Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-11
ECLI:NL:RBLIM:2026:1113
Civiel recht; Goederenrecht
Bodemzaak
1,263 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:1113 text/xml public 2026-02-20T12:50:36 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-11 C/03/343853 / HA ZA 25-324 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Goederenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1113 text/html public 2026-02-20T12:10:53 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1113 Rechtbank Limburg , 11-02-2026 / C/03/343853 / HA ZA 25-324 Eisende partij in verzet is niet-ontvankelijk als gevolg van een voor het uitbrengen van de verzetdagvaarding uitgesproken faillissement. Ingevolge artikel 23 en 25 Fw verliest eiser in verzet de beschikking en beheer over haar vermogen en kunnen rechtsvorderingen waarbij de boedel betrokken is alleen door de curator ingesteld worden. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/343853 / HA ZA 25-324 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van [partij 1] , te [plaats 1], eisende partij in verzet, oorspronkelijk gedaagde partij, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij 1], advocaat: mr. M.A. Ploemen (onttrokken per 1 oktober 2025), tegen [partij 2] , te [plaats 2], gedaagde partij in verzet, oorspronkelijk eisende partij, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij 2], advocaat: mr. Y.K. Kunze. 1 De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de rolbeslissing van 24 december 2025, het exploot van oproeping van de curator mr. R.J.H.M. Crombaghs (hierna: de curator) van 13 januari 2026, de brief van de curator van 19 januari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De beoordeling in conventie, in reconventie en in het incident 2.1. Bij rolbeslissing van 24 december 2025 is [partij 2] in de gelegenheid gesteld om ter zake de vorderingen in conventie, in reconventie en in het incident de curator tot overneming van het geding op te (doen) roepen tegen de rolzitting van 21 januari 2026. [partij 2] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. 2.2. Per brief van 19 januari 2026 heeft de curator zich uitgelaten. De curator stelt het door [partij 1] na faillietverklaring ingestelde verzet tegen het verstekvonnis van 21 mei 2025 niet over te nemen. De curator wijst erop dat op grond van artikel 25 Faillissementswet (Fw) uitsluitend de curator bevoegd is om na faillietverklaring rechtsvorderingen betreffende het faillissementsvermogen in te stellen of voort te zetten. Na het uitspreken van het faillissement verliest [partij 1] haar bevoegdheid om zelf op te treden in procedures betreffende haar vermogen. Dit geldt ook voor het instellen van verzet. [partij 1] is daarom niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde verzet, aldus de curator. Verder stelt de curator zelf reeds verzet te hebben ingesteld tegen het verstekvonnis, zodat het niet-ontvankelijk verklaren van [partij 1] niet tot gevolg heeft dat het verstekvonnis definitief wordt. 2.3. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft [partij 2] eveneens aangevoerd dat [partij 1] ingevolge de faillietverklaring van 1 juli 2025 niet langer bevoegd is om tegen het verstekvonnis verzet aan te tekenen en een eis in reconventie in te stellen. 2.4. De rechtbank overweegt als volgt. [partij 1] is op 1 juli 2025 in staat van faillissement verklaard. Na dat faillissement heeft [partij 1] op 10 juli 2025 een verzetdagvaarding uitgebracht, een eis in reconventie en een incidentele vordering ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 23 Fw verliest [partij 1] de beschikking en het beheer over haar tot het faillissement behorende vermogen. Op grond van artikel 25 Fw dienen rechtsvorderingen waarbij de boedel betrokken is, zowel tegen als door de curator ingesteld te worden. De gefailleerde is daarbij geen partij. Dat heeft tot gevolg dat [partij 1] niet-ontvankelijk is in het verzet, in de eis in reconventie en in het incident. 2.5. [partij 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van [partij 2] moeten betalen. De proceskosten van [partij 2] (in conventie, in reconventie en in het incident) worden begroot op: griffierecht € 331,00 salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × tarief II) exploot oproeping curator € 151,95 nakosten € 189,00 (plus verhoging vermeld in beslissing) totaal € 1.977,95 3 De rechtbank in conventie, in reconventie en in het incident 3.1. verklaart [partij 1] niet-ontvankelijk in haar verzet en in haar vorderingen in reconventie en in het incident, 3.2. veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van € 1.977,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. veroordeelt [partij 1] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 3.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.