Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-09-17
ECLI:NL:RBLIM:2025:9049
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22 / 2521, ROE 22 / 2522 en ROE 22 / 2524 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2025 in de zaken tussen [eiseres 1] , [eiseres 2] en [eiser] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. M.M.M. Rooijen), en het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, verweerder (gemachtigden: mr. M. Buitenhuis, [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] ). Procesverloop 1. Verweerder heeft bij besluiten van 24 december 2021 (primaire besluiten) lasten onder bestuursdwang opgelegd aan eisers. 1.1. Met de besluiten van 13 september 2022 (bestreden besluiten) op de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten is verweerder bij die besluiten gebleven. Eisers hebben beroepen ingediend tegen de bestreden besluiten. 1.2. Bij besluiten van 18 juli 2023 (kostenverhaalsbeschikkingen) heeft verweerder besloten de kosten van de bestuursdwang ten bedrage van € 208.327,95 op alle eisers te verhalen. Op grond van artikel 5:31c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben de beroepen tegen de bestreden besluiten mede betrekking op de kostenverhaalsbeschikkingen. Eisers hebben tegen de kostenverhaalsbeschikkingen op 14 september 2023 nadere gronden van beroep ingediend. 1.3. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R.A. Stoks, kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers, en de gemachtigden van verweerder. (Totstandkoming van de) besluiten 2. De rechtbank stelt vast dat ten tijde hier van belang [eiseres 2] eigenaar was van de varkenshouderij aan de [adres 1] in [plaats] (hierna ook: het bedrijf van [eiser] ). [eiseres 1] is de algemeen directeur van [eiseres 2] en [eiser] is bestuurder van [eiseres 2] Aan de overkant van de Veldweverstraat ligt het oppervlaktewaterlichaam de Rakerlossing. De Rakerlossing stroomt in op het oppervlaktewaterlichaam de Rosveldlossing en mondt stroomafwaarts uit in de Sterkselsche Aa. Op 18 november 2020 heeft het waterschap de Dommel een melding ontvangen van vissterfte in de Sterkselsche Aa in Noord-Brabant. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 18, 22 en 26 november 2020 (ecologisch) onderzoek (rapport van 26 mei 2021) laten uitvoeren in het stroomgebied van de Rosveldlossing en de zijbeken. Tijdens de controles zijn verschillende metingen verricht waaruit bleek dat het oppervlaktewater hoge concentraties sulfide, ammonium en ammoniak bevatte, die tot vissterfte leidden. Tijdens het onderzoek is volgens verweerder geconstateerd dat deze verontreiniging afkomstig en te herleiden is naar het bedrijf van eisers, omdat vanaf het bedrijf van eisers illegaal meststoffen zijn geloosd in de Rakerlossing. 3. Verweerder heeft bij de primaire besluiten aan alle eisers afzonderlijk een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege het lozen van meststoffen zonder vergunning in het oppervlaktewaterlichaam de Rakerlossing, wat in strijd is met artikel 6.2, eerste lid, en artikel 6.8 van de Waterwet (Ww). Dit is - kort gezegd - onderbouwd met een inspectierapport van de toezichthouder van 27 november 2020 en het onder 2 vermelde onderzoek van de ecoloog van 26 mei 2021 (zie meer uitgebreid onder 18 en 25). 3.1. In de primaire besluiten zijn de volgende lasten onder bestuursdwang opgelegd: De overtreding van artikel 6.2, eerste lid van de Waterwet te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunt u doen door de reeds aanwezige meststoffen uit het oppervlaktewaterlichaam genaamd de Rosveldlossing te verwijderen en geen nieuwe (mest)stoffen in het oppervlaktelichaam te lozen. U kunt de meststoffen uit de Rosveldlossing verwijderen door de ophoping van meststoffen ter hoogte van de retentiebekken en de stuw op 1 kilometer stroomafwaarts in de Rosveldlossing te verwijderen. Het gaat specifiek over het onderdeel Rosveldlossing vanaf de instroming met Rakerlossing tot aan de stuw, waar de verontrein Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die bestuurlijke sanctie het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd. De bij de primaire besluiten opgelegde lasten onder bestuursdwang dateren van vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Ww, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Faillissement 9. Verweerder stelt in het aanvullend verweer van 15 april 2024 dat [eiser] per 28 september 2022 als natuurlijke persoon failliet is verklaard. Volgens verweerder heeft de gemachtigde van eisers geen toestemming van de curator gekregen om namens hem het beroep van [eiser] in te