Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-04
ECLI:NL:RBLIM:2026:1056
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,544 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1056 text/xml public 2026-02-20T12:43:05 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-04 11841823 \ CV EXPL 25-3511 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1056 text/html public 2026-02-18T13:14:56 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1056 Rechtbank Limburg , 04-02-2026 / 11841823 \ CV EXPL 25-3511 Overeenkomst aangegaan tot wederopzegging. Geen opzegging gedaan (Haviltex-maatstaf). RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11841823 \ CV EXPL 25-3511 Vonnis van 4 februari 2026 in de zaak van 1 de vennootschap onder firma [V.O.F.], gevestigd te [plaats 1], 2. [eiser 2], beherend vennoot van [V.O.F.] , wonende te [plaats 1], 3. [eiser 3], beherend vennoot van [V.O.F.], wonende te [plaats 1], eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers], gemachtigde: mr. M. Leung (Collect 1 B.V.), tegen [gedaagde] , wonende te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. S.D. Worotikan (SDW Juridisch Advieskantoor B.V.). 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - het tegen [gedaagde] verleende verstek, - het verzetschrift van [gedaagde] tot zuivering van het verstek, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisers] is een onderneming die is gespecialiseerd in de reparatie van motorjachten en andere pleziervaartuigen, handel in scheepsartikelen en watersportkleding en jachtmakelaardij, handel in cadeau- en decoratieartikelen en accessoires. [gedaagde] is een natuurlijk persoon. 2.2. Tussen [eisers] en [gedaagde] is op 30 januari 2021 een huurovereenkomst tot stand gekomen voor een ligplaats van een boot bij [eisers] gelegen aan [adres] in [plaats 1]. 2.3. [eisers] heeft [gedaagde] twee facturen gestuurd die niet zijn voldaan: een factuur voor een zomerligplaats over de periode van 1 april 2022 t/m 31 oktober 2022 voor een bedrag van € 600,23, een factuur voor een zomerligplaats in de periode van 1 april 2023 t/m 31 oktober 2023 voor een bedrag van € 486,06. 2.4. [eisers] heeft [gedaagde] diverse aanmaningen en herinneringen gestuurd. Na de vervaldata van beide facturen is er op 9 juli 2025 door Collect 1 B.V. namens [eisers] een schriftelijke ingebrekestelling gestuurd aan [gedaagde]. 2.5. [gedaagde] heeft beide facturen voor een hoofdsom van in totaal € 1.086,29 aan [eisers] niet betaald. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.439,26, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom voor een bedrag van € 1.086,29, € 190,03 aan rente over voornoemde hoofdsom en € 162,94 aan incassokosten. 3.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist de geldigheid van de factuur van 3 februari 2022 voor een bedrag van € 600,23 nu er geen overeenkomst aan de factuur ten grondslag ligt. [gedaagde] erkent de vordering die ten grondslag ligt aan de factuur voor de zomerligplaats in de periode van 1 april 2023 t/m 31 oktober 2023 voor een bedrag van € 486,06. Tevens doet [gedaagde] een beroep op de vernietiging van de algemene voorwaarden. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] en veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter wijst de vordering van [eisers] gedeeltelijk toe. Hieronder zal hij toelichten hoe hij tot dit oordeel komt. Zuivering van het verleende verstek 4.2. Op grond van artikel 142 Rv heeft de gedaagde tegen wie verstek is verleend, zolang het eindvonnis nog niet is gewezen, de bevoegdheid om alsnog in het geding te verschijnen. [gedaagde] is niet verschenen op de in de dagvaarding vermelde datum. Tegen [gedaagde] is verstek verleend en de uitspraak voor het verstekvonnis is bepaald op 3 september 2025. [gedaagde] heeft dit verstek tijdig gezuiverd waarmee de gevolgen van het tegen haar verleende verstek vervallen. Daardoor wordt de procedure op tegenspraak voortgezet. Inhoudelijke beoordeling 4.3. [eisers] en [gedaagde] verschillen van mening over de vraag of er aan de factuur over 2022 een rechtsgeldige overeenkomst ten grondslag ligt en of de algemene huurvoorwaarden van toepassing zijn op de huurovereenkomst. 