Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-11
ECLI:NL:RBLIM:2026:1235
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,992 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:1235 text/xml public 2026-02-20T15:00:35 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-11 11636826 \ CV EXPL 25-1817 Uitspraak Bodemzaak Verzet NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1235 text/html public 2026-02-20T14:26:22 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1235 Rechtbank Limburg , 11-02-2026 / 11636826 \ CV EXPL 25-1817 Incident tot niet-ontvankelijk toegewezen. Daad van bekendheid gepleegd. Verzettermijn is verstreken. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11636826 \ CV EXPL 25-1817 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van [partij 1] B.V. , gevestigd te [plaats] , eiseres in verzet in conventie, oorspronkelijk gedaagde, gedaagde in het incident, hierna te noemen: [partij 1] , gemachtigde: mr. A.D.A. Quadvlieg, met ingang van 10 december 2025 procederend in persoon tegen [partij 2] , wonende te [plaats] , gedaagde in verzet in conventie, oorspronkelijk eiseres, eiseres in het incident, hierna te noemen: [partij 2] , gemachtigde: DAS Rechtsbijstand. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de verzetdagvaarding van 26 maart 2025 met daaraan onder meer aangehecht de oorspronkelijke dagvaarding met producties en het door de kantonrechter onder zaaknummer 11453937 CV EXPL 24-6835 gewezen verstekvonnis van 15 januari 2025, - de incidentele conclusie tot niet ontvankelijkheidverklaring tevens conclusie van antwoord in oppositie tevens akte tot vermeerdering van eis, met producties, - de conclusie van antwoord in incident tot niet ontvankelijkheid, met productie, - de conclusie van repliek in incident, met productie, - de conclusie van dupliek in incident. 1.2. Het vonnis is daarna bepaald op vandaag. 2 Het geschil in het incident 2.1. [partij 2] verzoekt [partij 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzet met veroordeling in de proceskosten van het incident. 2.2. [partij 1] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij 2] in het incident, met veroordeling in de proceskosten in het incident. 2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 3 De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak 3.1. In deze zaak is [partij 1] op 15 januari 2025 in een verstekvonnis veroordeeld. [partij 1] heeft op 26 maart 2025 een verzetdagvaarding uitgebracht waarmee zij tegen het verstekvonnis in verzet komt. 3.2. Volgens [partij 1] is de verzetstermijn aangevangen op 27 februari 2025 omdat het verstekvonnis niet in persoon is betekend en zij het vonnis eerst op 27 februari 2025 in de brievenbus heeft aangetroffen. Nu de verzetdagvaarding op 26 maart 2025 is uitgebracht, is het verzet tijdig ingediend, aldus [partij 1] . 3.3. [partij 2] stelt zich op het standpunt dat het verzet te laat is ingediend. Volgens [partij 2] is het verzet te laat omdat: de verzettermijn is aangevangen op 24 februari 2025. Dat is het moment dat het vonnis ten uitvoer is gelegd. Van tenuitvoerlegging is sprake zodra derdenbeslag is gelegd. Op 24 februari 2025 is executoriaal derdenbeslag gelegd op de bankrekening van [partij 1] . de verzettermijn is aangevangen op 25 februari 2025. Dat is het moment dat er sprake is van een daad van bekendheid. [partij 1] heeft op 25 februari 2025 telefonisch contact met de deurwaarder opgenomen om navraag te doen over het beslag. De inhoud van dit contact is een daad van bekendheid. [partij 2] verwijst onder meer naar de door haar overgelegde telefoonnotitie (productie 35 van [partij 2] ). 3.4. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 143 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de gedaagde die bij verstek is veroordeeld daartegen verzet doen. Uit dit artikel volgt dat het verzet moet worden gedaan binnen vier weken na (1) betekening van het verstekvonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte in persoon, (2) na een daad van bekendheid en (3) na tenuitvoerlegging van het vonnis. De eerste termijn die aanvangt is bepalend voor het daadwerkelijke begin en einde van de verzettermijn. De vraag is of de verzettermijn op een eerder dan 27 februari 2025 gelegen moment is aangevangen. 