van artikel 7:671b lid 5 BW dient de kantonrechter een dergelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen indien de werkgever de werknemer niet schriftelijk heeft aangemaand tot nakoming van de verplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW, of een loonstop heeft toegepast (sub a), of indien zij niet een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a BW heeft overgelegd (sub b).
Volledig
Dit betreffen cumulatieve vereisten. De kantonrechter stelt vast dat [werkgever] aan de voorwaarde onder sub a heeft voldaan. Aan de voorwaarde tot het overleggen van een verklaring van een deskundige heeft [werkgever] eveneens voldaan, doch deze verklaring ziet slechts op de periode vanaf de ziekmelding op 5 december 2024 tot 19 mei 2025. De kantonrechter zal het deskundigenrapport daarom minder zwaar laten meewegen bij de beoordeling. Bovendien is [werknemer] meteen daarna alsnog akkoord gegaan met de aanvang van mediation. 4.5. De kantonrechter constateert dat het juist is dat [werknemer] op diverse afspraken met de bedrijfsarts niet is verschenen. De kantonrechter stelt ook vast dat [werknemer] niet is verschenen op 7 oktober om zijn werkzaamheden te hervatten, zoals vastgelegd in het (door [werknemer] op juistheid betwiste weergave van het gesprek vastgelegde) verslag van [werkgever] van 19 september 2025. Ook op 13 oktober 2025 is [werknemer] niet verschenen op het spreekuur bij de bedrijfsarts. [werknemer] heeft zich vervolgens wel zelf gemeld bij [werkgever] waarna op 15 oktober 2025 een gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden. [werkgever] erkent dat [werknemer] tijdens dit gesprek in ieder geval heeft aangegeven dat [werkgever] rekening met hem moest houden en dat hij mentale problemen had. [werkgever] betwist weliswaar dat [werknemer] tijdens dit gesprek zou hebben gezegd dat het niet goed ging met zijn behandeling bij het GGZ, maar uit de wel als erkend gezegde woorden van [werknemer] had [werkgever] moeten begrijpen dat het in ieder geval niet goed ging met [werknemer] . Vervolgens ontving [werkgever] de brief van de gemachtigde van [werknemer] van 28 oktober 2025, waaruit het voor [werkgever] ook duidelijk moet zijn geworden dat het niet goed ging met [werknemer] en [werknemer] over (nieuwe) medische informatie beschikte. De gemachtigde van [werknemer] heeft in deze brief een korte toelichting gegeven over de situatie van [werknemer] en gevraagd om [werknemer] opnieuw naar de bedrijfsarts te laten gaan. Dit heeft [werkgever] niet gedaan, terwijl dit naar het oordeel van de kantonrechter wel op haar weg had gelegen, zeker nu het niet aan [werkgever] is om zelf de medische situatie van [werknemer] te beoordelen. Dit geldt temeer nadat [werkgever] de brief van het UWV van 27 november 2025 ontving, waarin het UWV overduidelijk aangeeft dat zij op dat moment geen uitspraak kan doen over het feit of de re-integratie-inspanningen van [werknemer] voldoende zijn, omdat hiervoor eerst door de bedrijfsarts een uitspraak gedaan moet worden. Volgens het UWV constateert de verzekeringsarts op basis van de aangeleverde medische gegevens dat het niet nakomen van afspraken mogelijk een gevolg is van ziekte. Ook naar aanleiding van deze brief en het verzoek daarna van [werknemer] om hem opnieuw naar het spreekuur van de bedrijfsarts te doen uitnodigen, heeft [werkgever] geen stappen ondernomen. [werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] bij de aanvraag van het deskundigenoordeel onjuiste informatie heeft aangeleverd en nu het UWV geen deskundigenoordeel heeft afgegeven en geen antwoord heeft gegeven op de vraag of [werknemer] voldoende heeft gedaan aan de re-integratie, zij heeft vastgehouden aan het indien van een ontbindingsverzoek op 23 december 2025 wegens ernstig verwijtbaar handelen. 4.6. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de inhoud van de verklaring van het UWV te twijfelen. Het had op de weg van [werkgever] als goed werkgever gelegen om [werknemer] opnieuw bij de bedrijfsarts uit te nodigen, nu zij ervan op de hoogte was dat het niet goed met [werknemer] ging en er (nieuwe) medische informatie bekend was, waaruit zou kunnen volgen dat het niet nakomen van afspraken mogelijk het gevolg is van ziekte. Nu [werkgever] dit niet heeft gedaan, heeft zij te snel gehandeld zoals zij heeft gedaan. Tegen de geschetste achtergrond kan nu (nog) niet worden gezegd dat [werknemer] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld, door zonder deugdelijke grond niet bij de bedrijfsarts te verschijnen en door zijn re-integratieverplichtingen niet na te komen. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [werkgever] zal afwijzen en de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden. 4.7. Voor zover [werkgever] haar verzoek eveneens baseert op een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), wordt deze eveneens afgewezen. Zolang de bedrijfsarts zich aan de hand van de (nieuwe) medische gegevens en de uitspraak van het UWV niet heeft uitgelaten over re-integratieinspanningen van [werknemer] , is er geen sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, waardoor voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van [werkgever] kan worden gevergd. Proceskosten 4.8. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 5 De beoordeling van het tegenverzoek 5.1. Omdat het ontbindingsverzoek van [werkgever] wordt afgewezen en de arbeidsovereenkomst in stand blijft, wordt niet toegekomen aan het tegenverzoek van [werknemer] tot veroordeling van [werkgever] tot betaling van de transitievergoeding en vaststelling van de einddatum van de arbeidsovereenkomst. 5.2. [werknemer] heeft nevenverzoeken ingesteld. Volgens [werkgever] moeten de nevenverzoeken van [werknemer] worden afgewezen, omdat zij niet zien op het einde van de arbeidsovereenkomst. Daarin wordt [werkgever] niet gevolgd. Vorderingen die verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen met een verzoekschrift worden ingediend in plaats van een dagvaarding. Het gaat daarbij om alle mogelijke vorderingen die bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst of herstel daarvan kunnen worden ingesteld, zoals, in dit geval, een vordering uit achterstallig loon of een vordering tot toelating tot de (re-integratie)werkzaamheden. [werknemer] is daarom ontvankelijk in zijn nevenverzoeken. 5.3. [werknemer] heeft in de kortgedingprocedure met zaaknummer 11956959 \ CV EXPL 25-4792 ongeveer gelijkluidende vorderingen ingesteld die zien op loondoorbetaling en op toelating tot (re-integratie)werkzaamheden, waarover de kantonrechter bij vonnis van 22 januari 2025 heeft beslist. Nu in de kort geding procedure slechts een voorlopige voorziening is gegeven, dient de kantonrechter in een bodemprocedure opnieuw over de vordering te beslissen. 5.4. Omdat in deze procedure geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen en de kantonrechter ook geen redenen ziet om anders te beslissen wordt als volgt overwogen. Het verzoek dat ziet op loondoorbetaling wordt toegewezen vanaf 28 oktober 2025 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is geëindigd, omdat [werkgever] op 7 oktober 2025 op terechte gronden een loonstop heeft gegeven. De loondoorbetaling wordt toegewezen voor zover deze achterstallig is. Het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente is eveneens toewijsbaar. Het verzoek van [werknemer] om [werkgever] te veroordelen om hem binnen veertien dagen na vandaag toe te laten tot (re-integratie) werkzaamheden wordt toegewezen, voor zover de bedrijfsarts hem daartoe in staat acht. Proceskosten 5.5. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft. 6 De beslissing De kantonrechter op het verzoek 6.1. wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af, 6.2. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 6.3. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad , op het tegenverzoek 6.4.