Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-11
ECLI:NL:RBLIM:2026:1120
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,694 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:1120 text/xml public 2026-02-20T14:52:07 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-11 C/03/332384/ HA ZA 24-304 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1120 text/html public 2026-02-20T12:24:33 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1120 Rechtbank Limburg , 11-02-2026 / C/03/332384/ HA ZA 24-304 Herstelwerkzaamheden aan opstalschade volgens een open begroting en meerwerk. Ondanks de bij tussenvonnis geboden gelegenheid heeft de aannemer onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij aanspraak heeft op volledige betaling van de nog openstaande factuur. De aannemer heeft nagelaten te specificeren welke werkzaamheden voor welke bedragen in rekening zijn gebracht.. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/332384 / HA ZA 24-304 Vonnis bij vervroeging van 11 februari 2026 in de zaak van [eisende partij] B.V. , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij], advocaat: mr. P.W.A.M. van Roy, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats 2] , 2. [gedaagde 2] , te [plaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. P.J.H.C. Glenz. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 augustus 2025 (hierna: het tussenvonnis) - de akte van [eisende partij] met productie 12 - de akte van [gedaagden] met productie 1-11. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank aan [eisende partij] de gelegenheid geboden het totaal van de uitgevoerde verzekerde werkzaamheden en het meerwerk te specificeren in een excel bestand. Tijdens de zitting was namelijk gebleken dat de totaaltelling van de overgelegde open begroting niet kan kloppen en hebben [gedaagden] als verweer herhaald dat de specificatie van de open begroting onvoldoende was om te kunnen beoordelen of [eisende partij] de werkzaamheden heeft verricht of materialen heeft geleverd voor de in rekening gebrachte posten. 2.2. [eisende partij] heeft ter nadere onderbouwing van haar vordering en ter uitvoering van de in het tussenvonnis geboden gelegenheid, bij akte als productie 12 een nieuw excel bestand overgelegd. Dit bestand was niet voorzien van een nadere toelichting of specificatie. 2.3. Met [gedaagden] is de rechtbank van oordeel dat [eisende partij] door het enkele overlegging van het nieuwe excel bestand en de overweging in het tussenvonnis dat de verwijzing naar de open begroting te algemeen van aard is ten spijt, onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om vast te kunnen stellen dat [gedaagden] nog een bedrag aan herstelkosten en meerwerk dienen te voldoen ter hoogte van € 32.751,13. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen. 2.4. [gedaagden] hebben onweersproken gesteld dat [eisende partij] de herstelwerkzaamheden zou verrichten voor het bedrag waarvoor de opstalverzekering dekking bood (zie ook rechtsoverweging 4.4 in het tussenvonnis). Deze dekking was gebaseerd op de open begroting van [eisende partij] voor in totaal € 74.500,-. In dit bedrag was begrepen een bedrag van € 30.164,- voor het vervangen van de natuurstenen vloer. Niet in geschil is dat uiteindelijk is gekozen voor een houten vloer in plaats van de natuurstenen vloer. De houten vloer is voor een bedrag van € 9.118,- gelegd door een derde (Profifloor) en door de verzekeraar rechtstreeks aan die derde vergoed. Dit betekent dat de kosten voor de natuurstenen vloer uit de open begroting van [eisende partij] gehaald moeten worden (deze kosten zijn immers niet door [eisende partij] gemaakt) waardoor het bedrag aan herstelkosten uitkomt op € 44.366 (€ 74.500,- minus € 30.164,-). 2.5. Partijen zijn het verder eens dat [eisende partij] meerwerk (de badkamer) heeft verricht voor een bedrag van € 13.934,95 zoals blijkt uit het door [gedaagden] gemaakte kostenoverzicht . De kosten voor het door [eisende partij] uitgevoerd herstelwerk inclusief meerwerk komen daarmee in totaal uit op € 58.270,95 (€ 44.366,- plus € 13.934,95). 2.6. [eisende partij] heeft van [gedaagden] betaling ontvangen van een factuur ter hoogte van € 46.500,- (factuur 1) en van een factuur ter hoogte van € 7.087,77 (factuur 3). In deze laatste factuur was een bedrag van € 500,- exclusief btw (€ 605,- inclusief btw) afgetrokken vanwege “herstel/vervangen hordeuren” . Indien deze aftrek buiten beschouwing wordt gelaten (deze houdt namelijk geen verband met de open begroting of meerwerk) dan hebben [gedaagden] voor het schadeherstel en meerwerk aan [eisende partij] dus voldaan een bedrag van € 54.192,77 (€ 46.500,- plus € 7.087,77 plus € 605,-). Wanneer dit bedrag wordt afgetrokken van de hiervoor onder 2.5 berekende totale kosten ter hoogte van € 58.270,95 dan resteert volgens deze berekening een nog door [gedaagden] te betalen bedrag van € 4.078,18. 2.7. Vanwege het ontbreken van een specificatie en/of toelichting bij het door [eisende partij] overgelegde excel bestand, valt niet na te gaan waarom [eisende partij] aanspraak zou hebben op meer dan het bedrag van € 4.078,18, laat staan het door haar gevorderde factuurbedrag van € 32.751,13. Dit betekent dat aan hoofdsom slechts toewijsbaar is een bedrag van € 4.078,18 en dat het meerdere als onvoldoende onderbouwd dient te worden afgewezen. Over het toegewezen bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 8 november 2023 omdat [gedaagden] vanaf die datum met betaling in verzuim was. Voor toewijzing van wettelijke handelsrente is in deze zaak geen plaats, omdat [gedaagden] particulieren zijn. 2.8. Omdat [eisende partij] in het buitengerechtelijke traject, ondanks de verzoeken [gedaagden] om een specificatie van de kosten, geen duidelijkheid heeft verschaft over het nog verschuldigde bedrag ziet de rechtbank geen grond voor vergoeding van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. 2.9. Omdat [eisende partij] voor een groot deel in het ongelijk is gesteld, maar [gedaagden] een erkende vordering helemaal onbetaald heeft gelaten, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 4.078,18, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2023, 3.2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Driever en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026. Productie 11 bij dagvaarding Productie 13 bij conclusie van antwoord Productie 1 bij dagvaarding