3.5. Gesteld noch gebleken is dat het verstekvonnis of een uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte in persoon aan [partij 1] is betekend of dat het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. De vraag die voorligt is dan ook of het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd of dat door [partij 1] enige daad is gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het verstekvonnis aan haar bekend is geworden. Is het verstekvonnis ten uitvoer gelegd? 3.6. Op grond van artikel 144 aanhef en onder b BW wordt in geval van een derdenbeslag op een vordering het verstekvonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de uitbetaling aan de beslaglegger. In dit geval is er weliswaar op 24 februari 2025 derdenbeslag gelegd, maar [partij 1] heeft onbetwist gesteld dat de uitbetaling eerst op 14 maart 2025 heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat in dat geval de verzettermijn eerst is aangevangen op 14 maart 2025 en [partij 1] tijdig verzet heeft ingesteld. Heeft [partij 1] een daad van bekendheid gepleegd? 3.7. De maatstaf voor de beoordeling of [partij 1] een daad van bekendheid met het verstekvonnis heeft gepleegd houdt in dat de veroordeelde 1) zelf een handeling moet hebben verricht waaruit 2) ondubbelzinnig valt op te maken dat zij 3) over voldoende gegevens beschikte met betrekking tot (de inhoud van) haar veroordeling om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. 3.8. De kantonrechter is van oordeel dat hier sprake van is op grond van het volgende. 1. [partij 1] heeft op 25 februari 2025 zelf gebeld met de deurwaarder. Dit is niet betwist, zodat vaststaat dat [partij 1] zelf heeft gehandeld. Dit blijkt ook uit de overgelegde telefoonnotitie van de medewerkster van het deurwaarderskantoor. 2. Uit deze handeling van [partij 1] blijkt ook dat sprake is van ondubbelzinnig bekendheid. Een handeling kan zijn een uitlating of mededeling van de veroordeelde, of bijvoorbeeld de overhandiging van het verstekvonnis aan een advocaat met het verzoek hem juridisch bij te staan. Het enkele toesturen van het vonnis aan de veroordeelde en het enkele in ontvangst nemen van het vonnis door de veroordeelde is, evenals het louter aanhoren van het verstekvonnis onvoldoende om te kunnen spreken van een handeling waaruit ondubbelzinnig van bekendheid blijkt. Een daad van bekendheid kan ook blijken uit telefoonberichten, zoals WhatsApp-berichten. In dit geval heeft [partij 1] gebeld met de deurwaarder die het executoriaal derdenbeslag heeft gelegd op grond van het verstekvonnis. [partij 1] heeft zelf gevraagd naar de beslaglegging. Hieruit volgt voldoende dat sprake is van bekendheid met het verstekvonnis. 3. Tot slot moet de veroordeelde de inhoud in zoverre kennen dat hij weet op vordering van wie en door welke rechterlijke instantie hij is veroordeeld en waartoe hij is veroordeeld. Het is niet nodig dat de veroordeelde het vonnis heeft ontvangen of dat de volledige tekst aan hem is meegedeeld. [partij 1] heeft zelf naar de deurwaarder gebeld en gevraagd waar het bankbeslag over gaat. Nadat de medewerkster van het deurwaarderskantoor heeft aangegeven dat het de zaak [partij 2] betreft en (administratief) beslag is gelegd op voertuigen van [partij 1] , vraagt [partij 1] op welke voertuigen beslag is gelegd en hoeveel er open staat. Vervolgens heeft de medewerkster geantwoord om welke voertuigen het gaat en dat er € 25.180,99 openstaat. Hierop reageert [partij 1] met de mededeling dat zij zich vandaag gaat uitschrijven. Uit de inhoud van dit telefoongesprek blijkt voldoende dat [partij 1] ook met de inhoud van het vonnis bekend is geraakt en dat zij wist op vordering van wie en tot welk bedrag de veroordeling loopt.