stellen, hetgeen artikel 8:22 van de Awb in samenhang met artikel 25 van de Faillisementswet (Fw) vereist. Verweerder verzoekt de rechtbank om op grond van genoemde artikelen de curator van [eiser] op te roepen tot overneming van het geding. Nu [eiseres 1] en [eiseres 2] tot de boedel behoren, verzoekt verweerder de rechtbank om de curator tevens te verzoeken om zich uit te laten over de procedures van deze vennootschappen. Verweerder betwijfelt of de procedures bevoegdelijk geëntameerd zijn. 10. Als reactie hierop heeft de gemachtigde van eisers op 12 september 2024 aangegeven dat het faillissement van [eiser] inmiddels is opgeheven. Volgens eisers is het faillissement van [eiser] niet van betekenis voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur om namens de rechtspersoon over te gaan tot het instellen van een rechtsmiddel. De organen kunnen volgens eisers na faillietverklaring alleen geen beheerhandelingen meer verrichten die de boedel binden (artikel 68 van de Fw in samenhang met artikel 23 van de Fw). Eisers verwijzen ook naar de arresten van de Hoge Raad van 19 mei 1999 en het Hof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2015. Zodoende bestaat geen enkel bezwaar tegen het uitoefenen van de aan [eiser] toekomende bestuursbevoegdheid namens [eiseres 1] . [eiseres 1] was als bestuurder namens [eiseres 2] eveneens bevoegd tot het instellen van een rechtsmiddel. 11. Bij brief van 16 september 2024 van [naam] van Hoeberechts advocaten wordt namens de voormalig curator van [eiser] gereageerd en gesteld dat het faillissement van [eiser] op 9 juli 2024 is opgeheven wegens de toestand van de boedel. Het eerdere faillissement van [eiser] speelt naar zijn oordeel en naar het oordeel van [naam] geen rol meer. 12. In artikel 8:22 van de Awb is - voor zover van belang - bepaald dat in geval van faillissement de artikelen 25, 27 en 31 van de Fw van overeenkomstige toepassing zijn. In artikel 25, eerste lid, van de Fw is bepaald dat rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, zowel tegen als door de curator worden ingesteld. 13. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat [eiser] vanaf 28 september 2022 tot 9 juli 2024 als natuurlijke persoon failliet is geweest. Het beroep van [eiser] van 25 oktober 2022 is derhalve ingesteld op het moment dat hij reeds failliet was. 14. De rechtbank stelt vast dat het faillissement van [eiser] reeds meer dan één jaar is opgeheven, hetgeen niet is betwist. Voorts blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de voormelde brief van 16 september 2024 dat - mocht dit nodig zijn aangezien [eiser] Voorts is in het ecologisch onderzoek van 26 mei 2021 onder meer het volgende vermeld: “Naar aanleiding van vissterfte Sterkselse Aa (Waterschap de Dommel) is er door Waterschap Limburg op 18 november, zondag 22 november en donderdag 26 november onderzoek verricht in het stroomgebied van de Rosveldlossing en Rakerlossing. Uit onderzoek bleek dat vooral het lage zuurstofgehalte (0-2 mg/l) en ammonium gehalte (26 mg/l) maar ook andere voor de waterkwaliteit belastende parameters zoals waterstofsulfide vorming verantwoordelijk waren voor de vissterfte. Een lozing met varkensmest in de Rakerlossing bleek uiteindelijk hiervan de oorzaak. Bij de lozing is waarschijnlijk een grote hoeveelheid varkensmest, waarbij ammonium, fosfaat nitraat en organische stof via de Rakerlossing en de Rosveldlossing in de Sterkschelse Aa terecht is gekomen. Het merendeel van deze organische verontreiniging is benedenstrooms van het lozingspunt als zuurstofloos slib afgezet op de bodem, vooral op die trajecten in de Rosveldlossing waar stroming gering is. Half maart is de waterbodem bemonsterd. Er was nog steeds een mestlucht waarneembaar. Er zijn vooral hoge fosfor-waarden en veel organisch materiaal aangetroffen. Het slib is van dien kwaliteit dat het geschikt is om te verspreiden over aangrenzende grond of op landbodem. Het gaat om een traject van ongeveer één kilometer en in totaal om 965 m3 slib dat verwijderd moet worden.” 18.1. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt en deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers de artikelen 6.2, eerste lid, en 6.8 van de Ww hebben geschonden, door mest te lozen in de Rakerlossing. Voor de vraag of sprake is van een overtreding maakt de hoeveelheid mest die geloosd is niet uit. Onbetwist is dat eisers geen vergunning hebben voor het lozen van meststoffen. Verweerder was dus bevoegd handhavend op te treden. Dit betoog slaagt niet. Zijn eisers overtreders? 