4.4. [eisers] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] een tweetal facturen voor een zomerligplaats voor haar boot over de perioden 1 april 2022 t/m 31 oktober 2022 en 1 april 2023 t/m 31 oktober 2023 onbetaald heeft gelaten. [eisers] stelt dat er tussen haar en [gedaagde] een huurovereenkomst is gesloten ten behoeve van de zomerligplaats voor een boot over de periode van 1 april 2021 tot 1 november 2021. Daarbij heeft zij ook de huurvoorwaarden en het havenreglement meegezonden. Alvorens deze huurovereenkomst werd gesloten, heeft [eisers] aan [gedaagde] een offerte gestuurd. Ook over de jaren 2022 en 2023 heeft [eisers] telkens aan [gedaagde] per e-mail een factuur voor de ligplaats, de huurvoorwaarden en het havenreglement gestuurd. 4.5. [eisers] stelt dat de met [gedaagde] aangegane huurovereenkomst in 2021 een doorlopende huurovereenkomst is. Dit onderbouwt zij door aan te geven dat in de huurovereenkomst van 2021 het volgende opschrift staat: ‘ Deze huurovereenkomst wordt aangegaan tot wederopzegging met inachtneming van de termijnen zoals opgenomen in de algemene voorwaarden huur en verhuur lig- en/of bergplaatsen (voor vaartuigen en aanverwante artikelen) gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, van welke voorwaarden de ondertekening dezes verklaart kennis te hebben genomen. Door ondertekening dezes verklaart de huurder tevens kennis te hebben genomen van het havenreglement van de verhuurder .’ Nu er sprake is van een doorlopende overeenkomst die niet door [gedaagde] is opgezegd, stelt [eisers] dat [gedaagde] beide facturen moet betalen. 4.6. [gedaagde] verweert zich door aan te voeren dat er geen overeenkomst ten grondslag ligt aan de factuur van 3 februari 2022 voor de zomerligplaats over de periode van 1 april 2022 t/m 31 oktober 2022. [gedaagde] erkent dat er een huurovereenkomst is voor het seizoen van 2023 en is bereid de factuur van 5 maart 2023 voor een bedrag van € 486,06 te betalen. Zij betwist echter de factuur van 3 februari 2022 (voor de zomerligplaats over de periode van 1 april 2022 t/m 31 oktober 2022) en de daarmee samenhangende ingebrekestelling van 9 juli 2025. Er bestond ten tijde van deze factuur geen rechtsverhouding of overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde] die de betaling van deze factuur voor een bedrag van € 486,06 rechtvaardigt. Dit maakt dat [gedaagde] de openstaande vordering voor de zomerligplaats over de periode van 1 april 2022 t/m 31 oktober 2022 niet hoeft te betalen, aldus [gedaagde]. 4.7. Ook voert [gedaagde] het verweer dat de algemene huurvoorwaarden vernietigbaar zijn. [eisers] heeft namelijk nooit aan [gedaagde] een redelijke mogelijkheid geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. De algemene huurvoorwaarden zijn nooit door [eisers] vóór of bij het sluiten van de huurovereenkomst ter hand gesteld. Bovendien is het enkel versturen van de huurvoorwaarden per e-mail door [eisers] aan [gedaagde] onvoldoende. [eisers] heeft namelijk niet gesteld noch bewezen dat de overeenkomst uitsluitend elektronisch is gesloten. Ook heeft [eisers] niet gesteld en aangetoond dat [gedaagde] uitdrukkelijk heeft ingestemd met elektronische terhandstelling, aldus [gedaagde]. 4.8. De kantonrechter overweegt het volgende. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding van dat aanbod (artikel 6:217 BW).
