Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-04
ECLI:NL:RBLIM:2026:1146
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
3,619 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1146 text/xml public 2026-02-20T12:52:06 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-04 C/03/348585/KG ZA 26-8 Uitspraak Kort geding NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1146 text/html public 2026-02-20T10:17:30 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1146 Rechtbank Limburg , 04-02-2026 / C/03/348585/KG ZA 26-8 Geschil tussen broer en zus die naast elkaar wonen. Zus vordert dat broer een onlangs geplaatst hekwerk dat de toegang naar haar perceel belemmert verwijdert. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/348585 / KG ZA 26-8 Vonnis in kort geding van 4 februari 2026 in de zaak van [eiseres] , wonende te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: eiseres, advocaat: mr. N.P.H. Vissers, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: gedaagde, advocaat: mr. J. Gubbels. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 14 januari 2026 met producties 1 tot en met 14; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5; - de door eiseres nagezonden producties 15 tot en met 19. 1.2. Op 22 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling van dit kort geding plaatsgevonden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is een bezichtiging ter plaatse bepaald. 1.3. Ter zitting en tijdens de plaatsopneming waren aanwezig: - eiseres bijgestaan door mr. N.P.H. Vissers; - gedaagde met zijn echtgenote mevrouw [naam] , bijgestaan door mr. J. Gubbels; 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Eiseres en gedaagde zijn broer en zus. Zij wonen sinds 1971 met hun ouders op het [adres 1] . 2.2. In 1972 heeft gedaagde op het perceel van de ouders en tegen de woning van de ouders een tweede woning aangebouwd, zijnde thans [adres 2] . De ouders en eiseres bleven op [adres 1] wonen, gedaagde is met zijn gezin op [adres 2] gaan wonen. 2.3. In december 2008, na het overlijden van vader, heeft gedaagde het perceel inclusief beide woningen van moeder gekocht. De levering van het gekochte heeft plaatsgevonden bij akte van 24 december 2008, in welke akte tevens aan moeder en eiseres een recht van medegebruik en medebewoning is verleend. Moeder is in 2022 overleden. Eiseres is op [adres 1] blijven wonen. 2.4. De woning van eiseres heeft twee ingangen, te weten een zij-ingang en een vooringang. 2.5. Gedaagde heeft op of omstreeks 24 december 2025 een poort geplaatst die de zij-ingang van de woning van eiseres van en naar de openbare weg afsluit. 3 Het geschil 3.1. Eiseres vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. Primair gedaagde zal bevelen binnen een dag na betekening van het in dezen te wijzen vonnis het hekwerk dat op de bij productie 12 bij deze dagvaarding overgelegde foto’s wordt getoond te hebben verwijderd, en dat gedaagde dit hekwerk of enige andere afsluiting of verhindering van de doorgang verwijderd zal houden, dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft; Subsidiair gedaagde zal bevelen binnen een dag na betekening van het in dezen te wijzen vonnis ter plaatse waar de poort die op de bij productie 12 bij deze dagvaarding overgelegde foto's wordt getoond een doorgang van 4 meter te hebben gecreëerd, althans een doorgang met een breedte die de voorzieningenrechter als nodig zal oordelen dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft; II. gedaagde zal verbieden om zich te begeven op grond waarop eiseres het recht van medegebruik en bewoning heeft (zoals aangeduid bij de bij productie 2 overgelegde akte en de daaraan gehechte tekening), dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft; III. gedaagde veroordeelt in de proceskosten. 3.2. Gedaagde voert verweer. Gedaagde concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eiseres, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eiseres, met veroordeling van eiseres in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als daarbij een spoedeisend belang bestaat. Eiseres stelt een spoedeisend belang bij haar vordering te hebben nu zij afgesloten is van de openbare weg en bezoek maar ook hulpdiensten haar niet meer kunnen bereiken. Gedaagde meent dat eiseres geen spoedeisend belang heeft, omdat hij eerst in maart 2024 al kenbaar heeft gemaakt dat hij een hekwerk zou plaatsen en eiseres sindsdien geen actie ondernomen heeft voor herstel van de doorgang via de voortuin. 