19. Volgens eisers kan de lozing van meststoffen niet zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon [eiseres 2] en kan deze evenmin anderszins aan [eiseres 2] worden toegerekend, omdat [eiseres 2] op de locatie [adres 1] nooit een varkensbedrijf of een daaraan te relateren onderneming heeft geëxploiteerd. [eiseres 2] is pas opgericht nadat de door [eiser] geëxploiteerde eenmanszaak, zijnde het varkensbedrijf, was gestaakt. Dit betekent volgens eisers dat [eiseres 2] geen invloed heeft gehad op de overtreding. Aangezien [eiseres 2] geen overtreder is, kan van daderschap van [eiseres 1] evenmin sprake zijn, omdat [eiseres 1] geregistreerd is als algemeen directeur van [eiseres 2] . [eiser] is geen bestuurder en daarmee evenmin feitelijk leidinggevende van [eiseres 2] , zijnde volgens verweerder de rechtspersoon die de meststoffen heeft geloosd. Zo er al zou worden vastgesteld dat er vanuit de locatie [adres 1] meststoffen zijn geloosd, dan is een dergelijke lozing (uitsluitend) verricht door [eiser] in het kader van zijn gestaakte eenmanszaak, aldus eisers. 20. Verweerder stelt dat uit iedere last onder bestuursdwang aan eisers en bijbehorende rapporten volgt dat de lozingen zijn te herleiden tot de [adres 1] , het adres waar [eiseres 2] en [eiseres 1] gevestigd zijn. [eiser] heeft de overtreding feitelijk gepleegd door meststoffen te lozen. [eiser] is als bestuurder werkzaam binnen [eiseres 1] , waarmee sprake is van een fysiek handelen van iemand die werkzaam is voor of ten behoeve van de rechtspersoon [eiseres 1] . De inrichting aan de [adres 1] wordt feitelijk geëxploiteerd door [eiseres 2] die hier een onderneming in vleesvarkensbedrijven, teelt van voedergewassen en dienstverlening voor de akker- en/of tuinbouw exploiteert. [eiseres 2] is daarom volgens verweerder aan te merken als drijver van de inrichting. De meststoflozing vond plaats binnen de normale bedrijfsvoering en [eiseres 2] kon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en door niet in te grijpen heeft zij deze a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon, c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging." Uit de hiervoor vermelde rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet vereist is dat zich alle of meerdere van de onder a tot en met d vermelde omstandigheden voordoen. 22. De rechtbank overweegt dat, blijkens het uittreksel van de KvK, [eiseres 2] sinds 28 juni 2019 actief is en gevestigd is aan de [adres 1] in de SBI-code 01462 ‘vleesvarkensbedrijven’. Aangezien de overtreding van latere datum is, namelijk van november 2020, en uit de verschillende controles bij de [adres 1] is gebleken dat de onderneming daadwerkelijk actief was, is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat [eiseres 2] nooit een varkenshouderij heeft geëxploiteerd op het adres [adres 1] . Ook [eiseres 1] is sinds 28 juni 2019 gevestigd aan de [adres 1] en exploiteert daar een onderneming met de SBI-code 0150 ‘akker en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren’. Gelet hierop vond de mestlozing plaats binnen de normale bedrijfsuitoefening van beide B.V.’s. Onbetwist is dat [eiser] per 29 juni 2019 tot 19 juni 2023 bestuurder en algemeen directeur was van [eiseres 1] , alsmede dat [eiseres 1] bestuurder, algemeen directeur en enig aandeelhouder was van [eiseres 2] Eisers hebben aangegeven dat zo er al zou worden vastgesteld dat er vanuit de locatie aan de [adres 1] meststoffen zijn geloosd, deze lozing (uitsluitend) verricht is door [eiser] . Gelet op de overweging onder 18 zijn vanuit de locatie [adres 1] meststoffen geloosd en is er derhalve sprake van een overtreding. Dit betekent dat in dat geval volgens de rechtbank is komen vast te staan dat [eiser] de mestlozing feitelijk heeft verricht. Op het moment van de overtreding functioneerde hij als bestuurder binnen [eiseres 1] , waarmee sprake is van fysiek handelen van iemand die indirect werkzaam is voor of ten behoeve van de rechtspersoon [eiseres 2] , zodat voldaan is aan het voormelde criterium a) en c), omdat de gedraging ten bate van de bedrijfsvoering van [eiseres 2] en [eiseres 1] is geweest. Ook konden [eiseres 2] en [eiseres 1] erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Door niet in te grijpen hebben zij de mestlozing aanvaard, zodat ook aan het voormelde criterium d) wordt voldaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat alle drie de eisers overtreder zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Is sprake van causaliteit tussen de overtreding en de hoeveelheid slib? 23. Eisers voeren aan dat niet is gebleken dat de lozing tot de door verweerder gestelde verontreiniging in de sliblaag heeft geleid. Uit het rapport van de ecoloog volgt