Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-01-13
ECLI:NL:RBLIM:2026:1201
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Familie en jeugd Zaaknummer: C/03/347838 / BZ RK 25/2499 Beslissing over een verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 44 Wet zorg en dwang Beschikking van 13 januari 2026 van de rechtbank Limburg op het ingediende verzoekschrift van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonend en verblijvend bij Stichting Cicero Zorggroep, [locatie zorggroep 1] in [woonplaats] , hierna te noemen: verzoeker, advocaat: mr. K.D. Regter, kantoorhoudend in Heerlen, ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door Stichting Cicero Zorggroep, gevestigd te Brunssum hierna te noemen: verweerster, advocaat: mr. R.A.G. Smeets, kantoorhoudend in Maastricht, 1 Procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 10 december 2025. 1.2. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 december 2025. Daarbij zijn gehoord: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat; [naam zorgmanager] , zorgmanager bij verweerster, locatie [locatie zorggroep 1] ; [naam] namens de Raad van Bestuur van verweerster; [naam specialist 1] , specialist ouderengeneeskunde, de advocaat van verweerster. Bij de zitting was ook aanwezig C. Weijermans, zorgmanager in opleiding. 2 De feiten 2.1. Verzoeker is op 26 juni 2025 met een spoedopname opgenomen bij verweerster, locatie [locatie zorggroep 2] in [woonplaats] . 2.2. Door het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna te noemen: CIZ) is op 25 juli 2025 voor verzoeker een besluit tot opname en verblijf op grond van artikel 21 Wet zorg en dwang (hierna te noemen: Wzd), genomen. 2.3. Verzoeker is op 2 september 2025 overgeplaatst naar de locatie [locatie zorggroep 1] van verweerster in [woonplaats] . 2.4. Op 10 november 2025 heeft verweerster een aanvraag voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie op grond van artikel 24 Wzd (hierna te noemen: rechterlijke machtiging) ingediend bij het CIZ. 2.5. Op 14 november 2025 heeft het CIZ een verzoekschrift voor een rechterlijke machtiging ingediend bij de rechtbank Limburg. 2.6. Op 28 november 2025 heeft de rechtbank voor verzoeker een rechterlijke machtiging verleend tot en met 28 mei 2026. 3 Het verzoek 3.1. Verzoeker verzoekt om een bedrag van € 7.300,- ter zake immateriële schade vast te stellen en verweerster te veroordelen tot betaling van dit bedrag ter zake van immateriële schadevergoeding, met veroordeling van verweerster in de kosten van deze procedure. 3.2. Namens verzoeker wordt gesteld dat uit de medische verklaring van de onafhankelijk specialist ouderengeneeskunde [naam specialist 2] van 7 november 2025 volgt, dat verzoeker vanaf circa veertien dagen na zijn opname in de [locatie zorggroep 1] structureel verzet heeft getoond tegen zijn verblijf aldaar. Verzoeker gaf herhaaldelijk aan niet in de [locatie zorggroep 1] te willen verblijven, terug naar huis te willen en heeft het zorgcentrum ook daadwerkelijk verlaten. Hiermee was naar het oordeel van verzoeker vanaf dat moment geen sprake meer van vrijwillige zorg. Volgens verzoeker had de zorgaanbieder moeten erkennen dat een vrijwillig verblijf op grond van artikel 21 Wzd niet langer mogelijk was en onverwijld een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging moeten initiëren. De zorgaanbieder heeft dit nagelaten. Pas op 10 november 2025 is door de zorgaanbieder een aanvraag ingediend bij het CIZ, waarna het CIZ op 14 november 2025 een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging bij de rechtbank heeft ingediend. De rechtbank Limburg heeft op 28 november 2025 een rechterlijke machtiging verleend voor de duur van zes maanden. Vanaf die datum was het verblijf van verzoeker gelegitimeerd. Verzoeker stelt dat in de periode van 16 september 2025 tot en met 28 november 2025 sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving, nu hij tegen zijn wil in de instelling verbleef zonder ge Verweerster