4.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiseres voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening, die ertoe strekt dat een in haar ogen onrechtmatige situatie wordt beëindigd. Het standpunt van gedaagde zal bij de verdere beoordeling besproken worden. Restitutierisico 4.3. Naast een spoedeisend belang is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen (restitutierisico). De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan dit criterium deels voldaan is. De voorzieningenrechter licht dat als volgt toe. Vordering I: hekwerk verwijderen/doorgang creëren 4.4. Eiseres stelt dat zij een recht van medegebruik en van medebewoning heeft welk ziet op de woning met tuin gelegen aan [adres 1] . Zij gaat naar haar voordeur en zij-ingang via de oprit aan de zijkant van de woning. Volgens eiseres is dit de enige toegang tot de woning. Nu gedaagde een poort geplaatst heeft, heeft zij geen behoorlijke toegang tot de openbare weg meer. Haar voortuin is dermate dichtbegroeid dat het voor haar niet mogelijk is via de voortuin de openbare weg te bereiken. Volgens eiseres is er in de voortuin geen pad naar de openbare weg noch is dit pad er in het verleden geweest. Het handelen van gedaagde is volgens eiseres een inbreuk op haar recht van medegebruik en medebewoning nu zij daar niet meer ten volle gebruik van kan maken. 4.5. Gedaagde is van mening dat de gevorderde verwijdering van het hekwerk of het aanbrengen van een doorgang niet toegewezen kan worden, nu gedaagde eigenaar is van de bewuste strook grond en hij zonder medeweten of toestemming van eiseres een poort mag plaatsen op zijn grondgebied. Bovendien is het mogelijk voor eiseres om via haar tuin naar de openbare weg te gaan, hetgeen haar poetsvrouw ook doet. Nu gedaagde eiseres reeds in maart 2024 van zijn voornemen een hekwerk te plaatsen in kennis heeft gesteld, had eiseres bovendien voldoende tijd om in de verwilderde tuin het pad dat daar altijd al geweest is in ere te herstellen. 4.6. De rechtbank constateert dat het [perceel 1] op enig moment is opgedeeld in [perceel 2] ( [adres 1] ) en [perceel 3] ( [adres 2] ). Partijen hebben desgevraagd gesteld niet over een splitsingsakte te beschikken. De percelen [perceel 2] en [perceel 3] , met de daarop gevestigde woningen, zijn in eigendom van gedaagde. Eiseres heeft het recht van medegebruik en medebewoning van de woning [adres 1] en de daarbij behorende (voor)tuin, als aangegeven op de kadastrale tekening bij de notariële akte van levering van 24 december 2008. Nu gedaagde de poort geplaatst heeft aan de zijkant van de woning van eiseres, op zijn perceel waar geen beperkt recht op rust, is hem dat toegestaan. 4.7. Ter zitting deed mr. Vissers namens eiseres een beroep op recht van overpad, noodweg en onrechtmatige daad. Alhoewel dit ter zitting al besproken is, overweegt de rechter als volgt ten aanzien van deze gronden. Recht van overpad 4.8.
Volledig
Nu er blijkens partijen niet gesproken is met het Kadaster over een recht van overpad en dat ook – voorzover de rechtbank kan vaststellen – niet bij akte is vastgelegd, kan de voorzieningenrechter niet anders dan vaststellen dat er enkel een recht van vruchtgebruik gevestigd is. Een recht van overpad (erfdienstbaarheid) kan in bepaalde gevallen worden gevestigd ten laste van een beperkt gerechtigde, mits dit niet in strijd is met de aard van het beperkte recht en de eigenaar ermee instemt. Nu van toestemming van gedaagde geen sprake is betekent dit dat eiseres enkel een recht van overpad kan krijgen na 20 jaar onafgebroken feitelijk bezit. Daargelaten dat eiseres geen bewijsstukken overgedragen heeft deze stelling te onderbouwen, is het recht van medegebruik en bewoning eerst in 2008 gevestigd, waardoor geen sprake kan zijn van een onafgebroken bezit van 20 jaar. Noodweg 4.9. Ook het beroep op noodweg ex artikel 5:57 BW gaat niet op. In dit artikel is opgenomen: “ De eigenaar van een erf dat geen behoorlijke toegang heeft tot een openbare weg of een openbaar vaarwater, kan van de eigenaars van de naburige erven te allen tijde aanwijzing van ene noodweg ten dienste van zijn erf vorderen….