Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-04
ECLI:NL:RBLIM:2026:1184
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,927 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:1184 text/xml public 2026-02-05T14:37:59 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-04 03.087505.23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Roermond Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1184 text/html public 2026-02-05T14:37:24 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1184 Rechtbank Limburg , 04-02-2026 / 03.087505.23 Vrijspraak. Hoewel de poging tot brandstichting past binnen de bredere context van het dossier en er sterke aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachten bestaan, is de rechtbank van oordeel dat het procesdossier onvoldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen bevat om tot een veroordeling te komen. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.087505.23 Parketnummer : 01.062964.22 (tul) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 4 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, wonende te [adres 1] . De verdachte (hierna ook: [verdachte] ) wordt bijgestaan door mr. S.J.F. van Merm, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 en 18 december 2025. Op 28 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen bij de inhoudelijke behandeling. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] en hun raadsman mr. Acda, advocaat kantoorhoudende te Roermond, zijn op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaken tegen: [medeverdachte 1] (parketnummer: 03.089393.23); [medeverdachte 2] (parketnummer: 03.089351.23); [medeverdachte 3] (parketnummer: 03.087600.23). 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: op 4 maart 2023 te Leudal geprobeerd heeft samen met een ander of anderen brand te stichten aan een personenauto, waardoor gemeen gevaar voor goederen zou ontstaan. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] geprobeerd heeft de personenauto van [naam 1] in brand te steken. Uit het procesdossier volgt dat de verdachte vanaf Best naar Limburg is gereden en rondom het tijdstip van de poging tot brandstichting de mast aanstraalde die valt onder de locatie van de plaats delict. Daarna is hij teruggereden naar Best. Rondom het tijdstip van het plegen is contact gelegd met [medeverdachte 3] . Verder is een auto gebruikt die van [medeverdachte 1] is en heeft [medeverdachte 3] achteraf gezocht naar 112 meldingen. De volgende ochtend is door [medeverdachte 1] contact gezocht met de vermoedelijke opdrachtgever [naam 3] en zijn video’s verstuurd tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] die betrekking hebben op de plaats delict. De alternatieve verklaring van de verdachte dat hij die nacht aan het vissen was in Limburg is volgens de officier van justitie ongeloofwaardig. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft, zoals opgenomen in de ter zitting overgelegde schriftelijke pleitaantekeningen, integrale vrijspraak bepleit. Concluderend is aangevoerd dat - op basis van het dossier - niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest, als pleger of medepleger, bij het tenlastegelegde. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Op 4 maart 2023 is op de oprit van [adres 2] , gemeente Leudal, geprobeerd om een auto in brand te steken. Hoewel de poging tot brandstichting aan een auto die blijkens de aangifte op 4 maart 2023 rond 03:33 uur plaatsvond op het adres [adres 2] past binnen de bredere context van dit dossier en er sterke aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] bestaan, is de rechtbank van oordeel dat het procesdossier onvoldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen bevat om tot een veroordeling van de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] voor deze poging tot brandstichting te komen. Daarbij stelt de rechtbank ten eerste vast er dat geen gegevens zijn op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op 4 maart 2023 masten in de directe omgeving van de plaats delict hebben aangestraald; ten tweede bieden de telecomgegevens van de bewuste nacht of de voorafgaande dag geen aanknopingspunten die duiden op de voorbereiding van een brandstichting. Het feit dat er na het incident een video van de woning [adres 2] tussen de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] is verzonden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de betrokkenheid bij het delict zelf aan te tonen. De rechtbank merkt op dat de bewegingen van [verdachte] — die tussen 2.11 uur en 3.16 uur van Best naar Limburg reed, en wiens telefoon rondom het tijdstip van de poging tot brandstichting een zendmast in de omgeving van de plaats delict aanstraalde en die telefonisch contact zocht met zijn zoon (medeverdachte) [medeverdachte 3] — weliswaar uiterst opmerkelijk zijn, maar onvoldoende basis bieden om het daderschap van de verdachte, [medeverdachte 3] of [medeverdachte 1] voor dit feit onomstotelijk vast te stellen. Tot slot is de signalering van een voertuig (mogelijk een Ford Focus) dat vijftien minuten voorafgaand aan de poging langs de plaats delict reed, onvoldoende. Hoewel dit voertuig gelijkenissen vertoont met de auto die drie dagen later op het woonwagenkamp van [medeverdachte 3] werd aangetroffen, ontbreken in het dossier specifieke identificerende gegevens om te kunnen vaststellen dat het om exact hetzelfde voertuig gaat. Ook dit biedt aldus onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank zal de verdachte dan ook in zijn geheel vrijspreken van de aan hem tenlastegelegde poging tot brandstichting. 4 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] vorderen schadevergoeding tot een bedrag van 9.565,00 euro. Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelden niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. 5 De vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van 17 juni 2022 door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen. 6 De beslissing De rechtbank: - spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde; - heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis; Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen - verklaart de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding; - bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen; Vordering tot tenuitvoerlegging - wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf af . Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Hermanides, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. S.A.M.C. van de Winkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 februari 2026.