namelijk niet dat de (gehele) verontreiniging in de sliblaag van de Rosveldlossing zijn oorzaak vindt in het illegaal lozen van meststoffen in de Rakerlossing. Dit is slechts een aanname. Uit het door verweerder overgelegde rapport van 2 juni 2022 over de analyseresultaten blijkt niet dat zich in de Rosveldlossing een sliblaag bevindt die is veroorzaakt door een mestlozing ter hoogte van het perceel [adres 1] . Als al zou komen vast te staan dat eisers een lozing hebben verricht - ze vinden dat uit het rapport van Hengeveld blijkt dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de door verweerder gestelde lozing door eisers heef Daarin staat onder andere dat er naar aanleiding van vissterfte in de Sterkselse Aa op 18 november en 22 november 2020 onderzoek is verricht in het stroomgebied van de Rosveldlossing en Rakerlossing en dat een lozing met varkensmest uiteindelijk hiervan de oorzaak bleek. Voorts vermeldt de ecoloog dat bij de lozing waarschijnlijk een grote hoeveelheid varkensmest in de Sterkselse Aa terecht is gekomen. Een deel van de mest heeft de vissterfte veroorzaakt. Half maart 2021 is de waterbodem van de Rosveldlossing bemonsterd en is geconstateerd dat het slib van dien kwaliteit is dat over één kilometer 965 m3 dit slib verwijderd moet worden. 25.1. Uit het voorgaande leidt de rechtbank voorts af dat uit de bestreden besluiten - zie onder 24 - volgt dat de aan de lasten onder bestuursdwang ten grondslag gelegde overtreding (lozing met meststoffen) op of omstreeks 25 november 2020 vanaf het erf van eisers heeft plaatsgevonden. 25.2. Uit de besluitvorming blijkt niet dat de lasten onder bestuursdwang zijn opgelegd voor eventuele andere overtredingen, zoals de in het verweerschrift gestelde lozingen van 17 december 2019, 3 januari 2020, 4 februari 2020 en 6 en 17 december 2020, dan wel andere vóór die periode door verweerder gestelde lozingen door eisers en eventuele andere aanschrijvingen, zie bij voorbeeld de in de primaire besluiten genoemde aanschrijving van 21 januari 2021. Verweerder heeft het steeds over ‘een lozing’. De rechtbank verwijst ook naar 3.2. 25.3. Daargelaten of voldoende aannemelijk is gemaakt dat de sliblaag met meststoffen is verontreinigd heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat, zoals volgt uit de bestreden besluiten (zie de conclusie van het advies van de bezwaren-commissie) de verontreiniging van de sliblaag enkel het gevolg is van een mestlozing van eisers op of omstreeks 25 november 2020. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat de lasten onder bestuursdwang, het verwijderen van het slib, ziet op het ongedaan maken van die (ene) mestlozing. De rechtbank vindt namelijk dat verweerder de causaliteit tussen die overtreding van de artikelen 6.2, eerste lid, en 6.8 van de Ww en de hoeveelheid mest/slib - saneringsplicht voor een groot gedeelte van de sliblaag - van ongeveer 20 centimeter over een afstand van ongeveer één kilometer van in totaal 965 m³ slib, één kilometer stroomafwaarts in de Rosveldlossing - niet heeft aangetoond. Hiertoe overweegt de rechtbank - zie onder 25.2 - dat de door verweerder gestelde andere lozingen/ overtredingen van eisers niet ten grondslag zijn gelegd aan de lasten onder bestuursdwang, zodat deze mogelijke lozingen en de als gevolg daarvan ontstane (met mest vervuilde en te saneren) sliblaag niet (zonder meer) aan elkaar te koppelen zijn. Tevens is komen vast te staan dat de Rosveldlossing nog nooit gebaggerd is in de afgelopen 40 jaar, waardoor allerminst uitgesloten kan worden dat er eerdere lozingen (van andere bedrijven) dan wel mest afkomstig van andere percelen in de loop der jaren in dit oppervlakte-waterlichaam zijn terecht gekomen en deel uitmaken van de (te saneren) sliblaag. Ook acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat eisers op de door verweerder genoemde dag / in de korte periode (op of omstreeks 25 november 2020) zo’n grote hoeveelheid mest geloosd zouden hebben op de Rakerlossing zo’n twee kilometer vóór het punt waar de sliblaag zich bevindt (in een periode van droogte) waardoor er weinig water stond in de Rakerlossing. Dit is ook duidelijk naar voren gekomen ter zitting waar (via google maps/street view) het hele traject vanaf de plek van de overtreding tot de te saneren lossing is gevolgd en mede op basis waarvan (voldoende) twijfel is gerezen over de causaliteit tussen de overtreding op of omstreeks 25 november 2020 en de door eisers te saneren hoeveelheid mest/slib. 25.4. Gelet hierop zijn de lasten (veel) te verstrekkend. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd en onderzocht of het verwijderen van