Volledig
Voor de beantwoording van de vraag of er tussen [eisers] en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen, hangt af van hetgeen [eisers] en [gedaagde] over en weer hebben verklaard, uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden (artikel 3:33 BW en artikel 3:35 BW). 4.9. Bij de beoordeling van deze zaak geldt ook de Haviltex-maatstaf. Daarbij wordt niet alleen gelet op de zuiver taalkundige tekst van de bepalingen. Het komt namelijk aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan die overeenkomst te geven uitleg. 4.10. De kantonrechter oordeelt dat de overeenkomst van 2021 ten grondslag ligt aan de factuur voor de zomerligplaats over de periode van 1 april 2022 t/m 31 oktober 2022 voor een bedrag van € 600,23. De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst die [eisers] en [gedaagde] in 2021 sloten is aangegaan tot wederopzegging. Het feit dat er een termijn is opgenomen in de overeenkomst ziet op de periode dat er gebruik kan worden gemaakt van de zomerligplaats. Gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst door [eisers] of [gedaagde] voor de zomerligplaats in 2022 is opgezegd. Ook uit de verklaringen en gedragingen van partijen is niet gebleken dat partijen de intentie hadden om de overeenkomst voor één zomerperiode aan te gaan. Dat [gedaagde] in 2022 geen gebruik heeft gemaakt van de zomerligplaats doet daar verder niets aan af. De juistheid van de factuur voor een zomerligplaats in de periode van 1 april 2023 t/m 31 oktober 2023 voor een bedrag van € 486,06 is door [gedaagde] niet betwist. Dit alles maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat [gedaagde] de openstaande vordering voor een totaalbedrag van € 1.086,29 (hoofdsom) aan [eisers] moet betalen. [gedaagde] doet echter nog een beroep op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden, omdat deze nooit aan [gedaagde] ter hand zijn gesteld. Algemene voorwaarden 4.11. De kantonrechter oordeelt dat het in onderhavige zaak niet relevant is of de algemene voorwaarden van toepassing zijn. In de huurovereenkomst van 30 januari 2021 tussen [eisers] en [gedaagde] staat dat deze wordt aangegaan tot wederopzegging met inachtneming van de termijnen zoals opgenomen in de algemene voorwaarden huur en verhuur lig- en/of bergplaatsen (voor vaartuigen en aanverwante artikelen). Deze algemene voorwaarden zouden relevant kunnen zijn ingeval [eisers] of [gedaagde] zou hebben opgezegd. De huurovereenkomst is noch door [eisers] noch door [gedaagde] opgezegd. Dat maakt dat de kantonrechter de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden enkel hoeft te beoordelen voor zover er bepalingen daarin zijn opgenomen die gaan over de rente en buitengerechtelijke incassokosten. Buitengerechtelijke incassokosten en rente 4.12. [eisers] vordert betaling van rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ, EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971). Vanaf 1 april 2025 (datum betekening) dienen bij alle dagvaardingen in consumentenzaken de voor de beoordeling relevante stukken op papier aangeleverd te worden, zo ook de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn. Nu [eisers] in onderhavige kwestie deze niet heeft overlegd kan er niet getoetst worden of de algemene voorwaarden een oneerlijk beding bevat op deze onderdelen. De kantonrechter zal daarom de buitengerechtelijk incassokosten, de reeds vervallen rente en de wettelijke rente afwijzen. 4.13. [gedaagde] voert het verweer dat de factuur over 2022 en aanmaningen zijn gestuurd naar een e-mailadres dat niet meer bij haar in gebruik was. Dat [gedaagde] een nieuw e-mailadres heeft, komt voor haar eigen rekening. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] een adreswijziging aan [eisers] heeft doorgegeven. Nu de kantonrechter in 4.13 reeds heeft overwogen dat de buitengerechtelijke incassokosten, de reeds vervallen rente en wettelijke rente worden afgewezen, kan verdere bespreking hiervan achterwege blijven. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 4.14. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,78 - griffierecht € 340,00 - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.003,28 Rente proceskosten De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 1.086,29, 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.003,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. Arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, NJ 1981/635 ( Haviltex ). Arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572.