Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-02-03
ECLI:NL:RBLIM:2026:1076
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.307491.24 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 2002, wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaken tegen [medeverdachte 1] (03.307481.24) en [medeverdachte 2] (03.034326.25). 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: in de periode van 5 augustus 2024 tot en met 24 september 2024 samen met een of meer anderen 4,5 liter amfetamine(olie) heeft geproduceerd of aanwezig heeft gehad; Feit 2: op 24 september 2024 samen met een of meer anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van amfetamine(olie). 3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De bestuurlijke controle van de garageboxen aan de [adres 2] in Echt op 24 september 2024 is ingezet voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld, namelijk enkel om strafvorderlijke opsporing mogelijk te maken. Dit levert misbruik van bevoegdheid op (schending van het verbod op détournement de pouvoir). Er was sprake van een doelgerichte controle van garagebox [nummer] (hierna: de garagebox). Bij het café van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan de [adres 3] in Echt (hierna: het café) heeft namelijk één dag eerder een (mogelijk chemische) lekkage plaatsgevonden. De politie heeft naar aanleiding van die lekkage een strafrechtelijk onderzoek gestart. Deze informatie was al bij de gemeente Echt bekend. Daarnaast waren zowel de politie als de gemeente er op voorhand van op de hoogte dat de garagebox door de medeverdachte Spronken werd gehuurd. Vervolgens is enkel de betreffende garagebox gecontroleerd en de politie was daar – zonder concrete aanleiding – bij aanwezig. Voorts volgt ook uit het draaiboek van de bestuurlijke controle dat deze gericht was op strafrechtelijke handhaving. Bovendien is onjuist gerapporteerd door een gemeenteambtenaar. Het voorgaande vormverzuim levert volgens de raadsman een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling op, dat niet meer gesproken kan worden van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer en daartoe het volgende aangevoerd. De bestuurlijke controle van de garagebox is niet onrechtmatig. Allereerst volgt uit het dossier voldoende dat het geen strafrechtelijke controle betrof. Het is verder gebruikelijk dat de politie bij bestuurlijke controles als sterke arm aanwezig is, gelet op de handhavende taak van de politie zoals vervat in artikel 3 van de Politiewet. Uit het overheidsbeleid volgt daarbij dat ook bestuurlijke handhaving is gericht tegen ondermijning. Dat de garagebox van de medeverdachte [medeverdachte 1] als eerste is gecontroleerd is ook niet vreemd, aangezien er een penetrante lucht werd waargenomen ter hoogte van die garagebox. Bovendien is niet gebleken dat het aanwezige politieteam op de hoogte was van de lekkage bij het café. Aangezien geen sprake was van een strafrechtelijke controle, is het Openbaar Ministerie tot slot niet verantwoordelijk voor eventuele onjuistheden in rapport De onderzoeken aan de iPhone 11 en de Motorola Moto E13 De raadsman heeft zich met een verwijzing naar het Landeck-arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409) op het standpunt gesteld dat de onderzoeksbevindingen van de iPhone 11 (van de medeverdachte [medeverdachte 1] ) en de Motorola Moto E13 (van [naam] ) moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze onderzoeken een meer dan beperkte inbreuk op de privacy van de verdachte hebben opgeleverd, zodat een voorafgaande toetsing dan wel een machtiging van een rechter-commissaris vereist was. Nu de rechtbank deze onderzoeksbevindingen niet tot het bewijs zal bezigen, behoeft het verweer van de raadsman geen nadere bespreking. Het onderzoek aan de inhoud van de jerrycan Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de bevindingen met betrekking tot het onderzoek aan de inhoud van de jerrycan (waarin amfetamine(olie) is aangetroffen) moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat de verdediging de mogelijkheid is ontnomen om – zoals eerder verzocht – een effectieve contra-expertise te laten verrichten, aangezien de monsters al vernietigd bleken. Gebruikmaking van het NFI-rapport van 12 november 2024 zou om die reden de kern aantasten van het recht op een eerlijk proces van artikel 6 EVRM. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting erkend dat de monsters van het NFI met het oog op een mogelijke contra-expertise bewaard hadden moeten blijven. In lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad hoeft dit in deze zaak echter niet tot bewijsuitsluiting te leiden, nu het onderzoek voldoende steun vindt in andere onderzoeksbevindingen, waaronder de conclusie van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) dat met de aangetroffen goederen een amfetamine-lab kan worden opgebouwd en de aangetroffen instructies voor het vervaardigen van synthetische drugs. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt het volgende vast. De verdediging heeft naar aanleiding van het NFI-rapport van 12 november 2024 verzocht om tegenonderzoek te laten verrichten aan de amfetamine(olie) in de jerrycan. De rechtbank heeft dit verzoek op de regiezitting van 17 maart 2025 afgewezen, omdat niet duidelijk is geworden dat tegenonderzoek zal bijdragen aan de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Wel heeft de rechtbank het verzoek tot het stellen van aanvullende vragen aan de LFO toegewezen, naar aanleiding waarvan de LFO een aanvullend proces-verbaal heeft opgesteld waarin de vragen van de raadsman zijn beantwoord. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim in het kader van het voorbereidend onderzoek. Op 3 januari 2025 is het onderzoek ter terechtzitting aangevangen, waarna medio februari 2025 (drie maanden na het NFI-onderzoek) de monsters zijn vernietigd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. In deze rechtspraak ligt als algemene overkoepelende maatstaf besloten dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit (zie onder meer HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en ECLI:NL:HR:2020:1890). De rechtbank is van oordeel dat het vernietigen van de monsters en het daarmee niet kunnen plaatsvinden van een contra-expertise van deze monsters niet van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging van verdachte. De processen-verbaal van de LFO bevatten een opsomming van de goederen die op 24 september 2024 in de garagebox en het café in Echt zijn aangetroffen. Daarbij is onder andere gerelateerd dat de aangetroffen chemicaliën ge Het NFI rapporteerde – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende : De resultaten van het onderzoek zijn vermeld in onderstaande tabel. De verbalisanten van de LFO relateerden met betrekking tot het onderzoek aan de [adres 3] in Echt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende : Op 24 september ( de rechtbank begrijpt: 2024) hebben wij een onderzoek ingesteld in een horecagelegenheid met bovengelegen woning aan de [adres 3] te Echt. Omschrijving perceel Het voorste deel van de horecagelegenheid was in gebruik als bar. Via de rechterzijde van de bar kon via een dubbele deur toegang worden verkregen tot de achtergelegen discotheek. Via een deur aan de linkerzijde in de bar kon toegang worden verkregen tot de keuken, het magazijn en de trap naar de eerste etage. Op de eerste etage was een woongedeelte gelegen bestaande uit een woonkamer, keuken en bijbehorende slaap-/werkkamers. Aan het einde van de woongelegenheid was een trap die naar de zolderverdieping leidde. Op deze zolderdieping was een gang met aan beide zijden en de achterzijde diverse toegangsdeuren. Deze deuren gaven toegang tot zes verschillende ruimtes. Eerste bevindingen De ruimtes op de zolderetage die in gebruik waren en de discotheek werden door ons voorzien van de volgende codering: Nader onderzoek en monsterneming Ten behoeve van de voorlopige vaststelling van de aangetroffen chemicaliën werd door ons onder andere gebruik gemaakt van identificatieapparatuur dat werkt op basis van Ramantechnologie: ‘de ThermoScientific First Defender (FD)’. De uitkomst van dit onderzoek is tevens vermeld in onderstaande tabel met ‘FD=’. Interpretatie LFO Geconstateerd is dat: er duidelijke overeenkomsten zijn waargenomen tussen de goederen welke zijn aangetroffen in de zaak [adres 3] te Echt, de genoemde garagebox aan de [adres 2] te Echt en het klemdekselvat met daarin de gemodificeerde bierfust die in de Citroën Berlingo is aangetroffen; de aangetroffen chemicaliën zoutzuur, mierenzuur, formamide en caustic soda kunnen worden gebruikt voor de vervaardiging van amfetamine via de Leuckart synthese; met de aangetroffen goederen een laboratorium kan worden opgebouwd waar amfetamine wordt geproduceerd en gedestilleerd; er amfetamineolie is aangetroffen in soortgelijke 5-liter jerrycans in het pand aan de [adres 3] te Echt en in de garagebox aan de [adres 2] te Echt; op de zolder van de woning aan de [adres 3] te Echt voorzieningen waren aangebracht ten einde besmetting te voorkomen, zoals het aanbrengen van zeil, afplakken en het aanbrengen van luchtverfrissers en/of geurmaskering; op de zeilen restanten bruine olie zijn aangetroffen met de geur van amfetamine; hoewel niet alle benodigde goederen zijn aangetroffen omdat het lab grotendeels was ontmanteld en afgevoerd, er zeer waarschijnlijk amfetamine