[…] ”. Nu eiseres geen eigenaar van het bewuste erf is, komt haar ook geen beroep toe op genoemd wetsartikel. Onrechtmatige daad 4.10. Verder heeft eiseres aangevoerd dat er sprake van een onrechtmatige daad. Zij stelt daartoe dat zij altijd via de zij-ingang naar haar woning ging en deze handelwijze bestendig gebruik is geworden. Door het geplaatste hekwerk komt eiseres nu in een onmogelijke situatie te verkeren omdat zij haar woning niet meer kan bereiken, hetgeen een onrechtmatige daad oplevert. Van haar hoeft bovendien niet verwacht te worden dat zij via de tuin naar haar woning gaat nu ze recht heeft op een tuin zonder pad. 4.11. De rechtbank constateert dat door het feit dat eiseres niet via de gebruikelijke weg haar vruchtgebruik uit kan oefenen de onrechtmatigheid geen gegeven is. Er is immers een alternatief voor handen. Tijdens de plaatsopneming hebben partijen geconstateerd dat aan de voorzijde van de woning de restanten van een hekwerk zichtbaar zijn. Op enig moment is er een toegangspoort tot de tuin geweest, hetgeen de indruk doet wekken, tezamen met de oude foto’s die gedaagde overgelegd heeft, dat er voorheen een tuinpad van de straatzijde naar de woning is geweest. Dat tuinpad is ook nu met enige aanpassing van de tuin relatief eenvoudig te realiseren, waardoor de woning vanaf de straatzijde toegankelijk is. 4.12. Bovendien is in de notariële akte van 2008 door partijen niets opgenomen over het bereiken van de woning. De voorzieningenrechter overweegt verder dat gedaagde eigenaar is van het perceel en heeft aangevoerd belang te hebben bij het afsluiten van het terrein ter voorkoming van illegale dumpingen en diefstal vanaf zijn bedrijventerrein, hetgeen de voorzieningenrechter niet onredelijk voorkomt. 4.13. Voor het verwijderen van het hekwerk dan wel het creëren van een doorgang van vier meter is dan ook geen rechtsgrond, waardoor zowel de primaire als de subsidiaire vordering onder I wordt afgewezen. Vordering II: verbod gedaagde zich te begeven op grond waarop eiseres recht van medegebruik en bewoning heeft 4.14. Eiseres stelt dat gedaagde, zijn gezinsleden en zijn bezoek zich vanuit zijn woning over de verharding voorlangs de woning van eiseres beweegt, terwijl hij ook andere mogelijkheden heeft om aan de andere kant te komen. Eiseres stelt dat gedaagde daar niet hoort te komen vanwege het recht van medegebruik en bewoning dat exclusief aan eiseres toekomt. Ook stelt zij zich niet meer veilig te voelen nu gedaagde haar onlangs mishandeld heeft. Gedaagde betwist de mishandeling en heeft aangevoerd zich als eigenaar van het perceel niet bewust te zijn van enige overtreding terzake. Mocht de voorzieningenrechter van oordeel zijn dat hij daar niet mag lopen dan is het, aldus gedaagde, niet nodig dat in rechte te vorderen dan wel daaraan een dwangsom te verbinden. 4.15. In de notariële akte van levering van 2008 is een recht van medegebruik en medebewoning bevestigd ten behoeve van eiseres met betrekking tot het woonhuis met aanhorigheden, plaatselijk bekend [adres 1] , zoals aangegeven in het dubbel gearceerde vak in de aan de akte vastgehechte situatietekening. Voormelde vestiging is aangegaan onder de navolgende bepalingen: “[…] c. Gedurende het bestaan van de rechten van medegebruik en van medebewoning zal het object uitsluitend mogen worden gebruikt door de gerechtigde tot de beperkte rechten, alsmede lid/leden van haar gezin .” 4.16. Nu op de tekening zowel het woonhuis [adres 1] met de voor het woonhuis gelegen verharding en voortuin is gearceerd, trekt de rechtbank daaruit de conclusie dat er sprake is van een exclusief recht en het gedaagde, zijn gezinsleden en zijn bezoek daarom niet is toegestaan, anders dan op uitdrukkelijke uitnodiging van eiseres, zich op of over de verharding voorlangs de woning van eiseres te bewegen. Indien gedaagde, waaronder begrepen een van zijn gezinsleden of bezoek, naar zijn poort wil gaan dan zal hij dat via zijn grondgebied en/of de openbare weg moeten doen. Hoewel gedaagde in zijn conclusie van antwoord heeft toegezegd dat hij aan een veroordelend vonnis gehoor zal geven, acht de voorzieningenrechter gezien de huidige verhouding tussen partijen oplegging van een dwangsom aangewezen. Wel zal de rechtbank de gevraagde dwangsom matigen en maximeren zoals in de beslissing vermeld. Indien gedaagde zijn toezegging nakomt, heeft hij van de dwangsom geen last. Proceskosten 4.17. Gelet op de familierelatie tussen eiseres en gedaagde ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. bepaalt dat het gedaagde niet is toegestaan zich te begeven op de grond waarop eiseres het recht van medegebruik en medebewoning heeft, aangeduid in de notariële akte van levering van 24 december 2008 en de daaraan gehechte tekening, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt; 5.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.