heeft aangevoerd dat verzoeker in die periode geen tekenen van verzet in de zin van de Wzd heeft vertoond. Integendeel, hij was coöperatief en vriendelijk in de omgang. Verzoeker vertoonde geen gedragingen waaruit kon worden opgemaakt dat hij het niet eens was met de opname en het verblijf en weg wilde uit de accommodatie. Verweerster stelt zich op het standpunt dat eerst eind oktober 2025 tekenen van verzet in de zin van de Wzd zijn ontstaan bij verzoeker. Vriendinnen van verzoeker hebben hem tijdens bezoekjes laten weten dat zij vonden dat hij niet thuishoorde in de accommodatie, maar dat hij naar zijn eigen huis terug zou moeten gaan. Vervolgens is verzoeker door deze vriendinnen in contact gebracht met zijn advocaat en is de advocaat ook meermaals op de [locatie zorggroep 1] geweest. Vanaf die tijd verkondigde verzoeker bij herhaling dat hij naar huis wilde. Verweerster heeft dat gezien als een eerste teken van (mogelijk) verzet door verzoeker en heeft vervolgens de procedure voor een aanvraag van een rechterlijke machtiging in gang gezet. Verweerster is van mening dat verzet in de zin van de Wzd in ieder geval moet worden gesignaleerd bij gedrag dat duidelijk afwijkt van het bekende gedragsrepertoire en het bij de dementie passende gedrag. Dat betekent niet dat alle momenten waarop het gedrag (even) afwijkt, onmiddellijk dienen te worden aangemerkt als zorg waartegen de cliënt zich verzet. Verweerster heeft in een multidisciplinair overleg op 30 oktober 2025, nadat verzoeker de advocaat had benaderd, vastgesteld dat verzoeker tekenen van verzet in de zin van de Wzd vertoonde en dat dit verzet de voorwaarde voor opname op grond van artikel 21 Wzd doorbrak. Vanaf dat moment begon verzoeker, in tegenstelling tot voorheen, bij herhaling te verkondigen dat hij naar huis wilde. Zowel verzoeker als diens zoon, als vertegenwoordiger in de zin van artikel 7:465 lid 3 Burgerlijk Wetboek, zijn door verweerster bij het multidisciplinaire overleg betrokken. Vervolgens is verzoeker op 7 november 2025 door een onafhankelijke specialist ouderengeneeskunde, [naam specialist 2] , gezien ten behoeve van de medische verklaring die nodig is voor de aanvraag van een rechterlijke machtiging. Op 10 november 2025 is vervolgens de aanvraag voor een rechterlijke machtiging ingediend bij het CIZ. Gelet op het voorgaande is verweerster van mening dat alle formaliteiten en de wet in acht zijn genomen en het verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 44 lid 2 Wzd moet worden afgewezen. Subsidiair stelt verweerster zich op het standpunt dat verzoeker feitelijk geen schade heeft geleden. Meer subsidiair stelt verweerster zich op het standpunt dat, indien wordt geoordeeld dat er wel reden is om een schadevergoeding toe te kennen aan verzoeker, deze moet worden gematigd. Verzoeker heeft passende zorg ontvangen en verkeert in exact dezelfde positie als wanneer de rechterlijke machtiging op een eerder moment zou zijn aangevraagd en verleend. Het was voor verzoeker ook helemaal niet duidelijk dat hij mogelijk niet gelegitimeerd op [locatie zorggroep 1] zat en kennelijk was een rechterlijke machtiging ook noodzakelijk, nu verzoeker bij de zitting over de rechterlijke machtiging geen verweer heeft gevoerd. Verweerster meent dat de schadevergoeding gematigd dient te worden tot maximaal € 10,- per dag en enkel over de periode vanaf het inschakelen van de advocaat (eind oktober 2025) tot het moment van aanvraag van de rechterlijke machtiging, aldus tot 10 november 2025. Tenslotte stelt verweerster zich op het standpunt dat een proceskostenveroordeling niet op zijn plaats is, omdat deze procedure wellicht voorkomen had kunnen worden als verzoeker eerst contact had opgenomen met verweerster. Aanvullend is tijdens de zitting door verweerster naar voren gebracht dat verzoeker in relatief korte tijd twee keer van woonomgeving is veranderd, wat veel stress met zich meebracht voor verzoeker. Daarom moet door zorgverleners ook een gewenningsperiode in a