is geproduceerd in één of meerdere ruimtes aan de [adres 3] te Echt; met behulp van een 50-liter gemodificeerd bierfust, uitgaande van een vullingsgraad van twee-derde, er circa 10 liter amfetamineolie per batch kan worden geproduceerd. Een hoeveelheid van 10 liter amfetamineolie levert tussen de 18 en 24 kilo amfetaminepasta op. Het NFI rapporteerde – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende : De resultaten van het onderzoek zijn vermeld in onderstaande tabel. De verdachte heeft ter terechtzitting van 20 januari 2026 een bekennende verklaring afgelegd en verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: De verdenking klopt. U, voorzitter, houdt mij voor dat in de slaapkamer een handgeschreven notitie is aangetroffen met daarop een recept voor de productie van synthetische drugs. Ik heb de handelingen die daarop stonden uitgevoerd. Het gaat om de handelingen waar ik van verdacht word. Mijn vader heeft mij gevraagd om te helpen met de voorbereidingshandelingen en dat heb ik gedaan. U houdt mij voor dat de politie op de zolder van het café een ontmanteld drugslab heeft aangetroffen en u vraagt mij of dat klopt. Ja. Ik heb ook geholpen met opruimen van het lab. Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilen in de productie van synthetische drugs nog andere gevaren. De rechtbank wijst op de schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van bij de productie vrijkomende chemische afvalstoffen en op het ontploffingsgevaar dat bij de productie van synthetische drugs aanwezig is. Regelmatig is dit in het nieuws. De rechtbank rekent het de verdachte daarnaast zwaar aan dat het oorspronkelijke drugslab gesitueerd was boven een café in het centrum van Echt, met ook naastgelegen horecapanden en appartementen. De rechtbank wil zich niet voorstellen hoeveel slachtoffers en schade er zouden zijn ontstaan als dit lab ontploft zou zijn. De verdachte heeft zich kennelijk niets aangetrokken van dit gevaar. Daar komt nog bij dat productie van en handel in harddrugs vaak gepaard gaat met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit, waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Ten slotte gaat de verkoop van verdovende middelen samen met een zwarte geldstroom die ondermijnend werkt voor de legale economie. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 december 2025. Daaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel heeft de verdachte in augustus 2025 nog een geldboete gehad voor een overtreding, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 30 december 2025, waarin staat dat de reclassering het met het oog op mogelijk herhalingsgevaar wenselijk acht om meer zicht te krijgen op de verdachte en hem waar nodig te ondersteunen. De reclassering adviseert om die reden een deels voorwaardelijke straf met als voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, verplichte dagbesteding en meewerken aan de beheersing van middelengebruik. Voor het produceren van synthetische drugs en het voorbereiden daarvan worden in de regel langdurige gevangenisstraffen opgelegd. Tegen de verdachte is ook een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist. De rechtbank acht gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf noodzakelijk. Wel komt zij tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank heeft allereerst acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij valt niet alleen op dat er zeer uiteenlopende straffen worden opgelegd, maar ook dat het doorgaans om grotere hoeveelheden aangetroffen amfetamineolie gaat. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte, die ten tijde van de strafbare feiten 21 jaar oud was, naar het lijkt geen eigen financieel motief heeft gehad. Hij zag daarentegen zijn vader geconfronteerd met oplopende schulden en is kennelijk door zijn vader betrokken bij het plegen van de feiten. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting openheid van zaken gegeven. Tot slot houdt de rechtbank er rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Hiermee wordt enerzijds de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking gebracht en anderzijds dient deze straf ertoe om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Ook geeft het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte de kans om, met behulp van reclassering, op het rechte pad te blijven en het middelengebruik onder controle te houden. Zij zal daarom aan het voorwaardelijk deel bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. De rechtbank zal geen geldboete opleggen, nu uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat daadwerkelijk sprake is geweest van financieel gewin. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting,